Maak de naam van uw Vader niet te schande

Thema: Maak de naam van uw Vader niet te schande
Tekst: Zondag 37 H.C.
Tekstgedeelte(n): Matteüs 5: 33-37
Matteüs 23: 16-22
Zondag 37 H.C.
Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op 7 juli 1995

Aanwijzingen voor de Liturgie

1. Ps. 24: 1-3
2. Ps. 24: 4-5
3. Lezen: Matteüs 5: 33-37; Matteüs 23: 16-22
4. Ps. 50: 1, 7-8, 11
5. Tekst: Zondag 37 H.C.
6. Gez. 1: 5
7. Ps. 148: 1, 4-5

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

Het is zondagmorgen en u zit in de kerk. De dominee leest de wet voor. U probeert op te letten, maar al gauw dwalen uw gedachten af. U weet immers al precies wat er komt.

Misschien let u de laatste zondagen wat beter op. Want in de Catechismuspreken worden nu de geboden uitgelegd. Zo is er over het eerste gebod, over het tweede en over het derde gepreekt en nu mag ik nog een keer over dat derde gebod preken. De volgende zondag is het vierde gebod aan de beurt. Het zijn allemaal geboden, die direkt met onze liefde voor God te maken hebben. In het vijfde tot en met het zesde gebod komt onze liefde voor de mensen om ons heen aan bod.

Onze liefde voor God.
Het is dus niet zo, dat we alleen door middel van naastenliefde kunnen laten zien, dat wij God gehoorzaam willen zijn. Er is ook een rechtstreekse relatie met God zelf.
Hoe is uw houding tegenover de Here?
Hebt u een groot vertrouwen in Hem?
Hoe gaat u met Hem om?
Hebt u respekt voor wat Hij, door middel van de bijbel, tegen u zegt?
Als u het ooit over Hem hebt, hoe doet u dat dan?
Wat doet u met de tijd, die u samen met Hem doorbrengt?

Het valt voor ons niet mee om onze gedachten op God te richten. Je kunt God immers niet zien. En soms lijkt het alsof het allemaal zonder God ook wel doorgaat. Maar probeert u het toch eens. Denkt u eens na over God. Wie is Hij en hoe moet ik tegenover hem staan?

U zit in de kerk en u luistert naar de wet. Misschien vielen u zo net toch even de woorden van het derde gebod op. Er is immers de vorige zondag over gepreekt.
'Gij zult de naam van de HERE uw God niet ijdel gebruiken.'
'U mag de naam van de Here niet misbruiken.'
Als het u zo net opviel, wat dacht u toen?

Ik vraag het natuurlijk ook wel eens aan catechisanten, wat het derde gebod betekent. 'Je mag niet vloeken,' zeggen ze dan. En ze hebben gelijk.

We moeten dat regelmatig tegen elkaar zeggen in de kerk. Vrijgemaakten vloeken ook wel eens. Natuurlijk niet zomaar. Alleen, als je je plotseling heel erg zeer doet of als je opeens verschrikkelijk pech hebt. Maar ze doen het dan toch maar.

Nee, vrijgemaakte mensen zijn ook niet volmaakt. Oké, maar als het moet, is er een heleboel mogelijk. Als je per sé met vakantie wilt, doe je daar ook veel voor.

Wat onder ons in elk geval regelmatig voorkomt, dat zijn de bastaardvloeken: 'Goh, gadsi, jeetje, gossiemijne, o mijn God.'
Het lijkt natuurlijk ook wel stoer, als je zoiets zegt. Even kijken hoe die anderen reageren, als je 'o mijn God' zegt. Het is stil. Zie je wel: ze schrikken. Ha! Een klein triomfantelijk gevoel kun je toch niet onderdrukken. Zou God ook onder de indruk zijn?

Vandaag gaat het over de eed.
De eed was in de tijd waarin de Catechismus werd opgesteld een belangrijk onderwerp. Mensen praatten erover in het café. Eerst was dat niet het geval. In de roomse kerk zwoer men bij het leven. 'Bij God en bij al zijn heiligen.'

Toen klonk er in de kerk een ander geluid. 'Geloof! Daardoor word je gered.' De mensen hadden dat zo nog nooit gehoord. Maar anderen waren het er niet mee eens. Er ontstonden conflicten in de kerk. Er waren zelfs mensen, die de kerk verlieten. Ze kwamen op zondag elders bijeen.

Er waren ook mensen die doorsloegen. Alles in de roomse kerk was verkeerd. En ook dat zweren, dat moest dus niet meer. Ook niet als het stadsbestuur of de plaatselijke rechter het vroeg.
Had de Here Jezus niet gezegd, dat we helemaal niet moeten zweren? Je moet radicaal zijn. Dat half-zachte, daar hebben we niets aan. Bovendien, hoe kan een rechter of hoe kan het stadsbestuur nu aan een wedergeboren christen vragen om zijn woorden te bekrachtigen met een eed. Een christen is gewoon betrouwbaar. Als je christen bent, lieg je niet. Je bent een ander mens geworden. Deze zelfde mensen kozen ook voor volwassendoop, lieten zich zelfs overdopen en werden daarom wederdopers genoemd.

De gereformeerden dachten er anders over. Zij hadden zich ook genoodzaakt gezien om de bijeenkomsten van de roomse kerk niet langer te bezoeken. Maar ze kozen nog wel voor de kinderdoop. Ze hadden er ook geen moeite mee om, als het moest, een eed af te leggen. Ze vonden, dat dat moest. En zo konden in het plaatselijk café een paar gereformeerden met een paar wederdopers in een verhitte discussie geraken over de eed.

Geen wonder dat in de Catechismus, bij de uitleg van het derde gebod, ook een zondag over de eed moest komen. Als je dat naliet, was dat een teken van zwakheid. Je was bang om je nek uit te steken. En dergelijke angst kende men in die tijd niet. Men zei elkaar flink de waarheid. Leest u maar eens een commentaar van Calvijn. En Calvijn was een beschaafd man.

Maar wat moeten wij vandaag met deze zondag?
Ik denk, dat als wij ooit nog eens een nieuwe Catechismus krijgen, wij met één zondag kunnen volstaan. Er zijn ook verschillende collega's, die Zondag 36 en 37 in één preek behandelen. Toch vind ik, dat zolang deze zondag erin staat, wij er best iets van kunnen leren en dat hoop ik u vanmorgen duidelijk te maken.

De boodschap van de preek vat ik zo voor u samen:

Maak de naam van uw Vader niet te schande

  1. Zeg niet alles wat in u opkomt
  2. Zeg wel wat misschien niet in u opkomt

1. Zeg niet alles wat in u opkomt

Behalve de roomsen in de tijd van de Catechismus zwoeren ook de Joden in de tijd dat de Here Jezus op aarde was bij van alles en nog wat. U kunt dat opmaken uit wat de Here Jezus in Matteüs 5 zegt. Blijkbaar zwoer men bij de hemel, bij de aarde, bij Jeruzalem en bij het eigen hoofd. Of, om even een gek voorbeeld uit de rabbijnse literatuur te noemen: 'Bij het leven van de vijgenplukker.' Er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken, dat het leven van die vijgenplukker in de ogen van de meeste mensen in Israël niet zoveel waard was, maar men zwoer er wel bij.

Wij denken wel eens, dat deze praktijk door de Farizeeën en schriftgeleerden werd gestimuleerd. We leiden dat dan af uit de toespraak, die Jezus aan hun adres gehouden heeft, en die wij vinden in Matteüs 23. De Here Jezus spreekt daar ook over het zweren en Hij noemt in verband daarmee de Farizeeërs en schriftgeleerden blinde wegwijzers.

Uit rabbijnse literatuur blijkt echter, dat dit niet klopt. Een aantal rabbi's legde zich bij de praktijk van het zweren neer, maar stimuleerde het zeker niet. Anderen verzetten zich er zelfs tegen. Dat deden zij door het aantal geldige eden drastisch in te perken. 'Je kunt,' zo zeiden ze,'maar niet bij van alles en nog wat zweren, niet maar zeggen wat in je opkomt. Dat betekent dan immers meteen, dat je vaak niet doet wat je zegt. Zoveel eden kan niemand nakomen.' Ze beperkten dus het aantal eden dat geldig was. Tegelijk zeiden ze, dat je je aan zo'n eed dan ook moet houden. De rabbi's hadden dus duidelijk oog voor het derde gebod.
'U mag uw eden niet breken, maar u moet ze tegenover de HERE gestand doen. U mag Gods naam niet misbruiken.'

Welke eden waren nu geldig?
Een eed bij de heilige naam van God of een eed bij iets dat direkt bij God hoorde. Verder ook eden waarin het woord korban werd gebruikt. U weet misschien, dat de term 'korban' viel bij een offergave, als iemand iets beloofde aan God.
Korban, dat is de gave van de Israëliet op het altaar.
Korban, dat is ook het goud dat in het schathuis op het tempelterrein wordt bewaard en dat Israëlieten beloofd en daarna gegeven hebben aan God.

En als u Matteüs 23 bekijkt, herkent u het direkt.
U ontdekt daar drie geldige eden:
bij het goud van de tempel (vers 16), bij de gave op het altaar (vers 18) en bij de hemel (vers 22).
U ontdekt daar ook drie eden die door de gewone mensen werden gebruikt, maar volgens een aantal Farizeeën ongeldig waren: bij de tempel (vers 16) en bij het altaar (vers 18).
In Matteüs 5 ontdekt u weer eerst een geldige eed: bij de hemel (vers 34), en verder een paar ongeldige eden: bij de aarde, bij Jeruzalem (vers 35) en bij het eigen hoofd (vers 36).

De Farizeeën waren dus zo slecht nog niet. Toch noemt Jezus hen blinde wegwijzers. En wie laat zich nu door een blinde de weg wijzen?

Waarom zegt de Here Jezus dit?
Dat legt Hij in Matteüs 23 zelf uit. Vers 17: Wat is meer, het goud of de tempel, die het goud geheiligd heeft? En vers 19: Wat is meer, de gave of het altaar, dat de gave heiligt?
Als dat goud niet lag opgeborgen in het schathuis van de tempel, zou geen Israëliet het in zijn hoofd halen om erbij te zweren. De tempel verleent aan dat goud zijn waarde. En als dat geslachte dier niet op het altaar van de Here lag, zou niemand er een eed bij afleggen. Het altaar geeft aan het dode dier een bijzondere betekenis. En de tempel geeft aan dat goud veel meer waarde, omdat God in de tempel woont. Maar dat heeft tot gevolg, dat elke eed in feite een eed is bij God. Zo'n eed bijvoorbeeld bij het offerdier dat jij betaald hebt en nu op het altaar ligt, heeft kracht omdat dat altaar in de tempel staat en de tempel het huis van God is.

De Farizeeën hadden een compromis gevonden. Al die krachttermen, dat liep de spuigaten uit. De mensen zwoeren maar raak en ze werden er niet betrouwbaarder op. Maar een aantal krachttermen, zonder dat je op het niveau van een eed bij Godzelf kwam, dat moest kunnen. Jezus zegt:'Dat kan niet! Want je komt toch bij God uit.'

En dat doet ons meteen denken aan wat Jezus in de Bergrede zei: 'Zweren jullie maar niet. Ja moet gewoon ja zijn en nee nee. Wat aan dat ja en aan dat nee allemaal toegevoegd wordt, is uit de boze. Het heeft eerder met de duivel dan met God te maken.'

De Farizeeën deden op een verkeerde weg een paar flinke stappen terug. Het zweren liep uit de klauwen en ze waren te serieus om daar niets aan te doen. Maar ze bleven wel op die route. Daarom zegt Jezus terecht, dat zij blinde wegwijzers zijn. Ze hebben niet door dat ze fout gaan. En daarom moet je, ook al bedoelen ze het misschien goed, achter hen niet aan. Iemand kan wel wat langzamer gaan lopen omdat hij het onbehagelijke gevoel krijgt dat hij niet helemaal goed zit, maar hij kan beter terug naar het begin en dan goed op de borden kijken welke weg hij wel moet hebben.

Maar wat moeten wij hier nu mee?
Ik denk, dat wij die Joodse onderscheidingen in feite net zo goed kennen. Als je een eed aflegt, ligt dat heel zwaar. Je mag niet liegen. Je roept God er immers bij. Als je een sterke verzekering doet, bv. Nu kun je ervan opaan. Ik zal het nu echt doen, ligt het al wat minder zwaar en als je gewoon belooft dat je iets zult doen, heeft het nog minder gewicht. Zo vreemd waren die Joden nu ook weer niet. Maar dan zegt Jezus ook tegen ons, dat ja ja moet zijn en nee nee. Want alles heeft met God te maken. De hemel is de troon van God. Daar woont Hij. De aarde is het bankje, waarop Hij zijn voeten laat rusten. Natuurlijk, de wereld ligt aan zijn voeten. Jeruzalem is (of was) de stad waar Hij woont. Ons hoofd is door Hem gemaakt en wordt door Hem verzorgd. Als het haar grijs wordt, houden we dat niet tegen. We kunnen er hoogstens met kunstmiddelen iets aan doen en daar is ook niets tegen, maar dat het op zeker moment grijs wordt kunnen wij niet verhinderen.
Maar als alles met God te maken heeft, hebben ook onze woorden met Hem te maken. Hij hoort ze altijd. Niet alleen, als we Hem door middel van een eed als getuige erbij roepen. Hij ziet er dus ook altijd op toe, dat wij doen wat wij zeggen. Het valt Hem altijd tegen, als we nalatig zijn.

En dat betekent,
a
: dat wij ons nu schuldig voelen of althans moeten voelen. Ons ja is lang niet altijd ja en ons nee is vaak wel ja.
Waaruit kent u uw ellende? Jazeker, uit de wet van God. Die wet spiegelt ons gedrag en dus meteen wat daarin scheef zit. Wij hebben vergeving van zonden nodig, vergeving ook van onze onbetrouwbaarheid.
Maar b: de wet wordt in het derde hoofdstuk van de Catechismus behandeld in het kader van onze dankbaarheid voor Gods verlossing en van de vernieuwing van ons leven.
Door zijn Heilige Geest, zo staat er in Zondag 32, verandert Christus ons en doet ons steeds meer op Hem lijken. En Christus, dat weet u, is de getrouwe getuige bij uitstek. Hij heeft nooit gelogen, zelfs niet toen Hij bij Kajafas besefte dat een bepaalde verklaring over Zichzelf Hem zijn leven zou kosten. Vraag dus aan God serieus of Hij er door de kracht van de Geest voor wil zorgen, dat u een betrouwbaarder mens wordt.

Maak de naam van uw Vader niet te schande. Zeg dus niet alles wat in u opkomt. Uw Vader in de hemel schaamt Zich voor u, als Hij u zich hoort uitputten in allerlei verzekeringen terwijl Hij van tevoren al wel weet, dat het er bij u toch wel weer niet van komen zal. En het raakt Hem diep, als Hij kort daarop de zoveelste buitenkerkelijke smalend hoort spreken over die huichelaars van de kerk, die niet doen wat ze zeggen.

Zeg niet alles wat in u opkomt. Zeg wel wat misschien niet in u opkomt?

2. Zeg wel wat misschien niet in u opkomt

Mag je nu wel een eed afleggen voor de rechtbank of als je bijvoorbeeld arts of officier wordt?
Even terug naar de wederdopers, waar ik het in het begin van de preek over had. Die zeiden: 'Nee, dat mag niet. Want de Here Jezus zegt, dat we helemaal niet moeten zweren. En wij moeten net zo radicaal zijn als Hij.'

U kent het antwoord van de Catechismus.
"Vraag 101: Maar kan men ook godvrezend bij de naam van God zweren?
Antwoord: Ja, wanneer de overheid het van haar onderdanen eist of in geval van nood."
En als u op dit moment nog goed voor de geest hebt waar de Here Jezus tegenin ging, dan vindt u, waarschijnlijk, dat dit klopt.
De Farizeeën zeiden: 'Houd je aan de eden, die geldig zijn.' Jezus zei:'Ook die eden, die de Farizeeën geldig noemen, zijn niet goed.' Uw gerechtigheid, uw gehoorzaamheid, moet royaler zijn dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën.

'Maar,' zegt iemand hier in de kerk nu misschien, 'bij die geldige eden hoort ook de eed bij God zelf.'
Dan moet u erop letten, dat de Joden in de tijd dat Jezus op aarde was zelden een eed aflegden bij God. Zo bang waren zij, dat ze het derde gebod zouden overtreden. Wij lezen in Matteüs 26 een uitzondering op de regel. Dan bezweert de hogepriester Jezus bij de levende God om er nu eens duidelijk vooruit te komen of Hij de Messias is of niet.
Wij kunnen ons voorstellen, dat de hogepriester in deze bijzondere situatie een echte eed vraagt. Maar de Here Jezus weigert niet deze eed af te leggen. 'U hebt het gezegd,' zo reageert Hij. Met andere woorden:'Het klopt. Ik ben de Messias.'

Ik weet, dat er op deze tekst als bewijstekst ook kritiek bestaat. Maar ik vind, dat we er niet onderuit kunnen: De hogepriester vraagt een eed en Jezus legt die af.

Je kunt je nu nog wel afvragen, of, als een eed mag, een eed in de betreffende gevallen ook moet.
De vraag is dan of je de naam van God wel moet koppelen aan zulke alledaagse dingen als politiek, medisch handelen en leger, dingen waarbij mensen ook veel fouten begaan. Ik wijs dan opnieuw op de Here Jezus zelf, die in de Bergrede laat zien dat God gewoon bij alles betrokken is. Ook na de zondeval blijft God de wereld besturen. Ook al gebeuren hier een heleboel fouten, God trekt zijn handen niet van deze aarde af. Dat is een wonder van liefde en geduld. Wie neemt de verantwoordelijkheid voor een failliete boedel op zich?
Maar dan zijn die arts en die politicus en die officier dus toch wel afhankelijk van God. Laten zij dat dan op belangrijke momenten ook maar publiek erkennen. Als mens verdien je zulke erkenningen van tijd tot tijd ook. God verdient ze zeker.

En dan is het ook nog eens een goede zaak, dat een eed bij God zelf mensen dwingt om er goed bij na te denken wat ze zeggen. Dat effect kan een belofte natuurlijk ook hebben. Maar eerlijk is eerlijk:
als iemand of iets ons in staat stelt om op belangrijke momenten echt te beloven, dan zijn wij dat niet zelf, maar dan is dat God. En dat mag ook wel publiek worden.

Het lijkt mij duidelijk, dat een christen de kans om door middel van een eed zijn afhankelijkheid van in aanwezigheid van veel andere mensen te belijden niet voorbij mag laten gaan en dat zeker een christen niet de indruk moet wekken, dat hij op eigen kracht een belangrijke taak kan verrichten.
Het komt misschien niet direkt bij je op. Je zou, wellicht, liever een belofte afleggen. Waarom moet je als christen altijd anders en die belofte interpreteer je voor jezelf toch op een christelijke manier?
Ja, maar het aspect van de publiciteit is ook van belang. We vinden dat ten aanzien van heel veel dingen onmisbaar. Als jezelf een zaak hebt, maak je reclame. Publiciteit is zeker onmisbaar, als het gaat om Christus en om God. Niet in de zin van overdrijven. Daarom heeft reclame vaak een slechte naam.
Maar als iets waardevol is en zelfs onmisbaar om altijd gelukkig te kunnen zijn, dan moet men weten dat het er is. Daarom houden kerken ook evangelisatie-projekten.

Het derde gebod:
dat betekent:
Maak de naam van uw Vader niet te schande.
Ten aanzien van de eed geldt:
Zeg niet alles wat in u opkomt.
Zeg wel wat misschien niet in u opkomt.
Het kan zijn dat de motieven voor dat laatste bij u op dit moment nog niet aanwezig zijn, maar dat wil niet zeggen dat die motieven er ook niet kunnen komen.
Als u eens goed nadenkt over wat aan de orde kwam, lijkt mij dat zeker mogelijk.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar