We staan onder de zeggenschap van God!

Thema: We staan onder de zeggenschap van God!
Tekst: Zondag 26
Tekstgedeelte(n): Matteüs 28: 16-20
Handelingen 2: 37-40
Handelingen 22: 10-16
Zondag 26
Door: Ds. Jt. Janssen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Leeuwarden)
Gehouden te: Groningen-Zuid op 14 juni 1998
Groningen-West op 23 augustus 1998
Extra: Aandachtspunten voor het dankgebed

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Ps. 100
  2. (Ochtenddienst: Wet)
  3. (Ochtenddienst: Ps. 25: 2, 4)
  4. Lezen: Matteüs 28: 16-20; Handelingen 2: 37-40; Handelingen 22: 10-16
  5. Ps. 51: 3-5
  6. Tekst: Zondag 26
  7. Preek
  8. Gez. 28
  9. (Middagdienst: Geloofsbelijdenis)
  10. (Middagdienst: Ps. 102: 12-13 (na geloofsbelijdenis indien niet gezongen))
  11. Gez. 13: 2, 4

Gemeente van Christus,

In de ene gemeente komt een doop vaker voor dan in de andere. Soms wordt er zo regelmatig gedoopt, bijna wekelijks, dat je eraan gaan wennen en een beetje afgestompt raakt. In andere gemeenten is het echt feest als de doop wordt bediend. Gelukkig maken we het allemaal in ieder geval af en toe mee. En meestal gaat het om de doop van een kind.
Waar denkt u dan aan? Hoe belangrijk het voor zo'n kind is? Is in uw hart het gebed dat die jongen of dat meisje later ook zelf de Here zal belijden? Of denkt u er aan hoe mooi het is voor de ouders dat ze hun kind ten doop mogen houden? Gaan uw gedachten misschien terug naar het moment dat u er zelf stond? Wie weet is dat wel een heel pijnlijke herinnering omdat uw kind inmiddels niet meer bij de kerk hoort. Stijgt de bede op dat de HERE in zijn trouw omkeer zal geven? Je kunt aan zoveel denken. Niet alleen op dat moment, maar ook daarna.
Het is in ieder geval Gods bedoeling dat we óók -in of na de dienst- aan onze eigen doop denken. Als we voor de doop gaan bidden komt dat punt in het formulier even aan de orde. Het sacrament wordt bediend "tot versterking van ons geloof en tot opbouw van de gemeente" staat er. Die woorden gaan wel eens een beetje verloren in het geroezemoes van de gemeente, die weet dat we gaan bidden. Jammer, want er zit een kostbare gedachte achter. Dat wij meer zijn dan toeschouwers, ook meer dan betrokken toeschouwers. In de kerk ben je in wezen nooit toeschouwer, maar altijd deelnemer. Deelnemer aan de liturgie. Aangesproken en aangespoord. Dat is ook zo bij de doop. Daarin laat de HERE ons iets zien over Hem en ons. Er zit voor ons een boodschap in, net zo als wanneer in de kerk de bijbel opengaat en er gepreekt wordt. God spreekt ons aan op onze eigen doop.
Die is in ons leven erg belangrijk. Van Luther is ons overgeleverd dat hij vaak met aanvechtingen te kampen had. Het lijkt erop dat de satan het wel in het bijzonder op hem had gemunt. Zeker omdat hij zo belangrijk was voor het werk van de HERE. Hij worstelde met God en met de zwakheid van zijn geloof. Bekend is dat hij eens met grote letters op de muur schreef: ik ben gedoopt. Daarin vond hij blijkbaar houvast. Een aansporing om niet af te haken, de strijd niet op te geven, maar vast te houden aan de Here.
En dat is precies waar het bij de doop om gaat. Het is een geschenk van boven, een symbolische handeling, waarin de HERE eigenlijk alles wat Hij voor ons doet samenvat. En het is een stimulans voor ons om daadwerkelijk met God te leven. Omdat de doop ons er telkens aan herinnert dat wij bij Hem horen, aan Hem verbonden zijn.

Daar gaat deze preek over. Zo willen we vandaag over de doop nadenken en zien dat er twee kanten aan zitten. Het is een gave in de eerste plaats: we staan onder de zeggenschap van God. En omdat dat zo is komt er in de doop ook een opdracht voor ons mee. Om die te omschrijven kun je dezelfde woorden gebruiken: we staan onder de zeggenschap van God.

Dus:

We staan onder de zeggenschap van God

  1. Gave
  2. Opdracht

1. Eerst over die gave

Ik wil u iets vertellen over het dopen in de oude kerk. De kerk van de eerste eeuwen. Daar weten wij vaak niet zoveel van. Soms hebben we de indruk dat we uit die tijd ook weinig kunnen leren. Het wordt pas weer echt interessant bij de Reformatie. Maar dat is een misvatting. Je ziet in de geschiedenis van de kerk in de eerste eeuwen dingen, die je op grond van de bijbel moet afkeuren. Je stuit ook op zaken waar je verder mee komt, die aan het denken zetten. Zeker als het om sommige symbolen en rituelen gaat.
Ter zake, de doop in de oude kerk, daar zouden we het over hebben. In de doopruimte bij de kerk -er werd niet ín de kerk gedoopt-, het zogeheten baptisterium, stond het doopbassin. Groter dan ons doopvont. Men doopte de volwassenen door onderdompeling. En dan kun je niet met een klein bakje volstaan. Bij de bouw hield men rekening met het doel van het gebouw. Het was zo gemaakt dat je als dopeling vanaf de westkant naar dat doopbassin toeliep en als je na de doop wegging, liep je in oostelijke richting. Niet terug dus, maar verder: van west naar oost. In de oude kerk kende men het westen als symbool van de duisternis en het oosten gold als het tegenovergestelde. Het licht, het licht van God kwam uit het oosten.
Dus symbolisch kwam iemand bij de doop uit het rijk van de duivel en hij ging binnen in het koninkrijk van God en Christus. De doop markeerde die overgang. Mooie symboliek, want inderdaad: de doop zegt dat je overgegaan bent uit het machtsbereik van Gods vijand en voortaan bij de enig ware God hoort. Dat je onder zijn zeggenschap staat. De HERE heeft je bevrijd uit de greep van de boze, die je leven wil vernietigen.
De doop markeert de overgang. Duidelijk komt het naar voren in de eerste twee teksten die we lazen. Matteüs 28, daar zegt de Here Jezus dat zijn discipelen de wereld in moeten trekken. Ze moeten overal zijn boodschap verkondigen en mensen tot volgelingen van Hem maken. En ze moeten die nieuwe volgelingen dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Misschien horen wij daarin alleen maar een formule, of wellicht een bewijstekst voor Gods drieëenheid. Maar je moet je eens even rustig indenken wat die woorden betekenen in die tijd. Christus beveelt dat zijn nieuwe volgelingen gedoopt worden in de naam van de Vader en de Zoon en de Geest. In de naam van, dat wil zeggen dat die mensen voortaan bij deze God horen en onder zijn zeggenschap staan. Dat is werkelijk een overgang. Het gaat om mensen uit de volken. En dat betekent in de bijbel: mensen uit de heidense volken, uit de invloedssfeer van de satan, de overste van deze wereld. Zulke mensen worden doordat ze de boodschap geloven volgelingen van Jezus Christus en gaan door Hem horen bij de heilige God. Ze gaan van het ene kamp, dat van de satan, over naar het andere, het kamp van God die hen bevrijd heeft.
En dat is niet anders wanneer het om kinderen gaat.
[ Zondag 27 zal uitvoerig ingaan op de kinderdoop, maar laat ik er nu alvast van zeggen dat ]
Voor de betekenis van de doop maakt het niet uit of die aan een kind wordt bediend of aan een volwassene. Doop is doop: teken van de reiniging door God, teken dat Hij beslag op je leven legt, zijn naam aan die van jouw verbindt, teken van de bevrijding uit de macht van de duivel.
Handelingen 2 leert ons iets soortgelijks. Ons valt waarschijnlijk in de eerste plaats op dat Petrus niet zegt 'laat u dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest' maar: 'laat u dopen op de naam van Jezus Christus'. Gebruikten ze toen nog niet altijd de formule zoals wij die al eeuwen gebruiken, vraag je je dan af. Of is dat de verkeerde vraag bij deze tekst?
Inderdaad. Het gaat hier in Handelingen 2 niet om de precieze doopformule. Het gaat er om dat mensen, die tot nu toe Christus afwezen, Hem alsnog gaan erkennen. Petrus heeft hen aangesproken op hun verantwoordelijkheid. Zij hebben Jezus, de Heer en Heiland die God gaf verworpen. Gekruisigd. Nu roept hij hen op hun mening te herzien, zich te bekeren tot Jezus Christus. Laten ze bij de doop hun geloof in Hem belijden. Zo zullen zij onder zijn zeggenschap komen, volgeling van Hem worden en natuurlijk ook aan zijn Vader en zijn Geest verbonden worden. Alweer, die gedachte van overgang. Zoals de joden in meerderheid toen de Here Christus afwezen, schaarden ze zich achter de duivel en hoorden ze bij zijn rijk. Op het moment dat iemand zich daarvan bekeert en buigt voor Christus, gaat hij over naar diens koninkrijk. Niet voor niets vat Lucas de vermaningen van Petrus zo samen: laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. Uit het volk dat op dat moment in de macht van Gods vijand is.
Christus Jezus maakte onze overgang mogelijk. Door Hem, onze Heer, is de vrede met God hersteld. Door zijn offer, zijn bloed dat Hij geofferd heeft voor onze zonde. Dat bloed wast ons schoon van ons verleden, onze zonde, ook onze aangeboren zonde. Van alle vuil dat aan ons kleeft door satans macht. Die kracht en werkelijkheid van die reiniging worden onderstreept in de symbolische reiniging van de doop. Als Paulus in een terugblik en verantwoording over zijn doop vertelt, zegt hij dat Ananias bij hem kwam en zei: 'nu je in de Here Jezus gelooft, wat let je? Laat je dopen, laat je zonden afwassen.'
Hier -het was het derde stukje dat we lazen- ook weer die gedachte van overgang, maar nu toegespitst op de reiniging. Het bij de Here Christus behoren en voortaan onder zijn zeggenschap staan gaat samen met het achterlaten van de zonde. Die wordt weggewassen.
Groot geschenk van God: we horen niet meer bij de duivel. We zijn bevrijd uit zijn wurgende greep. Losgekocht uit het land waar alles vrijheid heet, terwijl er geen ergere slavernij bestaat! Gereinigde mensen zijn we, schoongewassen en bestemd voor een nieuw leven met God. Door zijn Zoon Christus Jezus.
En dát, wil de doop zeggen, is nou je zekerheid, je uitgangspunt. Je houvast in aanvechting. Denk aan Luther, die het op de muur schreef: ik ben gedoopt. Ik sta onder de zeggenschap van God, de duivel heeft z'n rechten verloren. Een gave.

2. En tegelijk een opdracht

Daarover gaan we het nu hebben. Ons doopformulier wijst op de beide kanten van de doop: 'omdat elk verbond twee delen heeft, namelijk een belofte en een eis, worden wij door God in de doop ook geroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid.' Daarmee is precies verwoord wat ik in dit tweede punt van de preek wil zeggen. De doop houdt ook een opdracht in. Het horen bij God verplicht ons tot een heilig leven. Leven in geloof, in liefde, in gehoorzaamheid. De HERE aanhangen, vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met al onze kracht, met wil, gevoel gedachten en daden.
Laten we proberen het wat concreter te maken. Met het formulier als uitgangspunt.
God belooft onze Vader te zijn. Voor ons te zorgen. Het kwade te weren uit ons leven - dat wil zeggen: Hij houdt het tegen. Of Hij laat het wel komen, maar zal het dan in zijn wonderlijke wijsheid ten goede gebruiken.
Wat doen we daarmee? Wat maakt dat bij ons los? Hoe staan we in het leven in dagen van geluk? Gaan we danken en aanbidden? Hoe verwerken we verdriet en pijn? Vervult die mooie belofte van God ons met vertrouwen? Willen we ons gelovig door zijn hand laten leiden? Ook als ons leven anders is dan wij hadden gedacht of gewild? Durven we het aan ons door God te laten leiden, of blijft de neiging om zelf het stuur van ons leven in handen te nemen? Vertrouwen of aarzeling? Wantrouwen misschien zelfs?!
God de Zoon, onze Heer Christus, zegt ons de vergeving van al onze zonden toe en het nieuwe leven door de kracht van zijn opstanding. Hij stelt ons gerust over onze zonden. Hij zegt dat we door zijn werk rechtvaardig voor God zijn. Maar dan ook alleen door zijn werk! Hij belooft ons bovendien een nieuwe heiligheid, waardoor onze aangeboren zonde verdwijnen zal.
Wat betekent die toezegging in ons leven? Hoe gaan we nu zelf met onze zonde om? Hoe ver gaan we in ons belijden? Leeft er verdriet in ons hart om al die dingen waarin we beneden de maat van het nieuwe leven blijven? In hoeverre vluchten we iedere dag met onze schuld naar de Here Jezus? Of is het gebed om vergeving meer een vanzelfsprekendheid, een makkelijk loopje? Willen we vechten om heilig te blijven? Rekening houden met onze zwakheid, uit de buurt van de zonde proberen te blijven?
God de Heilige Geest wil in ons wonen en werken. Dat is zijn belofte. Hij wil de band met God voor ons levende werkelijkheid laten zijn. Werken wij mee, of staan wij die beïnvloeding door de Geest tegen? Maken we ruimte, of is ons leven zo gevuld met van alles en nog wat dat de Geest ons nauwelijks kan beïnvloeden? Hoe zijn onze gebeden, waar draaien ze om? Hoe gebruiken we onze bijbel? Is wat God in ons leven bereiken wil een belangrijk punt of cirkelt alles om onze voorspoed en de vervulling van onze wensen?
U begrijpt, hoop ik, broeders en zusters, wat ik bedoel. De beloften die de Here geeft en die in de doop worden uitgebeeld en ons op het hart gebonden, mogen geen dood kapitaal zijn. Gods beloften vragen om een antwoord!
De eeuwen door is er met argusogen gekeken naar de kerk met haar pretenties. En zeker naar de kerk waar ook de kleine kinderen worden gedoopt. Het is allemaal zo gemakkelijk, zei men. En men zegt het soms ook van ons. Iedereen in de kerk is blijkbaar een kind van God. Je bent immers gedoopt! En het lijkt wel alsof ze geloven dat ze allemaal gemakkelijk de hemel bereiken.
Maar, zegt men, je moet toch ook merken dat iemand een christen is! En daar hebben ze gelijk in. De vraag is terecht: waar is het serieuze leven met de HERE? Dat hoort er toch bij als je kind van God bent? Dat hoort er toch bij als je onder de zeggenschap van Vader, Zoon en Geest staat? Inderdaad, dat hoort er bij en daar mag men ons vragen over stellen. Daarover moeten wij onszelf maar iedere keer weer vragen stellen: wie is de HERE voor mij? Wat betekent geloven in mijn leven? In hoeverre is de sleur binnengeslopen, in hoeverre prijs ik mijzelf in oppervlakkigheid gelukkig dat ik een kind van God ben en eeuwig leven mag?
Het is niet voor niets dat we de laatste jaren bijvoorbeeld meer met onze jongeren, die belijdenis doen, daarover doorpraten. Zeker, we willen dat ze thuis zijn in de bijbelse leer en het liefst ook nog wat dingen weten uit de geschiedenis van de kerk. Maar belangrijker is de achterliggende vraag in hoeverre ze echt met God leven. Of, wat de HERE meegegeven heeft in hun leven dankbaarheid losmaakt in hun hart en de bereidheid om hun leven aan God te wijden.
Misschien is het al lang geleden dat u belijdenis deed. Het kan best zijn dat ze u toen nooit hebben gevraagd: hoe sta je in je hart tegenover de HERE? Heb je Hem lief? Maar ga die vraag alstublieft niet uit de weg.
En laten we in deze tijd, waarin veel in beweging is, daarover doorpraten. We hebben, om overeind te blijven, die levende band met God zo vreselijk nodig. Als geloof alleen maar traditie is, een stuk opvoeding zal het deze tijd niet overleven. En we hebben die levende band met de Here ook nodig om samen kerk te zijn. Dat je dat van elkaar weet, dat je dat met elkaar deelt. Samen onder de zeggenschap van de ene Heer, niet meer in de macht van de duivel, maar overgegaan naar het leven, door Christus. Omdat God de Here ons in zijn genade heeft gezocht..
We staan onder de zeggenschap van de Here. Dat is een gave, die om een antwoord roept. Ik wil u één van de vragen voorleggen die bij de openbare belijdenis wordt gesteld. Sta me toe dat ik het in de jij-vorm doe: "Verklaar je, dat je van harte begeert God de Here lief te hebben en te dienen naar zijn Woord? Verklaar je te breken met de wereldse begeerten, je oude natuur te doden en godvrezend te leven?"
Wát zegt u? Wát is jouw antwoord? Of denkt u: daar heb ik in m'n hart al zo vaak 'ja' op gezegd. Ook toen ik belijdenis deed. Echt waar - God weet het - ik meende het eerlijk. Maar het valt iedere keer zo tegen. Of beter: 'het' valt niet tegen, ík val zo tegen. Ik maak m'n mooie woorden niet waar! En dát weet God ook. Soms durf ik haast niet meer 'ja' te zeggen op de vraag of ik God liefheb en Hem wil dienen.
Zullen we nu nog één keer terugkomen op wat voorop staat: de doop als gave. De zekerheid van Gods belofte. Je mag terug naar God, je mag terug naar Christus, je mag terugvallen op de beloofde kracht van de Heilige Geest. God de HERE wist dat wij tegen zouden vallen en daarom juist heeft Hij de grootheid van zijn liefde willen onderstrepen. Of je het op muur moet schrijven - bekijkt u dat zelf maar - maar laat het wel, juist in het verdriet om de zonde, uw houvast zijn: ik ben gedoopt.
En dit is het eind van de preek. Zeg nou niet dat de preek over de doop ging, maar dat we allemaal voor de vraag zijn gesteld: wat betekent mijn doop in mijn leven?

Amen.


Aandachtspunten voor dankgebed


Danken voor
    -wat in de preek wordt omschreven als overgang
    -de kracht van Gods werk in ons leven
Bidden dat
    -Gods vernieuwende werk nu ook blijken zal in ons persoonlijke en kerkelijk leven
    -ons christen-zijn echt iets van ons hart is (erg nodig in deze tijd)
Bidden voor
    -hen die geloven moeilijk vinden (aanvechting)
    -hen die wel gedoopt de HERE niet (meer) liefhebben (vergeet hun familie niet!)

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar