Israël niet te vergeten...... (Deel 3)

Thema: Israël niet te vergeten... / God geeft ons door Paulus inzicht in zijn heilsplan
Tekst: Romeinen 11: 11-36
Tekstgedeelte(n): Romeinen 11: 11-24
Romeinen 11: 25-36
Door: Ds. J. Hagg (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle-Zuid)
Gehouden te: Zwolle-Zuid op 28 januari 1995
Opmerking RJCV: Kan in principe afzonderlijk van de andere delen gelezen worden.
De prekenserie bestaat uit: Rom09 (deel 1), Rom10-11 (deel 2), Rom11b (deel 3).

Aanwijzingen voor de Liturgie

1. Ps. 67: 1-2 [ Een lied van Israël als 'licht van de Here' om de volken tot zijn heil te brengen ]
2. Ps. 105: 5, 21 [ God blijft trouw aan zijn verbond: Hij bewijst genade, opdat de zijnen Hem dankbaarheid bewijzen. ]
3. Lezen: Romeinen 11: 11-24
4. Ps. 87: 3-4 [ De volken ingelijfd bij Israël ]
5. Lezen: Romeinen 11: 25-36
6. Ps.147: 7 [ Lofverheffing ]
7. Ps.106: 22
8. Gez. 31: 1-3 [ Een lied dat Gods soevereine gang door zijn heilsgeschiedenis bezingt. ]

Wist u dat maar weinig heeft gescheeld of ds. Oldenhuis [ Predikant Helpman ] had vloeiend hebreeuws kunnen spreken? Nee, ik bedoel niet het hebreeuws waar aaanstaande predikanten in Kampen les in krijgen, maar het verwante moderne hebreeuws, het ivriet. U moet weten dat in de jaren '60, vòòr Assen koos voor Brazilië als zendingsgebied, heel serieus is nagegaan of Israël niet een goede mogelijkheid was. Helaas ketste het af toen nader onderzoek uitwees dat men er geen vaste voet aan de grond kon krijgen. En nog steeds lijkt er daar, in het joodse moederland zelf, nog niet echt een open deur voor het Evangelie. We moeten dòòr blijven bidden voor een open deur! Want men houdt het Evangelie nog steeds op afstand. Bang de eigen identiteit te verliezen wellicht. Dus werd het geen ivriet voor ds. Oldenhuis, maar portugees. Maar wie weet zijn er in de loop van het zendingswerk in Brazilië wel portugees-sprekende joden die daar wonen in aanraking gekomen met het Evangelie... Jaloers-gemaakt, getroffen, bekeerd, gedoopt, ingeënt in de kerk-boom-van-alle-tijden. Of is het beter te zeggen: 'opnìeuw' ingevoegd? De hemel zou zich verheugen. En als ik Paulus goed lees: dúbbel verheugen, want gaat het hier niet om een 'dubbel' wonder? Dààr hoopte Paulus nu altijd op tijdens zijn apostolaat onder de heidenen. Dat via hun gretigheid in het aanvaarden van het heil in Jezus, de Christus, zijn volksgenoten tot bezinning zouden komen. Hij hoopt er niet maar op. Het is beleìd geworden bij hem. Gebédsbeleid: Hij bidt er voortdurend voor(10: 1). En arbeidsbeleid: hij ploetert erop (11: 13-14) er aan te mogen meewerken dat tenminste enigen uit hen behouden zullen worden. Hoe komt hij daar zo bij? Zijn dat privé-sentimenten van Paulus? Is hij daar eenling in en mag dat gerust zo blijven? Nee: Paulus baseert zijn beleid op het inzicht dat hij heeft mogen krijgen in het beleid van de HERE! En dat inzicht wil hij met ons delen in hoofdstuk 11. Laat dat dan ook onze volle aandacht hebben:

God geeft ons door Paulus inzicht in zijn heilsplan

  1. De verhouding 'nieuwtestamentische kerk' - 'zich verhardend Israël' is een verhouding met perspektief (verzen 13-15 en 25-32)
  2. Het heilsplan geïllustreerd in een beeld dat aan het denken wil zetten (verzen 16-24) en afgesloten met een lofprijzing die navolging verdient (verzen 33-36).

1. Is Israël voor Gods aangezicht na Pinksteren één van de vele volken geworden?

Op één lijn met Filistijnen, Tyriërs en Nederlanders? Of houdt het een bijzondere plaats voor God - en daarmee voor ons? Een bijzondere plaats in Gods heilsgeschiedenis, ook nu nog, ja! Er is voldoende Schriftbewijs aan te dragen om dat te staven.

We zagen al, in 9: 4-5, dat Paulus daar niet in de verleden tijd spreekt, alsof het een afgedane zaak is met Israël. Daar staat de aktuele situatie opgetekend: '...zij zìjn Israëlieten, húnner ìs de aanneming tot zonen enz., voor hén zìjn de beloften, Abraham, Izaak en Jakob zijn en blijven hún vaderen, en (hoe je 't ook wendt of keert) uit hén is, wat het vlees betreft, de Christus! Blijvend bijzonder dus: met blijvende voorrechten. Al schept dat zo z'n eigen verantwoordelijkheid, zagen we. In 11: 29 komt deze gedachte trouwens terug: 'de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk': ze behouden hun geldigheid.
Daarbij komt: God begint met Pinksteren niet kompleet opnieuw.
Ondanks alles wat Paulus in de praktijk aan ellende van zijn volksgenoten ervaart, weet hij dat God geen definitieve streep door dat volk haalt en kompleet opnieuw begint. Ondanks zijn natuurlijke aanleg voor fanatisme mag en wil Paulus geen revolutionair zijn ('Weg met Israël!'), maar juist reformator ('Israël, kom terug!'). Waarom: omdat Gòd zo is! Onze God maakt àf waar zijn Hand ooit aan begon. Hij begint niet opnieuw te bouwen. Gods Geest bouwt verder waar Hij gebleven was. Naar een vast bestek, met goddelijke wijsheid bepaald: Christus' kerk. Niet vanaf het jaar 30 of zo, nee: van paradijs tot Nieuw Jeruzalem. Die naamgeving alleen al: Nieuw Jerúzalem! Daar zullen òòk joden wonen. En dat niet in de zin van 'niet verdiend, maar vooruit dan maar, ook nog een paar joden', alsof dat van onze goeigheid af zou hangen. Gods genadebewijs is kompleet anders van struktuur: Hij zorgt ervoor dat (11: 25-26) naast 'het volle getal uit de heidenen' ook 'het volle getal uit Israël' via de Koninklijke Weg bij het koninklijk paleis van Koning Christus uitkomt! Twéé groepen dus eigenlijk...

Op een bijzondere manier komt het tot dat 'volle getal uit Israël'.
Paulus zegt: 'gans Israël'. Wij zouden zeggen: 'kompleet Israël', zoals een puzzel kompleet is als het laatste stukje is ingepast. Het totaal-beeld is mooi. Af. En dat naast die àndere puzzel: een lappendeken van volken en talen en natiën. We dachten nog: 'wat moet dat worden...!' en wat hebben we soms gezucht. Maar dàn is het zuchten voorbij. En we zien de resultaten: Gods kunstwerken. Je mag ook zeggen: Gods gúnstwerken (hoofdstuk 10). Want is het niet allemaal genade: voor elk enkel mens evenveel genade. Als Jezus Christus er toch niet was, die ervoor zorgt dat God ons die genade bewijst!

En wat is nu het héél bijzondere van Gods heilsplan, wat is het geheim dat Paulus wil onthullen (vers 25)? Dat de totstandkoming van dat éne kunstwerk van God alles te maken heeft met de totstandkoming van dat àndere kunstwerk van God. Dat is nog een aparte gunst: dat het ene kunstwerk N.B. zelf wordt ingeschakeld bij het totstandkomen van het andere. En andersom ook! Dat is nu Gods wijsheid. Zo uniek. Dat bedenkt geen mens.

Paulus legt het uit hoe Israëls behoud en ons behoud alles met elkaar te maken hebben (verzen 11-15 en 25-32). Om te beginnen wil Paulus onderstrepen dat God niet uit is op Israëls val, maar op Israëls behoud. En indirekt gebruìkt Hij het feit dat Israël struikelde over de Rots Christus uiteindelijk nog tot hun heil ook. Zoals Paulus achteraf blij was dat God hem verblindde: toen leerde hij pas inzien hoe blind hij al die tijd geweest was. En zoals in ieder mensenleven wel dingen zijn aan te wijzen, die we eerst taxeren als 'tegenslagen', maar die later zullen blijken te zijn 'dingen die dienen moeten tot ons heil' (Zondag 1, 10).
Vers 11 moeten we dan ook zò begrijpen: 'zij hebben zich toch niet gestoten (aan die Rots) met de (Gods) bedoeling dat zij zouden vallen (om nooit weer op te staan)? Absoluut niet! Hun misstap (door eigen schuld) gebruikte God als instrument om zijn heil tot de heidenen te brengen. Die bekeerde heidenen werden op hun beurt gebruikt als instrument om harten in verhard Israël zacht te maken: 'jaloers' op de zegeningen die heidenen nu ondervonden; zegeningen die zij juist node misten. Ze moesten komen tot 'Dàt willen wìj óók!'
Wat een geheimzinnige weg die God gebruikt om zonen van Israël weer thuis te lokken!

Een haast perfekte illustratie van Gods werkwijze zien we in Handelingen 18. Paulus in Korinte. Een vijfpersoonskerkje: Aquilla en Priscilla uit Rome, Silas en Timoteus zijn de andere vier. Vol vuur preekt hij full-time: 'Jezus is de Christus!' In de synagoge. Maar die stoot zich eraan. Verzet zich. Lastert Christus. Ten slotte schudt hij demonstratief z'n kleren uit, zegt waarschuwend 'uw bloed zij op uw hoofd, ik ben er rein van' (met andere woorden: 'als dit u uw leven kost is dat uw eigen schuld!') en kondigt aan:'Voortaan zal ik mij tot de heidenen wenden!' Zal het ze jaloers maken? Paulus is benieuwd. En moet je meemaken: uìtgerekend pal naast de synagoge woont een proselyt, een 'sympatisant van de synagoge' zeg maar, een vereerder van God. Oorspronkelijk was hij heiden, geen jood-van-den-bloede. En laat hìj nu het zesde lid van de kerk van Korinte worden. Titius Justus. En dan... Worden er al jaloers? Kijk daar hebben we Crispus, de overste van de synagoge, die daar vlakbij woont: hij wordt christen, met z'n hele gezin. En dan volgen er meer! 'En vele van de Korintiërs die hem hoorden geloofden en lieten zich dopen.' Is het niet geweldig. De nieuwe overste van de synagoge, Sostenes, werd trouwens ook al christen (1 Korintiërs 1: 1, Hoofdstuk 18: 17). In de synagoge was het haat en nijd, zegen ontbrak. In de christengemeente werd Gods zegen nu juist rijk ervaren. Als je bedenkt dat Paulus de Romeinenbrief geschreven heeft tijdens zijn langdurig verblijf in Korinte, snap je dat hij de methode van God om mensen tot zijn heil te brengen aan den lijve heeft ondervonden.

Terug naar vers 12, waar Paulus nader toelicht wat hij in 11 bedoelt.
Ik vertaal dat zo: 'Betekent hun failliet rijkdom voor de wereld, hun leegheid (hun 'ontbreken van het heil') rijkdom voor de heidenen, hoeveel temeer hun volheid (als ze het heil eenmaal hebben aangenomen). Onbekeerde joden mogen al veel voor het heil van de wereld betekenen, bekeerde nog des te meer! Zo is God bezig: heilzoekend. Uit op behoud van de wereld (Johannes 3: 16, Ezechiël 33: 11) en tegelijk op behoud van zijn Israël.

In de lijn van Gods methode wil Paulus bezig zijn: verzen 13-14
Voortdurend kijkt hij bij zijn werk onder de heidenen over zijn schouder naar de synagoge. Om daaruit enigen te mogen behouden. Paulus denkt niet in massa's. Hij is geen teller, maar een weger: 'Wat schitterend is het als die éne tot bekering mag komen!' Een tekst voor zendelingen: heb altijd oog voor misschien maar dat handjevol joden die je daar op je zendingsveld ontmoet. Een tekst net zo goed voor ons. En er zìjn er tot geloof gekomen, ondergedoken in oorlogstijd bij daadwerkelijk christelijke gezinnen, waar de liefde van Christus tastbaar was. Er komen er nòg tot geloof. Zie ze niet over het hoofd. Trouwens ook in z'n algemeenheid is en blijft het waar in het evangelisatiewerk: het gaat niet om de massa, niet om de enorme opzet van projekten. Dat is te gemakkelijk. Het gaat om die éne. Zie je die nog wel? Dat ene kontakt dat je hebt. Die ene die iets van je is gaan verwachten. Die ene die je hulp nodig heeft. Dat ene echtpaar. Dat ene gezin. En dan trouw zijn. Denk aan Paulus: het behoud van énkele volksgenoten - dat zou toch de kroon zijn op heel zijn levenswerk..... Denk aan wat hij eerder zei: een rest, een zaad blijft over...(9: 27-29) enkelen. En denk eraan dat we samen Gods kunstwerken mogen vormen: burgers van een Nieuwe Aarde.

In vers 15 weer dezelfde gedachte: door hen te verwerpen en hen (na hun bekering) weer aan te nemen bereikt God positieve doelen: zijn heil bereikt zijn mensen in de volkerenwereld (leven voor de wereld) én tenslotte ook: leven voor hen die ten diepste 'dood' waren! Denk aan de verloren zoon 'hij was dood, maar nu is hij levend geworden' (Lucas 15)
Als je goed kijkt wordt Gods plan in verzen 28-32 in deze zelfde lijn uitgelegd.

In vers 28 zegt God dat Hij op tweeërlei manier naar Israël kijkt. God is tegen ze én voor ze. Tegen ze want zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil. Nou, dat is te merken hoe ze zich manifesteren als vijanden van het evangelie (1 Tessalonicenzen 2: 14-16). 'Maar dat komt (geheimzinnig genoeg!) jullie heidenen ten goede', zegt Paulus. Maar God is tegelijk vòòr ze, want zijn zij niet 'geliefden omwille van de vaderen die Hij verkoos'! Eeuwige beloften heeft Hij de vaderen gedaan. En Hij komt ze na. Op de Pinksterdag zie je dat gelijktijdige ook zo duidelijk: 'bekeert u, een ieder van u late zich dopen, op naam van Jezus zetten' Dat is Gods liefde die uitgaat naar zijn volk hoofd voor hoofd. Maar tegelijk: 'laat u behouden uit dit verkeerde geslacht': dit geslacht is wel totaal verkeerd bezig en zal op zo'n manier totaal verkeerd uitkomen als het zich niet bekeert. (Handelingen 2: 38-40)
Gods einddoel, dat Hij bereiken zal ook, is en blijft: zijn ontferming bewijzen aan allen: dat zijn degenen die behoren bij die twee kunstwerken van Hem, waar we eerder over spraken, die twee gunstwerken: het volle getal uit Israël en het volle getal uit de volken.

Paulus geeft ook nog een tekstbewijs hoe het tot dat 'komplete behouden huis Israël komt': Jesaja 59: 20 en Jeremia 31: 33-34. Hij citeert vrij en je moet de teksten erbij lezen om beter te begrijpen hoe Paulus het als bewijs bedoelt. In Jesaja staat: 'Maar als Verlosser komt Hij (de Here) voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtredingen bekeren'. 'Geen Verlossing zonder bekering' is de strekking van heel hoofdstuk 59. Paulus spreekt dat ook niet tegen als hij vrij citeert. 'De Verlosser uit Sion zal goddeloosheden (niet al de goddeloosheden!) van Jakob afwenden'. Namelijk: van wie zich bekeert! Uit de samenvattende aanhaling van Jeremia mogen we opmaken dat Paulus erop vertrouwt dat God zijn eensgedane belofte verwerkelijkt: een hernieuwd verbond sluit met een Israël dat Hem van jong tot oud is toegewijd. Veelzeggend is het slot van Jeremia 31, waarin de Here belooft dat er uit Israël altijd volk voor Hem over zal blijven en waarin Hij een herbouwd Jeruzalem uittekent dat tot in eeuwigheid niet meer verwoest zal worden.

We willen tot een afronding komen van dit punt.
We mochten van Paulus dingen leren over de verhouding nieuwe kerk - oud-Israël. Een verhouding met perspektief. Naar beide kanten. We zagen een kerk groeien vanuit het heidendom door een zich verhardend Israël. We zagen joden zich bekeren doordat kerkmensen hen daartoe trokken. Met beide groepen is God zo bezig tot de Dag van Christus. Het heeft Hem behaagd dat beiden er heel speciaal voor elkaar zijn. Wij van onze kant moeten onze plaats heel goed kennen en daarom geeft Paulus een veelzeggend beeld mee, dat we moeten onthouden:

2. het beeld van de kerkboom (verzen 16-24)

Lang hoeven we er hier in de preek niet bij stil te staan vandaag. Het spreekt haast voor zichzelf, zo duidelijk is het. Als we het maar altijd voor in onze gedachten houden. Paulus wil ons in het beeld namelijk voor een ernstige misvatting behoeden, namelijk dat de kerk in plaats van Israël gekomen zou zijn. Elk kerkmens die die gedachte bij zichzelf voelt opkomen bewijst daarmee dat hij zijn plaats niet kent. Paulus ziet geen twee kerkbomen, een Oude Testament-boom en een Nieuwe Testament-boom. Hij ziet er één. Als christen van vandaag mag je jezelf terugvinden daar ergens hoog in de boom, maar dat blijkt een bescheiden positie te zijn. Zonder de wortel en de stam die de takken draagt waren we nergens. Vers 18: niet wij dragen de wortel (verbeeld je maar niks!): de wortel (Abraham, enzovoort) draagt ons! (vers 18). God heeft wat takken weggebroken in zijn boom, dode takken, om levende loten (christen-geworden heidenen) een plek te gunnen. Die worden nu geteld als in Israël ingelijfd (Psalm 87 spreekt er al van!). Maar: kijk maar uit! Het is bij God niet 'binnen is binnen en buiten is buiten'...! Hij is Gòd, bedenk het goed: Hij kan dode oorspronkelijke takken weer tot leven wekken en ingeplante wilde loten die hun plaats niet waard zijn weer verwijderen. Ook dat ziet Paulus gebeuren. Neem zijn vroegere medewerker Demas, het leek een trouw christen, maar hij is bezweken voor de verleidingen van de wereld. (2 Timoteüs 4: 10) We zien het om ons heen gebeuren. Het blijft van de kant van de menselijke verantwoordelijkheid af bezien een strijd om in te gaan (Lucas 13: 24) en te blijven in de lichtkring van Gods liefde, de kerk-boom-van-alle-tijden-en-plaatsen. Bid of de Planter van die boom je wil hechten in het geheel. Bid of je je bescheiden plaats mag weten temidden van al die andere takken. Bid of je met blijdschap vruchten mag dragen voor Hem. Bid voor de dode takken: dat de Geest van Christus hen weer moge bezielen (Ezechiël 37). Bid om een wonder aan Wie wonderen werken kan, op zijn tijd. Bid voor het verharde Israël. Bid dat de deur voor het Evangelie wijd opengaat. Bid of God nog zeer velen genade bewijzen wil.

Zou Israël nog een verrassing te wachten staan?
Een soort massale bekering tegen het eind der tijden? Stel maar voorop: onze God is een God van verrassingen. Zo kennen we Hem tot op de dag van vandaag. Maar wel verrassingen die op de een of andere manier passen bij zijn Naam: 'Ik ben die Ik ben - Ik doe wat Ik beloof - Ik maak af waar Ik aan begon'. Veel blijft voor ons mensen dan ook verborgen. En het is zaak vooral geen ruzie te gaan maken over de vraag 'valt er een massabekering te verwachten ja of nee?'. Dat is veel gedaan. Maar vruchteloos. En vreugdeloos. Van onze kant af is het eenvoudig een zaak van ervoor bidden en eraan werken. De goede, jaloersmakende toon zien te vinden. Wat dat betreft heeft de kerk er door de eeuwen heen vaak faliekant naastgezeten. In naam van Christus zijn joden vervolgd met het zwaard i.p.v. gelokt door Woord en daad. En hoeveel mensen die zich christen noemen maken zich niet schuldig aan vormen van anti-semitisme? Goed, ze zullen geen tunnels en muren met hakenkruisen bespuiten. Ze zullen in een stadion waar Ajax aan het spelen is discriminerende leuzen met de meute mee gaan schreeuwen. Maar is welbeschouwd de hele vervangingstheorie er ook niet een vorm van? Wie Israël meent door te kunnen krassen en er 'kerk' boven kalkt, heeft nog nooit echt naar Paulus geluisterd. God krast niks door! Hij hakt de boom niet om om een nieuwe te planten. Hij gaat door met de oude. En de genadig ingeplante nieuwe takken hebben maar te bidden dat de uitgenomen dode takken weer tot leven komen. Een man als de Rooms-katholieke poolse president Lech Walensa lijkt daar niets van te moeten hebben. In zijn toespraak indertijd ter nagedachtenis aan wat er in Auschwitz vijftig jaar geleden gebeurde noemde hij niet één keer het joodse volk. Terwijl toch haast alle anderhalf miljoen slachtoffers joden waren en in het ghetto van de poolse hoofdstad Warschau er tienduizenden even gruwelijk om het leven kwamen. Ook in gereformeerde kringen zou het kunnen voorgekomen dat met een zekere minachting gesproken wordt over Israël, alsof het allemaal maar niks is: een afgedane zaak. Dat zou dan vloeken in Paulus' oren en hem zeer verdriet doen. Wat meer is: het doet de HERE verdriet. Dan valt er

meer respekt op te brengen voor prof. Greijdanus
die in zijn kommentaar van 1933 meent dat ons met betrekking tot Israël nog heel wat te wachten staat. En prof. Holwerda, die in de jaren rond de onafhankelijkheidsverklaring van de herrezen joodse staat Israël, 1948, er op hamerde in zijn preken: let als kerk op de ontwikkelingen in dàt land, meer dan welk ander land in de wereld ook. En -om niet meer te noemen- prof. Douma, die in mei 1967 een bondsdagreferaat hield over Romeinen 9-11 en opriep tot gebed voor Israël en aktiviteit ten opzichte van Israël waar ook maar een open deur gegeven wordt: Gods beminden omwille van de vaderen, dat zijn en blijven ze. Nog geen maand later zal hij net als haast iedereen in Nederland de hele dag de radio aan hebben laten staan om maar niets te missen van de oorlog van Israël tegen de hele haar omringende wereld.

Wonderlijke dingen!
Eerst blijft onlangs alle verstrooiing een apart joods volk bestaan, met een eigen kultuur, dwars door de eeuwen heen, terwijl allerlei andere oude volken zijn opgegaan in de grote smeltkroes. Filistijnen, Tyriërs, Babyloniërs, Moabieten, noem maar op: je vindt ze niet meer. En in de moderne tijd, nu de verstrooiden terugkeren zie je slag op slag te zien dat het kleine landje zich dwars door alle aanslagen en oorlogen heen handhaaft. Wat zou God van plan zijn? Laten we als medevertegenwoordigers van de kerk in alle bescheidenheid zien wat onze mond en onze hand vindt om te doen voor Israël en het ook doen. Een éérste deel bleef trouw (de oude stam), een twééde deel kwam terug (tot Jezus bekeerde takken): van hen mogen wij broeders en zusters wezen, laat ons hen bemoedigen. Een dérde deel ligt nog voor dood neer (broeders. en zusters. in spé!). En wij bidden: 'God van Abraham, Izaak en Jakob, die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen het werk van uw handen, bewijs hen dezelfde genade die U ons bewijst: geef toch ook hén het Leven weer! Met Paulus bidden wij: o, diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn uw beschikkingen en hoe onnaspeurlijk uw wegen. Uit U en door U en tot U zijn alle dingen: U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid.'

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar