God is tegenwoordig

Thema: God is tegenwoordig / De voorzienigheid van God als kracht in deze wereld
Tekst: Zondag 10 H.C.
Tekstgedeelte(n): Handelingen 17: 15-34
Zondag 10 H.C.
Door: Dr. W.G. de Vries († - destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle)
Gehouden te: Zwolle

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen:
Handelingen 17: 15-34
Tekst: Zondag 10 H.C.

Zingen:
Aanvangslied: Ps. 117
Na de Geloofsbelijdenis: Ps. 115: 6
Na de wet: Ps. 115: 6
Na de collecte: Ps. 92: 1-2, 5, 7-8
Na de preek: Ps. 93: 1-3
Slotzang: Gez. 31: 1-3

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

Dat God in deze wereld tegenwoordig is en doeltreffend werkt, is voor veel mensen een ongeloofwaardige zaak. Wanneer we alle ellende op aarde in kaart brengen en tegelijk moeten belijden dat God alle dingen regeert, komen velen in de moeite. Als God zijn hand in alle dingen heeft en als zijn handen goede handen zijn, dan komen er kwellende vragen.
Stuurt God met eigen hand kanker en aids? Veroorzaakt God auto- en vliegtuigongelukken? Laat Hij natuurrampen gebeuren en zendt Hij honger en overstromingen? Als een klein kind spelend onder een auto komt en vermorzeld wordt, moet je dan als predikant tegen de ouders zeggen: dat heeft God zo gewild?
Ik noem maar enkele voorbeelden, die schrijnend genoeg zijn. We staan hier voor vragen, waarvan we ons niet goedkoop kunnen afmaken. Dat blijkt wel uit de titel van het veel verkochte boek van H. S. Kushner 'Als het kwaad goede mensen treft'. Zijn conclusie is dat God aan al deze nare en verschrikkelijke gebeurtenissen part noch deel heeft. Hij kan er niets aan doen! Hij lijdt met de mensen mee en zou het graag allemaal anders zien gebeuren.
Laten we van deze problemen niet gering denken. Je moet wel een hart van steen hebben, wanneer je geen begrip voor deze brandende vragen hebt. De meeste mensen komen er op allerlei wijze mee in aanraking.
Is het dan niet beter, God buiten deze nare wereld te houden? Zo kunnen we voorkomen dat Hij de schuld van alles krijgt.
Maar dan wordt Hij wel gedegradeerd tot een machteloze toeschouwer. En dan komt meteen de vraag, of een machteloze God ons troosten kan. Regeert Hij dus niet alle dingen? En wordt Hij daarmee niet onttroond? Komt Hij zo niet op en zelfs onder het niveau van mensen te staan? Mensen nemen nog hun maatregelen om zoveel mogelijk de ellende in deze wereld te weren of te verzachten. Wellicht onder het goedkeurend oog van God. Maar Hij laat dan ook alles aan de mensen over en blijft zelf een verre toeschouwer.
Over deze ingrijpende zaken gaat het in Zondag 10.

Ik predik u:

De voorzienigheid van God als kracht in deze wereld

  1. Ze is een tegenwoordige kracht
  2. Ze is een regerende kracht

1. Ze is een tegenwoordige kracht

We belijden dat Gods kracht almachtig is en tegenwoordig in onze wereld. Zo heeft Paulus dat gepredikt, toen hij in Athene was. Hij was daar alleen. Hij wachtte op zijn metgezellen. Toen hij door de stad wandelde zag hij rondom zich de monumenten van heidense macht en schoonheid. Hij nam in zich op wat de heidense tempels aan pracht en schoonheid lieten zien. Hij, de eenling, moest zulk een wereld voor Christus veroveren.
Wat was zijn eerste reactie? Zijn geest werd in hem geprikkeld, toen hij zag dat de stad vol afgodsbeelden was. Hij trof zelfs een altaar voor een onbekende god aan. Heidenen waren namelijk doodsbang om ook maar één god tekort te doen. Dan zou zijn toorn hen immers treffen?
Nu, daarbij sluit Paulus aan, als hij op de Areopagus, waarvan we de resten nog kunnen zien, het woord neemt. Dan gaat hij wrikken aan de fundamenten van dit heidendom. Hij knoopt wel aan bij het altaar voor de onbekende god, maar stelt tegelijk tegenover deze onwetendheid de noodzaak van geloof in en bekering tot de levende God.
Hij verkondigt de mensen in Athene dè God - de enige - die de wereld heeft gemaakt en al wat daarin is. God heeft alle dingen geschapen (Handelingen 17: 24-25). Dat staat voorop. Daarom is Hij Heer over hemel en aarde. Dat volgt eruit. Steeds is Hij hier aanwezig. Daarom kan Hij niet in aardse tempels ingesloten worden. Hij vervult namelijk de hemel en de aarde. Hij hoeft ook niet door mensen verzorgd te worden. Hier wordt het woord therapeut gebruikt. God heeft geen therapie van de mensen nodig. Integendeel, Hij zelf is het die de mensen verzorgt. Want Hij geeft aan allen leven, adem en alle dingen.
Dat wordt met grote nadruk gezegd. Het leven van de mensen, de adem van de dieren, het bestaan van alle dingen is helemaal van Hem afkomstig. Niets op onze aarde bestaat uit en door zichzelf. Mensen, dieren en dingen leven en bestaan alleen dank zij God. Ze leven op de adem van zijn stem.
Hij houdt ons leven ook in stand als met zijn hand. Uit één enkele heeft Hij het hele menselijke geslacht gemaakt, zegt Paulus verder. Aan het begin van de miljarden mensen staat één mens: Adam.
Dat wordt vandaag door veel theologen ontkend. Ze zitten in de ban van de evolutieleer, die beweert dat in een oneindig lang proces van eeuwen het leven zich steeds hoger ontwikkeld heeft en dat er tenslotte een horde mensen is gekomen. Daarmee spreken ze de God van hemel en aarde rechtstreeks tegen. Hij spreekt over één enkele. Dat moesten de heidenen in Athene weten. En ze hebben het geweten, allen die uit het heidendom gekomen zijn tot Gods wonderbaar licht. Het is ook eeuwenlang in Europa beleden: we zijn voortgekomen uit de eerste mens, Adam, en we worden verlost door één mens: de tweede Adam, Jezus Christus. Maar vandaag valt de nacht over Europa. Want men zegt: het is niet waar.
Toen Paulus zijn rede op de Areopagus had beëindigd kwam er een spottende reactie. Die spot is er nog tegen allen, die zich aan deze openbaring van God willen houden. Wie gelooft nog dat we uit één mens zijn voortgekomen en dat we uit de dood zullen opstaan door die ene mens Christus? Biologen en geologen bestrijden dit ten stelligste. Dood is dood en we zijn allemaal het toevallig produkt van een miljarden jaren lange evolutie. Maar daarom is men ook God kwijt, de Schèpper van de hemel en de aarde. En daarmee is men ook zijn regering en leiding van alle dingen kwijt. Terwijl Paulus daaruit juist de conclusie trekt dat God alle mensen geschapen heeft om hen op de hele oppervlakte van de aarde te doen wonen.
Daar zit God achter, gemeente, dat de mensen zich over de hele aarde hebben verspreid. Hij heeft zelfs de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald. Dat hoort ook bij de voorzienigheid van God, dat Hij precies bepaald heeft, hoelang wij zullen leven en waar we op aarde zullen leven. Toen God alles schiep heeft Hij ook bepááld in wat voor tijd en onder welke omstandigheden u en ik en onze kinderen zouden leven. We zijn geen toevallig produkt van 'de natuur'. Dat wij in deze tijd leven, gaat terug op de regering en leiding van God. Ja, Hij heeft ook onze woonplaats bepaald. De grenzen tussen allerlei volken berusten niet op toevallige gebeurtenissen.
Natuurlijk, we kunnen in kaart brengen hòe bepaalde grenzen zijn ontstaan. Daarbij spelen allerlei menselijke factoren een rol, ook revoluties en andere omwentelingen. Maar dit neemt niet weg dat God het allemaal heeft bestuurd.
Zo heeft Hij bepaald dat de Romeinen over de grenzen van Israël zouden komen. Zijn Zoon zou voor een romeinse rechter komen te staan en zou een romeinse kruisdood sterven. Zo bepaalt God nog alle verschuivingen in de wereldgeschiedenis. Hij heeft ze zelfs in de handen van zijn Zoon gelegd, de Overste van de koningen der aarde. Hij heeft in alles zijn hand. En het doel daarvan is, dat wij God zullen zoeken! Daartoe dient zijn machtig scheppingswerk en zijn alles onderhoudende kracht. God is in de geschiedenis tegenwoordig. Hij is zo nabij dat de mensen Hem kunnen tasten en vinden. Dat is een heel sterk woord van Paulus. God heeft alle mensen uit Adam doen voortkomen, Hij heeft hun levenstijd bepaald, Hij heeft hun een woonplaats toegewezen. En het doel daarvan is dat zij Hem zoeken en vinden.
Onmogelijk, zeggen de mensen. Maar Hij is te tasten, zegt Paulus. Zo dichtbij is Hij gekomen, bij ieder van ons. Als miljoenen mensen zeggen: waar is God en wijs mij God! - zegt Paulus: Hij is toch niet ver van een ieder van ons? Je kunt Hem tasten en vinden!
Hier wordt hetzelfde woord voor tasten gebruikt, dat Christus gehanteerd heeft, toen Hij tegen zijn leerlingen zei: 'Betast Mij en ziet... (Lucas 24: 39). Om iemand te kunnen betasten moet hij vlak bij je zijn.
Nu, zo is de onzichtbare God vlak bij ons. Je kunt Hem tasten: zie maar naar de schepping en naar de geschiedenis. Daarin is Hij tegenwoordig. Calvijn zegt dat de mensen als het ware in een theater zijn geplaatst om aanschouwers te zijn van de werken van God. Voor onze ogen voltrekt zich Gods werk in de schepping en de geschiedenis. Maar miljoenen mensen houden dit licht van God in ongerechtigheid ten onder. En er zijn er zelfs die van een Godsverduistering spreken. Maar Gòd heeft zijn licht niet verduisterd! De mensen hebben zich van Gods licht in natuur en geschiedenis afgeschermd en afgewend.
Calvijn zegt: God heeft allerwegen zulke opvallende tekenen gewrocht, dat zij ook zdoor de blinden al tastende kunnen onderscheiden worden. En onze belijdenis sluit hierbij aan, wanneer ze zegt: 'Want zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren' (Artikel 5 Nederlandse Geloofsbelijdenis - NGB).
Maar ons verstand en onze wil zijn zo door de zonde aangetast dat niemand van zichzelf God wil zoeken. Daarom komt Paulus juist met de prediking van Christus. Hij noemt het 'de ene mens' door Wie God de aardbodem rechtvaardig zal oordelen. Er is namelijk niemand die zich tegenover God verontschuldigen kan. Wat er van God te kènnen valt is sinds de schepping van de wereld openbaar (Romeinen 1: 19-20).
Nu is er in het hart van ieder mens de zucht om iets te vereren. Vandaag loopt men te hoop voor de sterren van de popmuziek en van het voetbalveld. Voor de meeste mensen is de hemel leeg geworden. Daarom zoekt met de voorwerpen van verering op de aarde. Men maakt de aarde en haar volheid los van haar Schepper.
Maar de verheven God is zo dicht bij ons allen gekomen, dat Paulus kan zeggen; In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Ons hele bestaan, de beweging van onze spieren en ons lichaam, onze ademhaling, ja ons hele bestaan getuigt van God. Ook alle levenloze dingen worden door Hem in stand gehouden. We raken dagelijks aan de zomen van zijn gewaad, we ademen elke seconde in zijn sfeer. We leven op de adem van zijn stem. Gods kracht is tegenwoordig.
Paulus bereikt een hoogtepunt, als hij er aan toevoegt: Want wij zijn van Gods geslacht. Hij citeert daarbij een heidense dichter. Niet omdat hij eensgeestes met hem is, maar juist om het heidendom los te wrikken van z'n afvallig geloof.
De heidenen leren dat er verwantschap is tussen de goden en de mensen.
De mensen zouden een goddelijke vonk in zich hebben. In hun scheppend vernuft en in hun schoonheidsstreven zouden de mensen eigenlijk goddelijk zijn. Ik ben een god in 't diepst van mijn gedachten, heeft een dichter gezegd.
Maar Paulus keert de zaak precies om! Juist omdat de mens een schepsel van God is en niet God, is hij van Gods geslacht. Dat wijst op zijn afkomst en oorsprong: geschapen naar Gods beeld. Maar een beeld valt niet samen met wie hij afbeeldt. Het blijft er ver onder! Paulus bedoelt hier op de afhankelijkheid van ieder mens te wijzen. Adam wordt de zoon van God genoemd (Lucas 3: 38). Maar hij is dat juist al de eerste mens, die door God geschapen is. Vandaar dat Paulus meteen deze conclusie trekt: we moeten niet menen dat God gelijk is aan goud of steen, door menselijke kunstvaardigheid bewerkt. Juist omdat we schepselen van God zijn mogen we geen afgoderij met de dingen plegen.
Niet met wat mensenhanden hebben gemaakt of mensenhersenen hebben bedacht. Afgoderij betekent immers de dingen en het denken losmaken van God. En dat gebeurt vandaag op grote schaal.
Wie zijn gedachten en gevoelens, zijn studie en wetenschap, zijn sport en ontspanning losmaakt van God, negeert dat wij schepselen van God zijn en blijven. Dan lopen we vast in de wereld, in de geschiedenis, in het volkerenleven, ja waarin niet? Dan lopen we in en met alles vast!
Nu zijn er veel raadselen op aarde. Onrecht en geweld, oorlogen en natuurrampen. Radio en Tv confronteren ons ermee op een wijze als nooit te voren. Wie vindt een weg in deze wirwar van soms de vreselijkste gebeurtenissen? We moeten intussen niet zeggen dat het vroeger anders was en dat men toen nog wel in God kon geloven, die alle dingen bestuurt. Dan zouden we ons zwaar vergissen.
Calvijn schrijft al over zijn eigen tijd: 'Wanneer wij zien dat er op aarde omwentelingen plaatsvinden, wanneer rijken ondergaan, de wereld verandert, steden verwoest worden, volkeren worden verdelgd, beelden wij ons dwaselijk in, dat het noodlot of de fortuin over deze dingen heerschappij voert. Maar God betuigt te dezer plaatse door de mond van Paulus dat van te voren in zijn Raad bepaald was, hoelang elk volk zou bestaan, en binnen welke grenzen zij zouden wonen'.
Wie dit niet gelooft leeft in schuldige onwetendheid. Dat geldt van je eigen leven en van het leven om je heen. En aan die onwetendheid wil God juist een einde maken. Hij doet dat door de prediking van zijn Zoon, die in Johannes 15: 15 zegt dat Hij ons alles heeft bekend gemaakt dat Hij van God gehoord en gezien heeft. Méér krijgen we over God en zijn regering van deze wereld niet te horen dan wat zijn eigen Zoon ons heeft verteld.
De Grieken hadden een indrukwekkende cultuur. In wetenschap en kunst stonden ze hun mannetje. We nemen er nog kennis van. Maar hoe typeert Paulus deze cultuur? Als 'tijden van onwetendheid'. Daaraan wil God een halt toeroepen. Dat geldt ook van de huidige cultuur en techniek.
Zeker, we zijn ver gevorderd. Wie had vroeger aan vlucht naar en een landen op de maan kunnen denken? Wat wist men van computers? Van ingenieuze uitvindingen, van supersonische vliegtuigen? Toch is ook onze tijd een tijd van onwetendheid, wanneer men God uit het leven heeft verbannen.
De meeste mensen weten God niet meer nabij. Men gelooft niet dat ons denken en doen, onze machtigste prestaties, er één tastbaar bewijs van zijn dat we door God geschapen zijn, nog wel naar zijn beeld. Dat is een schuldige onwetendheid. En in die onwetendheid gaat men Hem tegemoet, die ene mens, door wie God de wereld rechtvaardig zal oordelen. Daarvan heeft God het bewijs geleverd, zegt Paulus, door Hem uit de doden op te wekken. Zo centraal staat de opstanding van Christus. Centraal voor alle mensen en voor de hele wereldgeschiedenis. Daarom moeten allen overal tot bekering komen. Dat zei Paulus als eenling in het machtige Athene. Dat hield hij vol tegenover een schare van wijsgeren, die hem bespotten. Dat moeten wij vandaag volhouden tegenover een overweldigende cultuurwereld met de meest verrassende uitvindingen. Dat wij maar schepselen zijn, afhankelijke mensen. Dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, ziekte en gezondheid, ja alle dingen niet bij toeval, maar uit Gods vaderhand ons ten deel vallen. We zij immers Gods eigen schepselen, van zijn geslacht, van Hem afkomstig.
Dat is de inhoud van ons geloof. Omdat we door Gods eigen Zoon in genade zijn aangenomen. Hij verlicht onze ogen en harten. Zodat we God, die alles beweegt en doet leven, weer kennen in het aangezicht van Jezus Christus. Hij heeft gezegd: Mijn Vader werkt tot nu toe (Johannes 5: 17). Zo tastbaar is God als Vader nabij. Om ons heen is zijn werk. We leven in zijn wereld, we ademen door zijn kracht, we weten ons geborgen in zijn macht.

2. Ze is een regerende kracht

Waarom is het voor ons zo belangrijk dat wij weten dat God alle geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid alles in stand houdt? Het antwoord kan kort zijn: Dat we ons geborgen weten! Dat achter alle dingen zijn vaderlijke wil staat. Dat moet overal en altijd gezegd worden, opdat allen die het horen tot bekering komen.
Dan zijn we in tegenspoed geduldig, want wij leren door het geloof zelfs roemen in de verdrukking. Dan verstaan we het sterke woord van Jakobus: 'Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt' (1: 2-3).
Dat zeggen we niet zomaar. Enkel vreugde? Het kan ons zo neerslachtig maken. Goede moed houden kan alleen, wanneer we achter allerlei beproevingen Gods vaderhand zien, die ons niet uit zijn hand laat vallen. Ook als zijn hand tegenspoed zendt. Zelfs bij gebeurtenissen die een mens stil van ontzetting maken, blijven Gods kinderen belijden: Ik doe mijn mond niet open, want Gij hebt het gedaan (Psalm 39: 10). Wie niet gelooft en belijdt, dat God als Vader machtig tegenwoordig is, gaat mopperen en schelden. Er wordt wat gemopperd in onze wereld. Veel mensen zijn in tegenspoed bepaald niet geduldig. Want zij kennen de vaderlijke wil van onze goede God niet. Maar Paulus zegt: 'Dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u' (1 Tessalonicenzen 5: 18).
God danken onder alles. Dat is Gods wil voor de gemeente van Christus. Die opdracht komt naar ons toe. Niet alleen bij voorspoed zeggen: Dank u Here. Maar ook bij tegenspoed. Dat lijkt onmenselijk moeilijk. Wanneer we niet geloven dat God alle dingen doet meewerken ten goede, naar zijn verlossingswil, komt zulk een belijdenis niet uit onze mond, en zeker niet uit ons hart. De belijdenis dat geen schepsel ons van Gods liefde kan scheiden is alleen mogelijk, wanneer we erkennen dat alle schepselen in zijn hand zijn. Mensen en dieren, natuurkrachten en hemellichamen. Tegen zijn wil kan niets en niemand zich roeren of bewegen. Tegen zijn wil kan geen ziekte ons treffen.
Van de man, die blind geboren werd, zegt Christus dat dit gebeurd is, opdat de werken van God in hem openbaar zullen worden (Johannes 9: 3).
En ìs dat niet gebeurd, de eeuwen door? Dat de werken van God openbaar werden op ziekbedden, in ziekenhuizen, bij leed en mismaaktheid. Zo, dat allen die er mee in aanraking kwamen stil werden van de kracht die in zwakheid openbaar werd? De kracht van God.
Behoren ze niet tot de kostbaarste ervaringen in een mensenleven? De uren dat men getuige was van de kracht en de moed van het geloof bij zieken en gehandicapten? Glansde in mensenogen niet de kracht en blijdschap van God op, tot op het sterfbed toe? Tot beschaming en bemoediging van het die het zagen? Dat zijn toch de zichtbare en tastbare werken van God! Hier op aarde, in concrete mensenlevens. Want zijn kracht wordt in zwakheid volbracht.
Daarom kan de kerk roemen in verdrukkingen. Dwars tegen het natuurlijk levensgevoel in. In het leven van afzonderlijke mensen. Maar ook in het leven van de kerk. Dat is de eeuwen door openbaar geworden. Het heeft geklonken van mensenlippen en uit mensenlevens: In God is al mijn heil en eer, mijn sterke Rots is God, de Heer, mijn schuilplaats is Hij in het lijden (Psalm 62). Dat kan niemand ongedaan maken. Dit spoor van Gods kracht valt uit de geschiedenis niet meer weg te wissen.
Daarom gaan geduld en dankbaarheid hand in hand. Onder alles God danken, houdt ook in: bij voorspoed dankbaar zijn. Niet hoogmoedig, laatdunkend en praalziek optreden. Christus waarschuwt niet voor niets tegen het gevaar van de welvaart. Hij zegt: 'Zie toe, dat uw harten niet bezwaard worden door dronkenschap of de zorg voor levensonderhoud' (Lucas 21: 34). Daardoor komt er een last op je leven liggen, waardoor het centrum van ons leven, ons hart, niet meer mobiel is voor God. Dan gaat de overmaat aan levensgenot of de zorg voor levensonderhoud alles overheersen.
In onze verbruikerswereld ligt het accent sterk op wat er te veroveren en te genieten valt. Een overmaat van goederen en mogelijkheden wordt ons aangeboden. We kunnen daardoor zo geobsedeerd worden dat wij niet meer in beweging komen voor onze Heer en God. Calvijn heeft eens over rijkdom gezegd: Deze kan ons zo bezig houden dat we te zwaar beladen het Koninkrijk van God niet binnen kunnen gaan.
Het is vaak moeilijker in voorspoed dankbaar te zijn dan in tegenspoed geduldig. We zien het om ons heen. Een welvarend land, maar hoeveel ontevreden mensen. De welvaart verlamt de geestelijke weerstand. De spankracht van het geloof verdwijnt. Dankbaarheid is een bloempje dat in weinig tuinen bloeit! Het wemelt van klachten, protesten, demonstraties en stakingen. Ieder vecht voor zijn eigen recht en zijn eigen welvaart. Zie toe, zegt Christus, dat het centrum van uw leven, de spil waarom alles draait, niet vastroest in de welvaart.
In Deuteronomium 32: 15 lezen we: 'Toen Jeschurun vet werd, sloeg hij achteruit en hij verwierp God, die hem gemaakt had, hij minachtte de Rots van zijn heil'. Jeschurun - zo werd Israël genoemd met een naam die zinspeelt op 'rechtschapen-zijn'. Die naam duidt de erepositie aan van Gods eigen volk. Een zeer begenadigd volk. Maar Mozes moet klagen: Vet werd ge, dik en vetgemest. Dat duidt de voorspoed in Kanaän aan. Zet daartegenover eens de uitgemergelde mensen in het huidige Ruanda! Gods kinderen hadden een welvarend leven. Maar toen gingen ze de Here vergeten. Toch had Mozes nadrukkelijk gezegd: 'Gij zult eten en verzadigd worden en de Here, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf' (Deuteronomium 8: 10). Maar het ging goed fout met Israël.
En wij? We mogen eten en drinken en verzadigd worden. De supermarkten liggen vol. We hebben allerlei audio- en video-apparatuur in onze huizen staan. Voor asielzoekers is ons land een el-dorado. Maar prijzen we nog massaal de Here?
De kerken stromen leeg en de secularisatie neemt toe. Laten we toezien. Israël sloeg achteruit als een vette os, die te lam werd om te lopen. Laten wij toch niet traag worden in de dienst van de Here. Laten we niet in onze gemakkelijke stoelen neerzakken en voor God niet meer in de benen willen komen.
Geldt vandaag al niet, dat het zo weinigen zijn, die zich inzetten voor de kerk en het koninkrijk van God? Overal klinken klachten dat er haast geen ambtsdragers meer te vinden zijn. Hoe vaak wordt er niet een vergeefs beroep gedaan op vrijwilligers die zich willen inzetten voor zoveel taken in het christelijk leven?
Zeker, massa's mensen om ons heen zijn absoluut ontoegankelijk voor de dienst van God. Ze mopperen bij tegenspoed en ze lanterfanten bij voorspoed. Ze kennen de God van hemel en aarde niet meer als Vader in Christus. De leegheid en onbeduidendheid van hun leven grijnst ons aan.
Maar hoe staat het er met ons, gereformeerde mensen, voor? Belijden en beleven we nog: 'Onze God is in de hemel, Hij doet wat Hem behaagt' (Psalm 115: 3)? Geeft ons dat vertrouwen voor de toekomst? Kennen wij nog het vertrouwen dat niets buiten zijn wil gebeurt? Hij die niet ver van ons is, is tegelijk de almachtige Vader die Heer is van hemel en aarde. Zij actie-radius is niet beperkt. Hij is door tijd noch eeuwigheid te meten. Hij is onmetelijk in macht en liefde. Hij zegt: 'Ben Ik een God van nabij en niet een God van verre?' (Jesaja 23: 23).
Dat betekent dat onze God geen lokale God is. Hij is niet de baas over een stukje van de wereld, maar over heel de wereld. Hij zegt: 'Zou iemand zich in schuilhoeken kunnen verschuilen, dat Ik hem niet zou zien? Vervul Ik niet de hemel en de aarde?' (Jeremia 23: 24) Niets en niemand ontsnapt aan zijn aandacht. Niemand weerstaat zijn wil. Wat een sterke achtergrond krijgt zo ons wankele leven. Niets en niemand kan zich indringen tussen God en ons, geen mens en geen macht.
Daarin, en daarin alleen, vindt ons hart rust. Ook bij zoveel vragen en kwellende problemen. Ons hart vindt geen rust dan in de belijdenis van de machtige en aanwezige Vader. Door zijn Zoon, onze Here Jezus Christus.

Rust, mijn ziel, uw God is Koning,
Heel de wereld zijn gebied.
Alles wisselt op zijn wenken,
Maar Hij zelf verandert niet.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar