Leer te geven en te ontvangen - want dat wil God zegenen

Thema: Leer te geven en te ontvangen - want dat wil God zegenen
Tekst: Romeinen 1: 11-12
Tekstgedeelte(n): Romeinen 1: 8-15
Door: Ds. P.P.H. Waterval (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Krimpen aan den IJssel)
Gehouden te: Krimpen aan den IJssel op 9 juni 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 122: 1, 3
Wet
Ps. 1: 1-2
Lezen: Romeinen 1: 8-15
Lied 320: 1-2
Tekst: Romeinen 1: 11-12
Preek
Lied 106
Ps. 133
Zegen

Gemeente van de Here Jezus,

Ik wil u wat vertellen over Jan. Jan is boekhouder van beroep, midden veertig en vrijgezel. En een toegewijde diaken ergens in een van onze kerken. Jan heeft veel vrije tijd en gaat daarom veel de wijk in, wel 3 tot 4 avonden in de week. Jan is hartelijk in de omgang, heel belangstellend en wijs. Hij is goed thuis in de bijbel en in de sociale wetgeving. Jan is handig en ook bijzonder hulpvaardig. Je hoeft hem maar te bellen en meestal komt hij dezelfde avond nog langs. Jan is de ideale diaken. En toch is er iets met Jan. Jan geeft alleen. En hij wil niet ontvangen. Eén keer per jaar krijgt hij huisbezoek. Maar tussendoor kom je er als ouderling of diaken niet in. Jan heeft altijd afspraken. Altijd druk. Laatst was zijn auto kapot. Een broeder automonteur hoorde ervan en bood hem zijn hulp aan. Dat was niet nodig. Jan kwam er zelf wel uit. Vorige week overleed zijn moeder. Hij is enigst kind en moest alles zelf regelen. Hulp was niet nodig. Lief aangeboden, maar Jan deed het liever alleen. Daar voelt hij zich het prettigst bij. Jan geeft. Maar hij ontvangt niet.
Geven en ontvangen. Ook daarover gaat het in de brief aan de Romeinen. Dit bijbelboek is vaak een compendium van de christelijke leer genoemd. Zeg maar, een handleiding of beknopte samenvatting van de christelijke leer. En het is waar dat Paulus in deze brief veel centrale punten uit de leer behandelt. Maar toch: het blijft wel een brief, waarin het ook over heel praktische dingen gaat en waarin Paulus veel laat zien van zichzelf. Ook daar hebben we een boodschap aan, als we ervan kunnen leren over de omgang met God en elkaar. Nou, daarover gaat het in de tekst in Romeinen 1 waar we vandaag naar kijken, de verzen 11 en 12.

Het thema van de preek is:

Leer te geven en te ontvangen. Want dat wil God zegenen

  1. Geven
  2. Ontvangen

1. Geven

Nadat Paulus zijn brief begonnen is met het voorstellen van zichzelf en zijn boodschap, het evangelie en vervolgens in vers 7 zijn lezers groet, komt hij daarna aan het gedeelte van de brief waarin men traditioneel een vriendelijke opmerking maakt over de geadresseerde, de zogenaamde 'captatio benevolentiae', zeg maar een poging om de welwillendheid van de lezer op te wekken. In veel briefschrijverij betekent dat een greep naar de strooppot of de slijmkwast. Maar als Paulus zegt dat hij God is dankbaar voor de gemeente in Rome en voor de goede berichten die hij overal over hen opvangt, dan proef je bij hem echte oprechtheid. Wij zouden het al gauw geslijm vinden als iemand tegen ons zou zeggen: 'op de classis hoor ik voortdurend wat voor een fantastische gemeente... [ lees hier: plaatsnaam eigen gemeente ] wel niet is'. Maar we moeten niet vergeten dat Rome hét machtscentrum van het Romeinse rijk was. Geen wonder dat men in alle gemeenten die al waren ontstaan, blij reageerde op het nieuws dat het evangelie ook in Rome was doorgedrongen en dat er nu ook daar een gemeente van de Here Jezus was. Iedereen wist dat dit een geweldige stimulans bood voor de verdere verspreiding van het goede nieuws in Europa. Trouwens, dat Paulus hier niet slijmt, kun je ook zien aan het feit dat hij God als getuige aanroept. Zijn gevoelens voor de mensen in Rome zijn oprecht.
Die gevoelens zijn ook sterk. Ik verlang ernaar om jullie te zien, schrijft hij. Het Griekse woord voor verlangen dat hier gebruikt is, drukt een sterke emotie uit. Paulus zegt dus niet: lijkt me leuk om jullie nou eindelijk eens te zien. Nee, hij zegt: 'ik hunker ernaar, ik verheug me er enorm op om jullie te zien'. Dat kun je ook zien in vers 10 waar hij zegt dat hij vurig bidt dat het er nu eindelijk eens van mag komen. Paulus verlangt ernaar om ook in Rome het grote nieuws over Gods Zoon te brengen, in al zijn rijkdom. Dat was zijn missie, zijn opdracht. Paulus wil niet alleen komen voor de gezelligheid, hoe fijn het ook kan zijn met medechristenen, nee, hij is een geroepen apostel. En hij heeft wat goed te maken. Paulus heeft in het verleden voor zijn gevoel al zoveel schade berokkend aan de zaak van Christus, dat hij alle tijd en energie die hij nu nog heeft, wil geven aan de prediking van Christus, tot zijn eer. Vandaar dat woord schuldenaar in vers 14. Paulus voelt dat hij nog een schuld heeft ten opzichte van ieder die dat nieuws nog niet gehoord heeft en hij rust niet voor het zover is.
Als apostel voelt Paulus dus vooral de drang om wat te komen brengen, wat te geven. Mede te delen staat er in vers 11. In hedendaags Nederlands gebruiken we dat woord alleen nog maar voor het doen van een mededeling, maar hier moeten we het letterlijk lezen. Paulus wil mee-delen, dus delen samen met anderen. Wat Paulus gekregen heeft, wil hij niet voor zichzelf houden, maar moet gedeeld worden, samen met anderen.
En wat dan? Enige geestelijke gave staat er. Door de taalkundige constructie, het mee-delen van enige geestelijke gave, is het onwaarschijnlijk dat hier de bijzondere gaven van de Geest uit 1 Korintiërs 12-14 worden bedoeld zoals het spreken in vreemde talen, de gaven van de profetie en van de genezing. Want daarvan blijkt in die hoofdstukken dat alleen de Heilige Geest die geeft, zoals Hij dat nodig vindt. We moeten de geestelijke gave waar Paulus het hier over heeft, wat ruimer opvatten. Het slaat waarschijnlijk op een stuk onderwijs of toerusting. Waarover precies blijft onduidelijk. Omdat hij pas weet wat ze nodig hebben, als hij bij hen is, blijft hij bewust vaag hier, vandaar dat woordje enige.
Het doel dat Paulus heeft is wel duidelijk, namelijk versterking. Het gebruikte woord in het Grieks spreekt van vastzetten, bevestigen. Zodat het als een boom die stevig staat, vrucht kan dragen. In gehoorzaamheid aan Jezus Christus. Hier komt het grote doel van Paulus werk weer terug: de gehoorzaamheid van het geloof (vers 5). Want wil het geloof, de vertrouwensband met Jezus zich ook vertalen in gehoorzaamheid aan Jezus, dan moet dat geloof ook groeien en sterk worden.
Paulus wil graag geven, met als doel dat het geloof van de gemeente in Rome gebouwd wordt en er vruchten van geloof en gehoorzaamheid te zien zullen zijn en dat alles - vers 5 - voor zijn naam: tot eer van de naam van Christus. Die houding, om zo te willen geven wil de Here graag bij ons allemaal zien, ambtsdrager en gemeentelid. En die houding had Paulus echt niet van nature, maar die heeft Christus door zijn Geest in hem ontwikkeld. En daarbij was Christus zelf Paulus' grote voorbeeld. De Here Jezus is allereerst Gods gave, Gods geschenk aan ons, maar Hij is tegelijk ook zelf de grote Gever. Niemand heeft ooit zoveel gegeven als Hij. Jezus zegt in Johannes 15: Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden. Die waarheid heeft Jezus met het voorbeeld van zijn eigen offer onderstreept. En daarom klink het ook niet goedkoop, die mooie uitspraak van Jezus die we nergens in de Evangeliën vinden, maar die Paulus aan ons doorgeeft in Handelingen 20: 35: het is zaliger te geven dan te ontvangen. Oftewel: geven maakt gelukkiger dan ontvangen.
Uiteraard roept de Here Jezus ons daarmee op om te geven. Hij ziet graag dat wij zijn beeld gaan vertonen, dat we worden zoals Hij is, vrijgevig. Dat kost ons niet alleen wat. Het brengt ook veel op. Gehoorzaamheid door te geven, brengt geluk. Maar dat moet je wel zelf ontdekken. In het Engels zeggen ze: the proof of the pudding is in the eating. Als je wil weten of de pudding lekker is, zul je hem moeten proeven en eten. Anders kom je er nooit achter. Alleen wie echt gaat geven, zal ontdekken hoe gelukkig je daarvan wordt.
Je moet het dan wel vanuit de goede houding doen. Want automatische, blinde zelfverloochening is geen geven. Er zijn heel wat mensen - en misschien hoor jij bij hen - die denken dat God van ze vraagt dat ze altijd voor iedereen klaar moeten staan, die denken dat ze nooit voor zichzelf mogen opkomen, en dus nooit nee mogen zeggen. Als het bij jou zo gaat, voel je je vaak helemaal niet gelukkig als je geeft. Diep van binnen baal je juist. 'Waarom moet ik nou weer helpen? Het zijn ook altijd de zelfden', denk je. Als dit voor jou geldt, dan ben je, wat met een duur woord heet: 'sub-assertief'. Subassertieve mensen staan vaak vooraan om te helpen, maar dan niet zozeer omdat ze het graag willen, maar omdat ze denken dat het van hen verwacht wordt. Ze verloochenen ook niet zichzelf, want ze hebben nauwelijks een 'zelf'. Hun aanbod om te helpen, is geen bewuste keuze, komt niet uit een confrontatie met hun eigen belangen. Hun reactie is een impuls. Ze denken er nauwelijks bij na. Maar vroeg of laat gaat het fout, want dat houdt niemand vol. Je wordt een voetveeg, je laat over je heenlopen. Het maakt niet gelukkig, maar ongelukkig. Met het geven dat gelukkig maakt, de echte zelfverloochening, bedoelt de Here Jezus het geven dat bewust gebeurt, waarbij je je eigen belang vanuit een eerlijke keuze opzij zet voor dat van de ander. Dan geef je ook met je hart, en met vreugde en niet vanuit een innerlijke dwang, omdat je niet anders durft. Zulk geven, zoals Paulus en Jezus geven, maakt echt gelukkig en maakt gelukkiger dan ontvangen.

2. Ontvangen

Er zijn ook mensen die om een andere reden alleen maar geven. Niet omdat ze subassertief zijn. Ze zijn juist eerder super-assertief. En heel trots op zichzelf. Zo iemand is Jan de diaken uit mijn inleiding. Zulke mensen willen graag onafhankelijk zijn. Ze doppen hun eigen boontjes wel. Ze willen best graag geven, maar kunnen heel moeilijk ontvangen. Want als je bereid bent om te ontvangen, geef je aan dat je de ander nodig hebt, stel je je kwetsbaar op. En dat vinden deze mensen eng. Daarom houden ze graag een façade op. Ze schermen zich af. Je komt bij hen maar moeilijk binnen, in hun huis niet en in hun hart niet. En dat is heel jammer. Want door hun trots maken ze het voor zichzelf onmogelijk te ervaren wat God hun wil geven. En op anderen komen ze over als arrogant. Laat mij maar geven. Jij hebt hooguit mij nodig, maar ik jou niet.
Zo is Paulus niet. Paulus heeft in zijn leven ervaren hoe vernietigend de kracht van trots is en hoe opbouwend echte nederigheid is. De grote apostel is niet te groot om ook te willen ontvangen. Paulus is zich zeer bewust van het risico dat hij bij de gemeente in Rome - zeker omdat ze hem niet persoonlijk kennen - arrogant kan overkomen. Door alleen te zeggen dat hij wil komen om te geven en versterken. En daarom geeft hij een toelichting, een verduidelijking in vers 12. Hij zegt: dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. Paulus zegt met ander woorden: Ik wil graag langs komen om te zien wat jullie nodig hebben en wat ik voor jullie als apostel van Jezus Christus kan betekenen, maar ik heb jullie net zo goed nodig. Ik kom niet alleen om te bemoedigen, ik wil zelf ook bemoedigd worden, doordat we elkaar in het geloof herkennen en daarover spreken. Is dat niet mooi? De man die voor God zulke geweldige dingen heeft gedaan, zegt heel nederig tegen deze jonge, onervaren christenen: ik heb jullie nodig.
En wat is er dan ook veel om te ontvangen en bemoedigd over te worden. Allereerst vanuit de liefde voor het werk van God. Want ook al had Paulus in Rome niet zelf het evangelie gebracht, hij was oprecht blij met het geloof dat de Heilige Geest in Rome had gewerkt. Ook al doen wij zelf vanuit... [ lees hier: eigen plaatsnaam ] geen evangelisatiewerk in... [ lees hier: naam van grote stad in de buurt ], we kunnen er - hoop ik - net zo blij om zijn als we horen dat er daar mensen tot de Here bekeerd worden als dat er hier mensen tot geloof komen. Want als dat gebeurt, mogen we de Here danken en prijzen, want dan is Hij bezig om ons gebed 'uw koninkrijk kome' te verhoren. Maar het moet Paulus echt een kick hebben gegeven om pasbekeerden persoonlijk te ontmoeten. Daarom wil hij graag naar Rome toe, om de nieuwe vruchten van het oogstwerk van de Geest met zijn eigen ogen te zien. Daarom is zo'n belijdenisdienst met Pinksteren ook zo mooi. Het is zo bemoedigend, omdat je het bewijs van de kracht van het evangelie zichtbaar voor je ziet.
Maar ook voor je eigen persoon, je eigen groei in het geloof, is er veel te ontvangen en veel om bemoedigd door te worden, als je medegelovigen opzoekt, zoals Paulus zo graag wil. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend dat Paulus dat wil, maar dat is het helemaal niet. Zeker voor een leider niet. Veel leiders vinden het helemaal niet zo gemakkelijk om toe te geven dat zij bemoediging van gewone gemeenteleden nodig hebben. En als een leider dat toegeeft, moeten veel gemeenteleden ook best wat overwinnen. Van een leider wordt normaal gesproken verwacht dat hij een voorbeeld is, krachtig, inspirerend. Niet dat hij zich van zijn kwetsbare kant laat zien. En al helemaal niet dat hij zijn geloofstwijfels en zonden toegeeft en openlijk praat over zijn moeiten om als christen te leven. Het is voor sommige mensen een shock als ze horen dat een predikant of een ouderling twijfels blijkt te hebben [ , zoals we hebben gemerkt toen Henk Jasperse de publiciteit zocht ]. Geestelijke leiders in de kerk horen toch juist rotsen in de branding te zijn.
Toch wil de apostel Paulus zo'n leider niet zijn. Paulus durft kwetsbaar te zijn. Van premoderne geloofstwijfel lezen we bij hem niet veel. Maar voor de rest is Paulus heel open. In zijn brieven schaamt hij er zich niet voor dat hij zich zwak en zondig voelt. Want hij heeft ontdekt wat voor winst daarin ligt. Paulus weet dat zwak zijn en dat toegeven, dat dat de weg is tot het vinden van nieuwe kracht bij Christus en bij zijn Geest. In 2 Korintiërs 12 zegt Paulus: Ter wille van Christus wil ik graag zwak zijn, beledigd worden, in nood verkeren, vervolgd worden en in benarde situaties zitten. Want juist als ik zwak ben, dan ben ik sterk. En een hoofdstuk verderop zegt hij: Want toen Christus werd gekruisigd, was hij zwak, maar nu leeft hij uit kracht van God. Ook wij zijn zwak net als hij, maar wij zullen met hem leven uit kracht van God. Paulus volgt Jezus na en daarom kan hij en durft hij ook zwak te zijn, omdat hij weet dat Christus sterk is. Alleen wie zich in het geloof zwak durft op te stellen, zal ook de kracht van de Geest ervaren. Want alleen dan geef je de Geest de gelegenheid om je weer overeind te helpen. Dat mag je persoonlijk ervaren, dat mogen we ook als kerken ervaren. En daarom mag dit iedereen bemoedigen die de winst van kerkelijke reformaties ziet wegsmelten, die ons krachtige gereformeerde leven met al zijn organisaties ziet afbrokkelen en de heldere koers van vroeger mist. Onze kerken raken misschien heel wat kwijt, maar God heeft heel veel in huis. Soms moet het in de kerk helemaal vastlopen. Dat zie je in de kerkgeschiedenis ook regelmatig gebeuren. En dat doet altijd pijn, maar Gods genade is ook altijd genoeg. Als je het gevoel hebt dat we als kerken de woestijn in gaan, wees dan niet bang, want we mogen de woestijn in met God. Hij is erbij. Met hem overleven we en is het leven goed. Hier en straks.
Van Paulus kunnen we leren dat voor God eerlijk kwetsbaar zijn, winst oplevert, nieuwe kracht. Maar we kunnen van hem ook leren dat die winst er ook is in het kwetsbaar zijn naar elkaar toe. Want alleen dan geven we elkaar en ontvangen we van elkaar de gelegenheid om elkaar te versterken en te bemoedigen. Door ons geloof. Door ons persoonlijk leven met Christus kunnen we elkaar zo bemoedigen. Met wat we ervaren van zijn genade, zijn nabijheid, zijn troost, zijn kracht, zijn trouw. Laten we dat niet onderschatten. Laten we dat aan elkaar geven. En laten we ook willen ontvangen. Laten we ervoor open staan dat zelfs een pasbekeerde ons iets kan leren en ons iets wil geven, namens God. Ieder van ons mag een levend verhaal zijn van God liefde en genade. Laten we die verhalen aan elkaar vertellen, door ons aan elkaar te geven, in kwetsbaarheid, in vertrouwen, en met verwachting. Uiteraard zal dat moeten groeien. Geven en ontvangen gaat met vallen en opstaan. Maar als we dat durven, zullen we ontdekken dat er zowel in geven als ontvangen grote zegen ligt.
In zijn commentaar op dit bijbelvers zegt Calvijn het volgende: "In de kerk van Christus is er niemand zo arm dat hij niet iets zou kunnen meebrengen dat ons kan verrijken. Wat ons vaak belet om zulke vruchten te plukken, is arrogantie en jaloezie. Het is trots en bedwelming door domme eigenwaan waardoor men met verachting en veronachtzaming van de ander, meent ruimschoots genoeg te hebben aan zichzelf." Calvijn durfde het keihard te verwoorden. Maar hij heeft wel gelijk. Heb jij genoeg aan jezelf? Heb jij de ander niet nodig? Of durf je nederig en kwetsbaar te zijn en open te staan voor verrassingen? Paulus durfde het.
En als de apostel Paulus kwetsbaar durfde te zijn, dan moet je het ook als ambtsdrager durven. Als leiders in de gemeente mogen we rustig toegeven aan elkaar en aan de gemeente dat we zwakke mensen zijn en dat we de bemoediging van de ander nodig hebben. Dat raakt vooral ook ons gebed. In de kerkenraadskamer leggen we onze zwakheid voor de Here neer. Maar dat mogen we ook naar elkaar doen en naar de gemeente. En daarom, broeders en zusters, durf ik dat ook aan u te vragen. Ook vanaf de kansel: Bid voor ons, bid voor de predikant(en), de ouderlingen en diakenen, bid voor elkaar. Wij hebben dat o zo nodig, allemaal, want we zijn zwak. Maar met God zijn we sterk, persoonlijk en met elkaar. Durf daarom te geven én te ontvangen. Dat is zo bemoedigend. Dat wil God zegenen.

Amen.

Gebed

Onze Vader in de hemel,

U bent de grote Gever. U bent de bron van alle goeds. U was een trouwe Vader voor het volk Israël. Het heeft hun aan iets ontbroken. En in de Here Jezus hebben we het nog duidelijker gezien hoe goed U bent voor ons. U bent barmhartig en genadig, rijk aan goedertierenheid. En daarvoor prijzen we U. Here geef dat uw grote voorbeeld ook ons mag stimuleren om te geven. Help ons om dat op de goede manier te doen. Niet uit dwang, of louter plichtsgevoel, maar met vreugde, en bewuste zelfverloochening. En geef dat we het dan zullen merken dat geven gelukkiger maakt dan ontvangen. Geef ook dat we dan het beeld van uw Zoon vertonen, zodat de mensen dat mogen herkennen en U erom gaan prijzen en mogen worden aangetrokken tot de gemeente. Here God, leer ons ook te ontvangen. Leer ons net als Paulus blij te zijn met alle nieuws dat het goed gaat met uw evangelie en geef dat wij daar ook zelf nieuwe moed van krijgen. Maar geeft dat we bemoediging ook willen zoeken in de contacten met elkaar in de gemeente. Voor sommigen van ons betekent dat, dat we een flinke drempel over moeten. Maar geef dat we alle façades zullen wegdoen en de muren rond ons hart zullen afbreken en ons durven openstellen voor onze broeder en zuster. En geef dat we de zegen van de onderlinge bemoediging ook mogen ontdekken en genieten. Geef dat we niet langs elkaar heen leven, want U hebt ons aan elkaar gegeven om elkaar een hand en een voet te zijn, een oog en een oor. Geef dan ook dat we elkaar vasthouden als broeders en zusters. Dat we elkaar opzoeken, ook als het moeilijk is, en dat we elkaar aanvaarden en elkaar helpen. Zodat niemand afdwaalt. Help ons om de ander en zijn gaven als waardevol te zien. We bidden u ook als kerkenraad en gemeente om de wijsheid en het inzicht om structuren te stimuleren of te organiseren waarin de onderlinge bemoediging optimale kansen krijgt.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar