De hemel op aarde: wonen bij God

Thema: De hemel op aarde: wonen bij God
Tekst: Zondag 22 H.C.
Tekstgedeelte(n): Openbaring 21
Zondag 22 H.C.
Door: Ds. J.W. Roosenbrand (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Groningen-Oost)
Gehouden te: Groningen-Oost op 27 juni 1999
Opmerking RJCV: Preeklezers kunnen de eerste paragraaf van punt 2 De stad waar je thuiskomt aanpassen naar eigen situatie.
Extra: -Gebeden
-Preekbegeleider: De hemel op aarde: wonen bij God

Aanwijzingen voor de Liturgie


Gebed 1

Gebed om opening van het evangelie en opening van ons hart.
Steek het verlangen aan in ons hart naar U, de bron van levend water, ons eeuwig thuis. Als we dat nog helemaal niet kennen, bekeer ons dan, vul ons met verlangen naar het echte leven. Naar U. In Jezus' naam.

Amen.


Beste reisgenoten.

Zo wil ik u deze keer noemen, want we zijn samen onderweg, naar de eindbestemming: de hemel, de hemel op aarde.
En hoe zal het daar wezen?
We lezen in toeristische folders daarover, over een prachtige stad, met gouden straten en parken langs elke weg, geen kerken en kathedralen, die zul je er niet zien. Wel zal de zon altijd schijnen. Dag en nacht.
Het wil niet altijd lukken met de beelden die de bijbel geeft over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Ze slaan niet altijd aan. Tenminste, ik vind het niet makkelijk om me daar veel bij voor te stellen: straten van goud, een stad van duizenden kilometers in het vierkant, ook de lucht in even hoog als hij lang en breed is. Zwaaien met palmtakken voor de troon van God. En dan die zee, de zee zal er niet meer zijn. Jammer voor de strandliefhebbers.

Wat doen we nu? Laten we die beelden ongebruikt liggen, omdat ze ons niet zo aanspreken? Nee, laten we in deze preek eens proberen om een handvat te vinden, een manier om die beelden te ontraadselen. We moeten een beeld als beeld gebruiken, als voorbeeld, het gaat natuurlijk niet om informatie die hiermee verstrekt wordt, alsof de straten echt van goud zijn, alsof er werkelijk geen zeeën meer zijn, alsof het nieuwe Jeruzalem echt een kubusstad is. Een beeld is een wegwijzer. Die kant moet je op. Probeer je dat eens in te denken, zoiets. Het zal zijn, als... Ja, en in werkelijkheid zal het natuurlijk alle verwachtingen overtreffen. Het zal zijn wat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord en in geen hart is opgekomen. Het zal alle verachtingen overtreffen.
Maar dat is nog geen reden om dus maar geen verwachtingen te hebben. Om je er dus maar niks bij voor te stellen. Je moet je dingen voorstellen, fantaseren, noem het maar heilige fantasie, heilig dromen, mijmeren. Vat de beelden op als een hint in de richting. Juist beelden proberen onze zintuigen te prikkelen, ze roepen beelden op, geven vormen aan, laten geuren ruiken en geluiden horen.
Zing erover. Dat is ook een fijne manier om er zin in te krijgen, om dat begin van de eeuwige vreugde in ons nog eens te versterken. Want als we zingen, in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, dan worden we steeds meer vervuld met de Heilige Geest van God, en daardoor zullen we steeds meer gevoel krijgen voor wat de grootste verrassing zal zijn: dat God alles voor ons zal wezen, en voor alle mensen, en voor de complete maatschappij.

De hemel op aarde: wonen bij God

Ik neem twee beelden uit Openbaring 21:

  1. de zon die altijd schijnt
  2. de stad waar je thuis komt

en daarmee gaan we aan het werk.

1. De zon die altijd schijnt

We beginnen het ons in te beelden. De zon. 's Middags, in de tuin. Met een glas sinasappelsap of bier. In de zon. Een week hard gewerkt. Nog even in de stad geweest. En nu rust. In de zon. Heerlijk achterover. Voelt u de warmte van de zon. We stropen de mouwen op. En de broekspijpen. Ik weet het nog beter: we trekken onze zwemspullen aan. En we smeren ons lekker in met zonnebrandolie. Heerlijk. Midden in de zon, of lekker onder een parasol.
Maar wat gebeurt daar? De zon trekt weg, dikke wolken pakken samen. Pak je spullen bij elkaar. Nog even en het regent dat het giet.
Dat is de zon. Het schijnen van de zon, maar ook het missen van de zon.

We gaan terug naar de schepping. Er moet licht zijn, zei God. Het was hartstikke donker, maar toen werd het licht. God vindt donker niet goed. Daar is niet in te leven, daar is niet in te genieten. Er moet licht zijn. En op de vierde dag kwam er de zon, om het licht te dragen, te bedienen, door te geven, welk licht? Het licht van God voor zijn schepping. En zelfs 's nachts, mag er een beetje licht zijn: de maan en de sterren.
En weet u, dat licht van de zon is altijd al niks minder geweest dan een glimp van het hemelse licht van Gods eigen aanwezigheid. De heerlijkheid van God. Zijn hemelse glorie. Iets daarvan schijnt vanaf het begin op aarde.
En toen het donker werd op aarde, toen het donker werd in onze levens, toen er schuld kwam en duistere gevoelens, en donkere gedachten, en zwaarmoedige stemmingen, toen zei God opnieuw, nu door Christus en zijn Geest: er zij licht, en het ging schijnen in onze harten. Zijn licht verdrijft de duisternis. Elke duisternis.

Iets daarvan maak je nu dus al mee, dat is een begin van de hemelse vreugde, van het hemelse licht: het licht van God dat schijnt in de zon, schijnt door de Zoon van God ook in ons hart. En dat zet straks helemaal door. Er zal geen gewone zon meer zijn en geen maan, want de heerlijkheid van God en van Christus zullen ons verlichten, ons hele bestaan.
Denk even terug aan die middag in de zon. De warmte die je voelde op je huid. Het genieten. Zo dichtbij zul je God voelen. Zo rechtstreeks zal het contact met Hem zijn, het ondervinden van de warmte van zijn genegenheid. Zijn glans.
Als ik me dat indenk, en als ik nu weet hoe het vaak een geworstel is om die nabijheid van God te geloven en op te merken, en mee te maken, en hoe vaak er toch weer donkere wolken tussen God en mij inkomen, dan krijg ik er best zin in. Hoe dat precies nou écht met die zon zal zijn - of er geen fysieke zon meer zal zijn of wel - dat kan me niet zoveel meer schelen. God zal er zijn. In het licht van zijn aangezicht zal ik leven. Dat lijkt me heerlijk.

2. De stad waar je thuis komt

Denk je in. Je bent een paar dagen weggeweest. Voor je werk naar het [westen - … ] van het land geweest. Je hebt heerlijk uren in de file gestaan. Je hebt, ik weet niet hoe vaak, naar de weg moeten vragen. 's Avonds heb je je behoorlijk verveeld. Nu rijd je weer voorbij [Assen, Haren - …], en je ziet het gebouw van de [Gasunie in de zon stralen ]. Je komt weer thuis. [ Nee, er gaat niets boven Groningen. ] Je draait de [Ring - …] op. Hier weet je de weg, hier ga je feilloos de goede kant op. Hier woon je. Hier wonen de anderen ook. Je gezin. Je vrienden. Je collega's. Hier is je werk. Hier is je kerk, waar je inzet voor elkaar. Hier is het [stadion van FC Groningen - …]. Hier is het [AZG - …], waar je in goede handen bent als er wat met je gezondheid niet in orde blijkt te zijn. Hier ga je naar de supermarkt, waar je al jaren komt. Hier is het museum. Hier zijn de winkels, de terrasjes. De school van de kinderen. Je bent hier thuis. Hier woon je. Het is fijn om in [Groningen - …] te zijn.

De stad. Daar heeft God mensen voor gemaakt. Voor een stad. Hij legde zelf een prachtige tuin aan, het paradijs, maar de bedoeling was dat er een complete samenleving zou komen. Met alles erop en eraan. Hij maakte niet een mens en toen nog een, en toen nog een. Allemaal losse individuutjes. Nee, Hij maakte de mens, als paar. En Hij zei: maak er iets moois van. De wereld ligt aan je voeten. Ik heb nog veel voor je te doen. Kinderen krijgen, de samenleving vorm geven, zorgen voor het milieu, zorgen voor elkaar. Ga je gang. Je bent mijn beeld, speel maar God over de wereld, als mijn beeld en mijn gelijkenis. Op mijn manier.
En 's avonds kwam God bij de mensen op bezoek, om eens te zien hoever ze waren, om eens te overleggen hoe het verder moest. Een tuin, waar God en mens zich thuis konden voelen, als start voor een aarde vervuld met mensen die in hun doen en laten, in hun karakter en hun idealen en dromen, iets van God lieten zien.
Maar lang duurde dat niet. Het paradijs werd gesloten. Verboden toegang. Geen poort die toegang gaf tot de levensboom. En toen stonden de mensen daar. Onveilig en onwennig. En ze bouwden zich dorpen en steden, met muren eromheen. Om zich te beschermen. Om anderen buiten te sluiten. Om daar alles bij de hand te hebben. Om in een onveilige wereld, waar je het in je eentje niet redt, het samen te proberen.
De steden krijgen altijd iets dubbels. Want je hebt elkaar. Prima. Maar alle mensen zijn niet prima. En waar veel mensen bij elkaar zijn, kan ook veel kwaad binnen dringen. In de geconcentreerde macht kan ook veel hoogmoed schuilen. De hoogmoed van wetenschap, van ziekenhuizen, van cultuur. Waar veel mensen zijn, kan ook veel onrecht komen, het onrecht van samenlevingen waar zwakken niet meedoen, waar alleen geld telt, waar alleen wie sterk is mee mag doen, waar geen ruimte is voor vluchtelingen van elders, voor gehandicapten of oude mensen die hun tijd gehad hebben. Een stad is een samenleving, maar ook een harde samenleving, van veel mensen bij elkaar en toch ieder voor zich.

Maar kijk, ga staan op die hoge berg, dan zie wat God toch als ideaal heeft vastgehouden: een stad, een nieuw Jeruzalem neerdalend uit de hemel. Een andere samenleving. Een stad waar je alles hebt, waar alles tot ontwikkeling is gebracht. Waar plantsoenen langs elke straat zijn aangelegd, met rivieren die stromen vanuit het hart van de stad, waar God zelf woont, de troon van God en het Lam. Een stad, waar mensen thuis zijn, waar alles bij de hand is, waar God zich thuis voelt. Een rechtvaardige samenleving.
Maar hé, er is geen tempel. Er staat geen kerk. Geen tabernakel. Geen heiligdom. Nee, want heel de stad is heiligdom. In alle dingen die je doet, en wat doe je niet in de stad, je kunt er alles doen, het hele leven speelt zich er af: maar in alles is de Here aanwezig, zijn zon schijnt over de stad, zijn aanwezigheid is voelbaar in de gewone dingen van de dag. Het leven bloeit er. Het leven uit het paradijs. Aan alle straten bloeien levensbomen. Zou u daar niet willen wonen? In zo'n stad.

Is er in uw leven dat begin van de eeuwige vreugde, waar de catechismus het over heeft? Zou u niet graag gewoon in de stad waar u woont God willen tegen komen, op uw werk waar u zo'n 40 uur in de week doorbrengt, ook met God werkoverleg voeren, in uw huis zo maar een gesprek kunnen voeren met Jezus Christus.
De catechismus noemt als doel van alles: "om God daarin eeuwig te prijzen". Hoe stelt u zich dat voor? Soms denken we dat 't betekent dat je niks te doen hebt, alleen maar zingen voor God. Maar ik denk zelf eerder in een andere richting. We zullen in ons hele doen God de eer geven. We zullen in alle dingen God opmerken. We zullen meemaken wat de catechismus zegt bij de uitleg van het eerste stukje van het Onze Vader: uw naam worde geheiligd: we zullen dan God werkelijk kennen, Hem heiligen, roemen en prijzen in al zijn werken, waarin zijn almacht, zijn wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid zo glansrijk stralen. We zullen heel ons leven -onze gedachten, woorden en daden- erop richten dat om ons zijn naam ook door anderen nog meer geroemd en geprezen wordt.

Snapt u waar het heen gaat?
De hele wereld is altijd al bedoeld om een afspiegeling te zijn van Gods heerlijkheid. Daar is door onze zonde een geweldige kink in de kabel gekomen. Behalve Gods heerlijkheid, is er veel vuil en smerigheid. De zon kan verschroeien. Steden zijn vervuild en onveilig. Maar de dag komt dat de dingen weer glashelder, doorzichtig worden, doorzichtig tot op God.
Als nu de zon schijnt, kun je zingen over de glans van God, die licht geeft in het donker, die mensen het leven geeft, die geduld heeft met goede en slechte mensen en zijn zon laat opgaan, dag aan dag. In de zon zie je Gods eigenschappen, van zijn almacht, van zijn geduld, van zijn zorgzaamheid, zijn liefde.
Maar de dag komt dat we die eigenschappen nog veel duidelijker zullen zien, en verwoorden, dat het echt voor het oprapen ligt, de glorie van God.
Ik denk even aan die tempel die er niet is op de nieuwe aarde. Geen kerkdiensten meer dan. Ja, of anders gezegd, het hele leven wordt één grote kerkdienst, een lofdienst, een praise-dienst voor de Allerhoogste.
Ik bedoel met: het hele leven is één grote kerkdienst niet: we zitten eigenlijk altijd in de kerkbank dan, nee. Ik bedoel ermee: zelfs als je gewoon met weet-ik-wat bezig bent, je werk, je hobby, een gesprek, wat dan ook: maar God is er altijd in aanwezig. Het is nu soms zo dat we haast in twee werelden leven. Zondags ga je naar de kerk. Maandag niet. Dan zijn er andere dingen die je aandacht vragen. En het kan maar zo gebeuren dat God dan ook niet meegaat op maandag en dinsdag. Je leidt je eigen leven, tot je eigen schrik zomaar zonder God. Maar dat was nu net de bedoeling niet in het paradijs. Zo van:
    Je hebt de kerk en je hebt de gewone wereld.
    Je hebt het gebed en je hebt je gewone werk.
Maar God wil alles zijn in alles. En ik wil dat ook graag, dat ik in alle dingen en bezigheden en liefhebberijen en verrukkingen en plannen, dat ik daarin met God samen werk en samen ben. En dat is de hemel!
"En wel om God daarin eeuwig te loven". Dat is niet: er blijft alleen een geestelijk leven over, een geloofsleven en er is helemaal geen gewoon leven meer over. Nee, het is: in alle dingen kom ik God tegen en geniet ik van Hem en geniet Hij van mij. En van mijn bezigheden. Het gewone leven wordt niet weggedrukt door Gods aanwezigheid, maar op een hoger niveau gezet, het wordt bevorderd tot hoger heerlijkheid.

Kent u het begin daarvan al?
Ik sprak een tijdje geleden met iemand die van jongs-af (gereformeerd) vrijgemaakt was. Hij kwam niet meer naar de kerk, dat had hij niet nodig eigenlijk. Hij kon zo ook wel goed leven, en zijn naaste liefhebben. En bidden, dat deed hij eigenlijk ook alleen in uiterste nood. Maar hij was er wel zeker van dat hij naar de hemel ging, want hij was niet echt slecht.
Ik zei toen tegen hem: "voor mensen zoals jij is er geen klap aan in de hemel. Echt, je zult als je er al binnenkomt, je zult je er kotsmisselijk van worden."
Want de hemel, dat is niet: een soort luilekkerland waar het leven gewoon verdergaat, alleen nog leuker en relaxter en nog meer plezier, maar de hemel dat is God, in alle dingen. Je kunt niet meer om Hem heen. Als je de zon ziet schijnen en voelt op je huid, dan is dat Gods heerlijkheid. Als je op straat slentert, dan schijnt daar de glans van God. Als je je veilig voelt, dan is dat de omhelzing van God.

Hebt u dat begin van die eeuwige vreugde?
Laten we eens een 'zwangerschapstest 'doen. Augustinus, las ik ergens, zei ook zoiets tegen zijn studenten, als een test, en wilt u deze test nu ook met me afnemen. Een test of dat begin van die eeuwige vreugde in uw hart is.
Stel je voor, je komt bij God, en God zegt tegen je: 'Je wilt naar de hemel? Ik heb een beter idee. Ga daar maar naar binnen, daar is de ingang. Het is daar geweldig. Je zult daar alles krijgen wat je maar wilt. Je zult daar alles kunnen doen wat je leuk vind, je zult daar aantreffen iedereen die belangrijk voor je is. Alleen, sorry, maar Ik woon daar niet. Ik woon in de hemel, bij de mensen die van Mij houden, en van wie Ik hou. En dat heb Ik eigenlijk in jouw leven nooit gemerkt, dat je van me hield. Ga jij daar maar heen, je hebt daar alles, alleen Mij niet. Mij zul je daar niet tegenkomen. Enne, je mag er altijd blijven, in eeuwigheid, maar zonder Mij.'
Wat zou je denken? Ik bedoel niet dat het zo is, nee integendeel: het is de hemel of de hel, en de hel is een plaats waar je niets hebt, waar je verteerd wordt door verwijten en waar je jezelf de hele dag voor de kop slaat hoe je zo stom hebt kunnen zijn om hier in de dingen van de dag niks van God op te merken.
Nee, maar stel je gewoon eens voor dat God je die kans gaf, dat dat je toekomst mocht zijn. Denkt u: 'nou ja, geef mij die plek maar, ik teken daarvoor. Waarom niet?' Of zou u diep teleurgesteld zijn.

Als u niet diep teleurgesteld zou zijn, dan hebt u inderdaad dat begin van die eeuwige vreugde nog niet in uw hart. U bent niet 'zwanger'. En dan zou ik me meteen bekeren, voor het te laat is, dan zou ik nu God eindelijk eens gaan zoeken, werkelijk gaan zoeken, de omgang met Hem beoefenen, uw egoïsme toegeven, uw eigenwijsheid, dat u, gedoopt en wel misschien, nog nooit echt vanuit uw doop, die zorgzaamheid van uw hemelse Vader, die verbondenheid met Christus en die inwoning van de Heilige Geest, dat u daar nog niet eens echt naar verlangd hebt.
Maar als u (bij alle tekorten die er in uw leven zijn, bij alle verwijt wellicht, dat er bij uzelf nog niets te merken is van die eeuwige vreugde) maar als u bij u zelf denkt: o nee, dat zou ik niet willen, ik wil geen hemel en geen paradijs zonder Gods aanwezigheid, ik wil juist meer van Hem, ik dorst naar God, de levende God, om Hem mee te maken en zonder Hem wil ik de eeuwigheid niet in, dan hebt u het, het begin van de eeuwige vreugde. Prijs de Here! U bent 'zwanger'. Het begin is er. En reken er dan maar op in de naam van Jezus Christus, dat de werkelijkheid straks al uw verwachtingen zal overtreffen. Want het zal zijn wat in geen preek te beschrijven viel, wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen.

De zon die altijd schijnt, de stad waar je thuis komt. Bij God, Vader, Zoon en Heilige Geest.

Amen.


Gebed 2

Aanbidding van de grootheid van God. Zijn liefde, almacht, troost en nabijheid. Gebed om heiliging van uw naam, in alle dingen die we meemaken, denken en doen.
Schuldbelijdenis: we leven zo makkelijk in twee werelden, met U (een klein gedeelte) en zonder U (het grootste deel). Maar we willen dit niet langer, daarom verlangen we naar U.
In onze moeiten. We willen graag genezing, maar bevrijd ons van de obsessie dat alles om onze ziekte en genezing zou draaien. Het draait om U alleen.
In onze werkloosheid, kinderloosheid, al ons gemis. Maar we verlangen in al die dingen naar U. Wilt U erbij zijn. Altijd, in alle omstandigheden.

Het leven; dat is leven met U. Dwars door de dood heen. Wat een troost als mensen in Christus mogen sterven. Wat vreselijk als we bang zijn dat ze het zonder Christus moesten doormaken. Zegent u hen die met de macht van dood in aanraking kwamen, door sterfgevallen in de familiekring of van vrienden. Of anderen die pas en of binnenkort op de begraafplaats een familielid of vriend moeten begraven. Geef zicht op Christus, de overwinnaar van de dood. En op uw Geest die troost.
Laat uw koninkrijk komen. U alles in allen. Een rechtvaardige samenleving. Wereldwijd. Vrede waar geweld heerst, eenheid in plaats van verscheurdheid. Kosovo, Servië, enzovoort.
Geeft U eenheid aan onze kerken, samen onderweg naar de dag van alle dagen.
Zegen ons in onze liturgie, in de kerk, ook thuis, als gezin en samen, in groepen en alleen: de omgang met U. Als begin van het paradijs. Waar we U altijd zullen loven en prijzen.
Zegen muzikale mensen, creatieve mensen, om ons muziek en beelden te geven, waardoor we de werkelijkheid beter gaan bekijken, er meer in zien, Uw eigenschappen erin zien.
Geef ons het begin van de eeuwige vreugde in ons hart. En vervul ons verlangen, en versterk dit begin. En als we tot onze schrik merken, dat er helemaal niets van is bij ons, geef ons de moed om er met anderen over te beginnen en hen te vragen om geestelijke hulp. Zodat we op tijd er klaar voor zijn, voor uw dag.
In Jezus' naam.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar