De God van alle vertroosting schenkt ons de enige troost in leven en sterven

Thema: De God van alle vertroosting schenkt ons de enige troost in leven en sterven
Tekst: Zondag 1
Tekstgedeelte(n): 2 Korintiërs 1: 1-11
Zondag 1
Door: Dr. W.G. de Vries († - destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle)
Gehouden te: Zwolle

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen:
2 Korintiërs 1: 1-11
Tekst: Zondag 1

Zingen:
Aanvangslied: Ps. 121: 1-2
Na geloofsbelijdenis: Ps. 121: 3-4
Na de wet: Ps. 119: 19
Na de collecte: Ps. 34: 1-2, 7, 8
Na de preek: Ps. 73: 9-10
Slotzang: Gez. 26b: 3-4

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

In 2 Korintiërs 1: 4 looft Paulus de God van alle vertroosting, die ons troost in al onze druk. Met als doel dat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmee wijzelf door God vertroost worden, zegt de apostel. Hij wordt zelf door God getroost om anderen te kunnen troosten.
Een levende illustratie daarvan vinden we in dit leerboek van de kerk, de Heidelbergse Catechismus. Zij die deze Catechismus hebben geschreven leefden in een tijd van druk en benauwdheid. Het was een tijd, waarin de kerk vervolgd werd, een tijd van bloed en tranen. Meer dan ooit hadden de christenen troost nodig. Want zij leefden in de schaduw van het schavot en zagen de rosse vlammen van brandstapels.
Maar zij kènden die troost, die van de God van alle vertroosting uitgaat.
Daarom startten zij de Catechismus met de vraag: wat is uw enige troost in leven en sterven?
En terwijl zij zelf troost ontvingen van de God van alle vertroosting, werden ze ook rijp gemaakt om anderen te troosten. Want door dit boekje -de Heidelbergse Catechismus - hebben zij anderen getroost, die na hen kwamen en soms eeuwen later leefden.
Bepaalde omstandigheden zijn veranderd. Brandstapels en schavotten zijn verdwenen. Maar leed en verdriet zijn niet verdwenen. En ook vandaag zijn er christenen die door vreemde en fanatieke godsdiensten vervolgd worden en van huis en haard verdreven. En dan zwijg ik nog maar over de miljoenen vluchtelingen en de asielzoekers. Het wereldleed komt vandaag onze huiskamers binnen.
Paulus spreekt over allerlei druk. De wereld is vol van verdrukking en geweld. En de Catechismus springt daar midden in met zijn persoonlijke vraag: wat is in dit alles ùw enige troost. En dan komt hij niet met menselijke gedachten aandragen, maar met goddelijke gedachten, niet met menselijke, maar met goddelijke troost. Want hij spreekt naar het Woord van God.

Ik predik u:

De God van alle vertroosting schenkt ons in Christus de enige troost in leven en sterven

  1. Deze troost gaat uit van God de Vader
  2. Deze troost wordt werkelijkheid door God de Zoon
  3. Deze troost wordt ons deel door God de Heilige Geest

1. Deze troost gaat uit van God de Vader

De Catechismus plaatst alle 52 Zondagen in het kader van de enige troost. Deze eerste Zondag is eigenlijk een inleiding en ook de korte inhoud van wat in de volgende Zondagen verder wordt uitgelegd.
En dan gaat het er niet om dat wij mensen in het middelpunt worden geplaatst. Nee, centraal staat, hoe God zich heeft bekend gemaakt. Gods eer komt immers daarin uit, dat mensen op aarde Hem leren kennen als een heerlijk God. De eeuwig rijke God! En Hij heeft zich bekend gemaakt als de Vertrooster van zijn volk. 'Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreek tot het hart van Jeruzalem' (Jesaja 40: 1-2). De Here doet een greep naar ons hart, naar ons binnenste. We geven God dus de eer, wanneer we belijden: Hij is onze troost. Dus wordt niet de mens hier in het middelpunt geplaatst, maar de God van alle vertroosting! Het is immers Gods eer dat Hij mensen troost en redt.
De bijbel is daar vol van. Het geldt van alle afzonderlijke gelovigen: 'Al ga ik door een dal van diepe duisternis, Uw stok en Uw staf vertroosten mij' (Psalm 23). God is niet een verre en vreemde macht, voor Wie je op je hoede moet zijn. Het is ook niet zo, als sommigen zeggen, dat de God van het Oude Testament alleen maar een God van wraak en oordeel is. 'Ik, Ik ben het, die u troost' zegt God in Jesaja 52: 12. Met grote nadruk staat dit voorop: Ik, Ik ben het, die u troost. Dat doet de Here zo graag. 'Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen' (Jesaja 40: 11). Hoe teer en beschermend komt God naar ons toe.
En al is Hij God de Vader, Hij gebruikt meteen het beeld van de moeder. Zoals iemand door zijn moeder getroost wordt, zo zal Ik u troosten, zegt God (Jesaja 66: 13). De sterke en geduchte God gaat met zijn kinderen om als een moeder, die haar kindje troost! God grijpt naar de rijkste beelden om ons duidelijk te maken, wat het betekent dat Hij de Vertrooster van zijn volk is.
Maar Hij blijft niet bij de enkele mens staan. Meteen zegt God: in Jeruzalem zult gij getroost worden. Bij deze troost komt dus de kerk centraal te staan. Al in het Oude Testament, maar zeker ook in het Nieuwe Testament. De kerk zelf wordt voorgesteld als een moeder, die haar kinderen voedt en troost. Daarom kon Calvijn zeggen: wie de kerk niet als moeder heeft, heeft God niet als Vader. Dat was geen kerkisme, maar het was voluit de leer van de bijbel in rekening brengen.
We leren daardoor dat getroost worden niet een zaak is van een mens alleen. Troost, zeggen heel veel mensen, is een persoonlijke zaak, een zaak van een eenzame ziel. Nee, zegt God, troost is een zaak van de gemeenschap van de kerk. Daar wordt de rust, daar wordt de troost geschonken. God brengt als Vader zijn troost naar ons toe, door 'moeder de kerk'. Als u dus troost en bemoediging zoekt, moet u niet op uw eentje blijven en in een eenzaam hoekje wegkruipen. Nee, dan moet u in de gemeenschap van de kerk zijn. Iemand die de kerk voorbij loopt, die denkt de kerk wel te kunnen missen, raakt ook de enige troost in leven en sterven kwijt. Maar dan zal de kerk natuurlijk ook een echte moeder moeten zijn, die de mensen voedt met het brood des levens, het rijke Woord van God. Wanneer een kerk aan dit Woord tekort doet, is zij geen moeder meer en wordt een ramp voor de gelovigen. Dat is vandaag het troosteloze van alle schriftkritiek. Geen wonder dat dan de kerken leeg lopen. Want ze bieden geen troost en houvast meer aan hunkerende zielen. Waarin bestaat dan deze troost? Je ogen sluiten voor de misère van het leven en alleen maar je vermaak vinden in 'soap-programma's'? Dat is eigenlijk struisvogelpolitiek. De leer van: schep vreugde in het leven en zet de zorgen aan de kant. Maar zo werkt dit niet. Wie kan dat werkelijk? Op allerlei wijze, bewust of onbewust, dringen zorgen en problemen zich toch weer aan ons op.
Echte troost betekent niet dat je nooit aan verdriet en moeite wilt denken. Echte troost plaatst juist tegenover allerlei levensmoeiten de beloften van God.
Want troost is maar niet een onbewust gevoel: hé, wat voel ik me goed. Nee, troosten betekent dat je bewust met iets bezig bent, met iets dat van boven naar je toekomt, van de God van alle troost. Het betekent: Gods beloften kennen, aangrijpen als je enig houvast. Maar daarom is troost meteen ook een zaak van de gemeenschap van de kerk. Hoe vaak roept de bijbel ons niet op: vertroost elkaar met deze woorden. Geen menselijke woorden, maar de gouden woorden van God. Blij zijn met de blijden en bedroefd met de bedroefden. Een hand op je schouder, een blik in je oog. Daarom hebben we de kerk als gemeenschap der heiligen zo nodig. Daar alleen kunnen we elkaar tot een hand en een voet zijn. We hebben niet voor niets van Christus geleerd, God als onze Vader aan te spreken. Hij zoekt maar niet wat losse mensen, Hij zoekt zijn volk.
Dat zien we zo prachtig bij Abraham, de vader van alle gelovigen. Wat een immens verdriet bedreigde hem. Hij moest zijn zoon, zijn enige zoon, die hij liefhad, gaan offeren. Maar hij troostte zich tegelijk met Gods belofte, dat God machtig was Izak uit de dood terug te geven. Want de Here had hem toch beloofd, dat uit Izak een groot volk zou voortkomen. De kerk zou uit hem voortkomen, het beloofde nageslacht (Hebreeën 11: 18). In zijn verdriet als vader troostte hij zich als kerklid met Gods belofte!
Let u er wel op, dat dit al gebeurde vóór God zei dat hij zijn hand niet aan de jongen mocht slaan. Hij was al getroost, toen hij nog in het dieptepunt van de beproeving zat. Dàt is troost, gemeente. God troost ons niet door allerlei moeiten en nare feiten weg te nemen. Niet pas, wanneer alle moeiten zijn verdwenen. Nee, zegt Paulus, hij troost ons in onze druk. Terwijl de omstandigheden triest zijn, troost God ons door ons zijn beloften op het hart te binden. Hij troost ons door zijn Woord en Geest als de Vader van alle genade.
De mensen zeggen: wat we niet zien, geloven we niet. En de Marxisten smaalden dat godsdienst opium van de ziel is, een zoethoudertje dat toch niet helpt. Maar de gelovige is getroost alleen al door het Woord van God. Dat geeft ons vertroosting, geest en leven. 'Dit is mijn troost in mijn ellende, dat uw belofte mij levend maakt' (Psalm 119: 50). 'Als ik aan Uw verordeningen denk, o Here, dan ben ik getroost' (vers 52).
Dat is de enige troost in leven en sterven. Voor de gelovigen in het Oude Testament èn in het Nieuwe Testament. Daarvoor gebruikte God in het Oude Testament de profeten, die zijn woorden van troost moesten doorgeven. Ja, Hij zendt straks de Knecht des Heren, van wie in Jesaja 61: 2 staat, dat God Hem gezonden heeft om alle treurenden te troosten.

2. Deze troost wordt werkelijkheid door God de Zoon

Daarmee zijn we tot ons tweede punt gekomen: Deze troost wordt werkelijkheid door God de Zoon. Hij komt immers op aarde als de vertroosting van Israël. Zo verwachtte Simeon hem en velen met hem, als de vertroosting Israëls. En als Jezus het boek Jesaja voorleest in de synagoge te Nazaret citeert hij Jesaja 61, waarin het gaat om het verbinden van de gebrokenen van hart, om het troosten van allen die treuren.
Vandaar dat Paulus aan de gemeente te Rome kan schrijven: 'Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren' (Romeinen 14: 7-8).
Niemand van ons, zegt Paulus, leeft of sterft voor zichzelf. Want in leven en sterven zijn wij vàn de Here, zijn wettig eigendom.
Dat zet een heel bijzonder stempel op ons leven. We leven tussen andere mensen. We werken met andere mensen. Aan de buitenkant lijkt alles gelijk.
Maar Christus zegt: die man en die vrouw, die jongen en dat meisje zijn mijn particulier eigendom. Helemaal, van binnen en van buiten, met ziel en lichaam. Is dat niet een rijke troost? Ik ben niet een naamloos nummer in een grauwe massa. Als ik op het spitsuur in de eindeloze rijen fietsers naar mijn school, kantoor of werkplaats rijd, dan rijd ik daar als het particuliere eigendom van Jezus Christus. Want niemand van ons leeft voor zichzelf. En als ik eenmaal op mijn sterfbed lig, en andere mensen om me heen staan, die niet meer kunnen helpen, dan lig ik daar als het kostbaar eigendom van Jezus Christus. En zoals Hij me in het leven niet losliet, zo houdt Hij mij ook in het sterven vast. Hij heeft immers de kostbare prijs van zijn leven voor mij gegeven. En daarom ben ik waardevol. Nee, niet in mezelf. Maar omdat de prijs, die voor mij betaald is, zo uitermate hoog is. We zijn immers gekocht met het kostbare bloed van Jezus Christus (1 Petrus 1: 18).
Als wij veel voor iets betaald hebben, zijn we er extra zuinig op. En dan gaat het om vergankelijke dingen. Maar voor ons is de duurste prijs betaald: het bloed van de Zoon van God. Hij gaf zijn leven voor ons en daarom gaan we Hem aan het hart.
Dat is het geluk van ons leven, gemeente. Nee, we verdrinken niet in de mensenzee. Want de Here kent de zijnen! Dat Christus ons zo de moeitewaard vindt, is om stil van te worden. Want wat zijn we kleine, vaak egoïstische mensen, die nog zoveel verkeerde dingen doen en het zelf zo vaak verknoeien. Wat worden we op een bijzondere plaats gezet: het persoonlijk eigendom van de Zoon van God! Meteen losgekocht uit de meest wanhopige situatie, die zich denken laat: uit de heerschappij van de duivel. Want door zijn sterven heeft Christus de duivel, die de macht over de dood had, onttroond en allen bevrijd die door angst voor de dood tot slavernij waren gedoemd (Hebreeën 2: 14-15).
De duivel hanteert de dood als een geweldmiddel, waarmee hij de mensen hun leven lang angst aanjaagt. Want welke angst is groter dan voor de sluipende of plotseling toeslaande dood? Daarom proberen veel mensen de gedachte daaraan weg te drukken. Men durft zich er niet mee confronteren. Velen werpen zich daarom maar in de roes van het leven. Want denken maakt zo bang. En toch, op de achtergrond is er steeds de wanhoop: wie kan ooit de dood ontlopen? Satan heeft dáárom het geweld van de dood in handen, omdat hij tot zonde brengt. Daar leeft hij voor. En het loon op de zonde is juist de dood. Maar Christus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken (1 Johannes 3: 8). Om ons uit zijn slavernij te verlossen. Want wie de zonde doet, daarvan zijn levenspraktijk maakt, is een slaaf van de zonde (Johannes 8: 34). En een slaaf blijft niet eeuwig in het huis. Alleen wie kind van God is, door het geloof, mag eeuwig bij Hem wonen. Wanneer Gods eigen Zoon ons heeft vrijgemaakt, zullen we werkelijk vrij zijn. En dat komt Christus ons verkondigen: Ik heb de werken van de duivel verbroken, ik heb de kettingen van de zonde kapot gemaakt.
Dat is niet allereerst een zaak, die u bij uzelf constateert, want we blijven zondaren zolang we leven. Maar het is wat Christus als Overwinnaar proclameert. Hij heeft ons van de zonde bevrijd. Met die belofte komt Hij naar ons toe. Ik moet Hem daarin op zijn woord geloven. Ook al lig ik nog midden in de dood, in Christus ben ik bevrijd. Dat gaat aan alle geloofservaring vooraf. De leiding van mijn leven ligt niet meer in boze handen, maar in Christus' handen. Dat en dat alleen is onze enige troost.
Ik kan me voorstellen dat iemand zegt: maar er is toch nog veel moois in het leven. De liefde tussen man en vrouw, de hartelijkheid tussen ouders en kinderen. Al zijn er veel gebroken huwelijken en ontwrichte gezinnen, er is toch ook nog veel goeds, waarop we in het jachtige leven kunnen terugvallen. Maar Christus zegt: 'Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn' (Lucas 14: 26). Is dat niet een ontzettend woord? Nu betekent 'haten' hier zoiets als prijsgeven, laten schieten. Maar dan nog! Wat bedoelt onze Heer hier? Wel, dat elke band van liefde die niet geworteld is in Jezus Christus, het niet houdt en door hem veroordeeld wordt. Buiten Christus om kan er wel gevoelstroost zijn, maar dat is niet de unieke troost die hier bedoeld is.
Wij mensen zoeken het vaak overal. De een troost zich met een goede gezondheid, de ander met zijn werk, een derde met zijn schranderheid en gewiekstheid. Och, waarmee kan een mens zich vaak niet troosten en bemoedigen. Maar al dit soort troostgronden werkt verdovend. Men zoekt dan de troost in het leven zelf, maar niet in de Levensvorst. En dat wordt een schrale troost. Want niemand kan het leven vasthouden, als hij het niet zoekt buiten zichzelf in Jezus Christus, leven van ons leven. Hij is het immers die ons bij de doop beloofd heeft dat Hij ons wast in zijn bloed. Hij zegt ook, dat niemand ons uit zijn hand kan rukken. Is dat geen troost? We zijn geen speelbal op de golven van de geschiedenis, geen pluisjes voor de wind. We mogen leven uit dat machtige woord: Van wat de Vader Mij gegeven heeft, gaat niets verloren! (Johannes 6: 39). Niets! Dat is de enige vastheid in ons leven. Heel veel dingen zijn onzeker. Gezondheid, positie, bezit en toekomst. Hoe meer iemand heeft, des temeer heeft hij te verliezen. Wat we hebben is vaak een angstig bezit. Maar we zijn voor Christus niet een angstig bezit. Er gaat niemand verloren van hen die God aan Hem gegeven heeft.
Mogen we hier in de kerk dat zomaar zeggen: niemand van ons gaat verloren? Natuurlijk niet, want het is geen automatisme. Maar als u op Gods belofte vertrouwt en u met uw hele hebben en houden aan Jezus Christus toevertrouwt, dan mag u dit zeggen. Wie op Hem vertrouwt zal nooit beschaamd uitkomen. Want deze troost wordt ons deel door de Heilige Geest.

3. Deze troost wordt ons deel door God de Heilige Geest

Dat is het derde waarop we willen letten. Christus verzekert ons immers van het eeuwige leven door zijn Heilige Geest. God heeft zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand gegeven (2 Korintiërs 1: 21).
We zijn immers gedoopt ook in de naam van de Heilige Geest. Hij verzekert ons dat Hij in ons wonen wil en ons toeëigent wat we in Christus hebben.
Nu kan iemand zich iets onrechtmatig toeëigenen. Iets pakken wat niet van en voor hem is. Maar God heeft ons in de doop beloofd dat wij van onze zonden gewassen en erfgenamen van het eeuwige leven zijn. Dat is echt voor ons en onze kinderen bestemd. En Gods Geest wil ons dat echt tot een wettig en onvervreemdbaar eigendom maken. Dat behoort ook tot de enige troost!
Wat is dat rijk. Wat zouden we er slecht voorstaan, wanneer Christus ons wel de erfenis komt aanreiken, maar het aan ons zelf zou overlaten die te aanvaarden. Zo ligt het gelukkig niet. Het gaat als bij iemand, die een rijk geschenk aan een arme tobber geeft. De man durft zijn handen er haast niet naar uit te strekken. Maar nu pakt de gever zijn handen en legt het kostbaar geschenk daarin. Zo pakt Gods Geest ons vast en houdt mijn zwakke handen met kracht omvat. Hij voert ons, tegenspartelende, twijfelende, onzekere mensen naar deze vaste troost in leven en sterven. En Hij doet dit door zijn machtig instrument: het evangelie. Hij is het ook, die mij bereid maakt voor Christus te leven. En Hij doet dit juist door mij aan mezelf te ontdekken. Daardoor geeft hij mij een gelukkig leven.
Dat lijkt wel even anders, wanneer we over dit gelukkig leven horen dat het onder meer hierin bestaat dat een mens ontdekt, hoe groot zijn zonden en ellende zijn. Is dat niet een wonderlijke troost? Hoe troosten wij mensen elkaar vaak? Door niet teveel aan akelige dingen te denken en ons op vrolijker zaken te richten. Maar in het klimaat van Gods Geest gebeurt dat anders. Hij neemt alles uit Christus en brengt het naar ons toe. En dat begint bij de kennis van onze ellende. Voor allemaal. Voor vlotte jongens en meisjes, voor deftige mensen en boeren en burgers. Want die ellende-kennis hoort bij het geschenk van God!
Deze ellende constateer en signaleer ik niet in wat ik zie en meemaak. Er zijn wel mensen die zuchten: wat is het leven toch ellendig. En dan kijken ze om zich heen of ze zien het voor te tv. Die ellende is niet bedoeld.
Ik denk aan de gemeente van Laodicea. Een rijke en welvarende gemeente. Ze voelde zich rijk en verrijkt. Maar wat zegt Christus? U beseft niet dat u ellendig en arm bent (Openbaring 3: 17). En Hij roept ze op bij Hem goud en witte klederen te halen. We mogen hier wel denken aan het goud van het geloof en de witte klederen, die de reiniging door Christus' bloed aangeven. Hun ellende was dat ze hun rijkdom in zichzelf zochten en niet buiten zichzelf in het werk van Christus. Met andere woorden dat ze het geschenk van Christus niet nodig hadden.
Daarom kan over dit soort ellende nooit gesproken worden, los van de verlossing. De Catechismus bedoelt ook niet drie perioden aan te geven, die na elkaar komen in tijd. Nee, het gaat samen op! Wie de rijkdom in Christus ziet en zoekt, weet meteen hoe ellendig en arm hij in zichzelf is. Luther heeft dat eens zo getypeerd: We zijn slechts bedelaars. Hij bedoelde daarmee: in onszelf zijn we arme zondaren en hebben geen enkel bezit. We kunnen bij God alleen maar 'lege briefje' inbrengen.
Het gaat er ook niet om dat ik 'mijn ellende' ken, maar 'hoe groot' mijn zonden en ellende zijn. Dat ontdek ik pas bij het kruis van Christus. Dat laat ons immers zien, hoe hoog God onze zonden opneemt. Liever dan ze ongestraft te laten, heeft Hij zijn eigen Zoon daarvoor de hel ingejaagd. Echte ellendekennis, gemeente, wordt gevoed door de kennis van de verlossing in Christus. Daarom heeft ze ook niets met pessimisme of zo te maken.
Er wordt wel gesuggereerd dat deze leer de mensen moedeloos zou maken en depressies zou veroorzaken. Maar niets is minder waar! Er wordt immers gevraagd: Wat moet u, dat is de gelovige, weten om gelukkig door deze troost te leven en te sterven. Het gaat hier over ons geluk. Het zijn gelukkige mensen, die hun ellende kennen. Want door het werk van Christus zien we, uit welke grote nood en dood ze zijn verlost. Ze spreken vanuit de verlossing over de zonde. Niet om goedkoop over hun zonden heen te huppelen - daarvoor heeft Christus veel te veel moeten lijden - maar wel om met een zucht van verlichting en van dankbaarheid uit te roepen: Daarvan heeft Christus ons genadig verlost.
Vandaar dat Paulus in één adem kan uitroepen: Ik ellendig mens! en: Gode zij dank, door Jezus Christus onze Here! (Romeinen 7: 24-25). Kijk, dat zijn nu Gods heilsgeheimen, waarin de Heilige Geest ons leidt.
Ellende-kennis, verlossings-kennis en dankbaarheid gaan dan ook hand in hand. Ze zijn een drievoudig snoer dat niet verbroken kan worden. We moeten inderdaad weten, hoe groot onze zonden en ellende zijn. Want wie zijn ellende verkleint, verkleint ook de verlossing. En zijn dankbaarheid wordt minder.
Wat heeft onze verlossing veel gekost: het kostbaar bloed van Christus. Wat moet onze ellende dus groot zijn, dat dit nodig was. Pas een gelovige weet echt hoe groot zijn zonden en ellende zijn. Dat leert hij aan de voet van het kruis. Ik deed door al mijn zonden Hem al die jammeren aan. Maar wat wordt onze dankbaarheid dan ook groot.
Laten we erop letten dat de catechismus zegt: hoe ik God voor zo'n verlossing dankbaar moet zijn. Dankbaarheid is dus meer dan een opwelling of een stemming. Maar net zo min als ik zelf mijn ellende kon ontdekken en zelf de verlossing kon vinden, kan ik zelf uitdenken wat dankbaarheid is. Dat moet God mij leren door zijn Heilige Geest. Een dankbaar mens grijpt dus naar het Woord, het zwaard van de Geest. Daarin zegt Paulus: Stelt u leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God als mensen, die dood zijn geweest - de ellende! -, maar thans leven - de verlossing! -, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God - dankbaarheid! (Romeinen 6: 13).
Hier hebt u alles bij elkaar. Eerst gebruikten we onze ledematen, alle delen van ons lichaam, in dienst van de zonde. Onze ogen keken naar verkeerde dingen, onze handen deden verkeerde daden, onze gedachten koesterden verkeerde begeerten. Maar nu Christus ons verlost heeft uit dat verkeerde leven, mogen we onze ledematen in dienst stellen van de gerechtigheid, een leven dat voor God kan bestaan. Ze worden wapens genoemd. Er moet dus gestreden worden. Waarmee? Met onze ledematen. Dankbaarheid vraagt dus ons hele leven. Mijn ogen en mijn oren, mijn handen en mijn voeten, mijn gedachten en gevoelens. 'Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam' (1 Korintiërs 6: 20).
Neem mijn leven, laat het, Heer, toegewijd zijn aan uw eer!

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar