De HERE verlost zijn volk door middel van een zondige richter

Thema: De HERE verlost zijn volk door middel van een zondige richter
Tekst: Richteren 11: 1-11 en 29-40
Tekstgedeelte(n):

Richteren 11: 1-11 en 29-40
Deuteronomium 23: 21-23
Hebreeën 11: 32 - 34

Door: Ds. A. Krijgsheld (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Delfzijl)
Gehouden te: Driesum c.a. op 3 oktober 1999;
Nes (Ameland) op 10 oktober 1999

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Ps. 116: 1-2, 8, 10
  2. Ps. 56: 4
  3. Tekst: Richteren 11: 1-11 en 29-40
  4. Ps. 106: 16-18
  5. Lezen: Deuteronomium 23: 21-23; Hebreeën 11: 32 - 34
  6. Ps. 61: 4, 6
  7. Ps. 18: 15
  8. Ps. 27: 7

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Hebreeën 11 is een prachtig hoofdstuk over allerlei mensen uit het Oude Testament. We noemen ze wel eens 'geloofshelden'. Ze hebben gelovig vertrouwd op de HERE.
Door het geloof heeft Noach de ark gebouwd. Ook al was er geen water in de buurt, hij deed wat de HERE hem gezegd had.
Door het geloof kon Abraham zijn enige zoon Isaak op het altaar leggen. Ook al zag hij niet in waarom de HERE dit offer van hem vroeg, hij deed wat zijn God hem opdroeg. Totdat God zelf vanuit de hemel riep: Stop, nu weet Ik genoeg.
Al die mannen en vrouwen uit Hebreeën 11 hebben zich helemaal aan de HERE toevertrouwd. We kunnen ze echt geloofshelden noemen.

Tussen al die namen staat ook de naam van Jefta. Door het geloof heeft hij vijandige legers doen afdeinzen. Jefta, de richter, staat zomaar naast Samuël en naast David, de man naar Gods hart, de schrijver van een heel aantal Psalmen.
Was Jefta dan ook zo'n gelovige man? Waar heeft hij z'n plaats in deze rij aan verdiend? Als we Richteren 11 goed lezen krijgen we niet zo'n positief beeld van deze aanvoerder.

Het thema van deze preek over Jefta is:

De HERE verlost zijn volk door middel van een zondige richter

  1. Jefta's verleden
  2. Jefta's gelofte
  3. De voltrekking van Jefta's gelofte

1. Jefta's verleden

Het begin van Jefta's leven is meteen al niet zo fraai. Hij is een buitenechtelijk kind van Gilead. Zijn moeder was een hoer. Als z'n halfbroers volwassen zijn geworden gooien ze Jefta uit de familie. Hij wordt er helemaal uitgewerkt. Hij heeft geen erfrecht meer en hij moet zichzelf maar zien te redden.

Dat lukt hem heel goed. Jefta vlucht weg van z'n halfbroers en gaat in het land Tob wonen. Daar verzamelt hij een bende mannen om zich heen. In vers 3 worden ze "lichtzinnige mannen" genoemd. Kerels die het niet zo nauw nemen in het leven. Vrijbuiters, die misschien wel net als Jefta naar de rand van de maatschappij geduwd zijn.

Met deze bende trekt Jefta erop uit. Die trektochten zijn waarschijnlijk geen vakantiereisjes geweest. Ze gaan niet op pad om van de omgeving te genieten. Ze gaan op rooftocht. Op die manier komen deze lichtzinnige mannen aan hun levensonderhoud. En Jefta is hun hoofdman, een echte roverhoofdman. Hij is een dappere held. Dat staat in vers 1. Maar geen held om trots op te zijn.

Ondertussen is Israël in grote nood. De vijanden komen van alle kanten opzetten. De Filistijnen uit het westen en de Ammonieten, nakomelingen van Lot, uit het oosten. Dat is de straf van de HERE. Zijn eigen volk dient afgoden. Minstens zeven goden van de buurvolken worden door de Israëlieten vereerd. Het lijkt erop dat ze van alle godsdiensten wel wat kunnen gebruiken. En hun eigen God, de Schepper van hemel en aarde, vergeten ze.

Als ze van alle kanten bedreigd worden gaan ze weer naar de HERE toe. Ze doen schuldbelijdenis. "Wij hebben tegen U gezondigd, HERE." Maar dan schrikken ze van de reactie van God. Hij laat niet met zich spotten. Het is elke keer weer hetzelfde liedje. Zonde, straf, schuldbelijdenis, verlossing. Maar daarna gaan ze weer vrolijk verder met hun afgoderij. "Ga nu ook maar naar die andere goden toe. Vraag hen maar of zij jullie willen bevrijden." Dat is de reactie van de HERE.

Dan beseffen ze dat het menens is. Ze houden grote schoonmaak. Alle afgodsbeelden, alles wat met die vreemde goden te maken heeft wordt verwijderd. De Israëlieten doen nog een keer schuldbelijdenis. Nu komt het echt uit het diepst van hun hart. Ze gaan diep door de knieën. En de HERE luistert. Hij kan de ellende van Israël niet langer aanzien. De enige vraag is nu: wie zal leiding geven aan het volk? Wie zal optreden als de sterke man?

Op dat moment komt Jefta in beeld. Blijkbaar is het in Israël bekend dat hij een goede leider is, een echte hoofdman, een held. Iemand die alles weet van vechten en oorlogvoeren. De oudsten van Gilead gaan naar hem toe. Dat is een hele zelfoverwinning geweest voor die mannen. Vroeger hebben ze Jefta weggewerkt. Nu komen ze hem om hulp smeken. "Wees alstublieft onze aanvoerder." Jefta gaat niet meteen mee. Eerst moet het verleden rechtgezet worden. En dat gebeurt. Jefta wordt in ere hersteld door de oudsten van zijn land. Alles is weer in orde. Jefta is nu de nieuwe leider. De sterke man van Israël.

Het eerste wat hij doet is onderhandelen met de vijand. Hij stuurt boodschappers naar de Ammonieten met de vraag: Wat is er eigenlijk aan de hand; waar is deze oorlog voor nodig? De koning van Ammon antwoordt dat hij recht heeft op het stuk grond wat hij veroverd heeft. Jefta gaat daar tegenin. En dan blijkt dat hij de geschiedenis van Israël heel goed kent. Uiteindelijk worden ze het niet met elkaar eens. De wapens zullen de beslissing moeten brengen.

Het is mooi om te lezen dat de Geest van de HERE over Jefta komt. Daarom hebben we vers 29 er ook bewust bij gelezen. God laat Jefta niet alleen gaan. Hij gaat mee in de strijd. Hij maakt deze richter bekwaam voor zijn taak. Israël heeft Jefta opgezocht, omdat hij goed is in het oorlogvoeren. De HERE maakt duidelijk dat militaire deskundigheid alleen niet genoeg is. Jefta wordt met Gods Geest vervuld. Hij hoeft het niet op eigen kracht te doen. De HERE wil zijn volk verlossen door middel van Jefta.

2. Jefta's gelofte

Voordat ze de vijanden tegemoet gaan doet Jefta iets opvallends. Hij doet een gelofte. Hij zegt tegen de HERE: Als U de ons de overwinning geeft, dan zal ik U een dankoffer geven. Op zich is het helemaal niet verkeerd om zo'n belofte te doen aan de HERE. Tenminste, als je er goed mee omgaat. Je zou een gelofte kunnen doen om de HERE onder druk te zetten. Of om Hem om te kopen, als dat al zou kunnen. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van onze God. Hij is heel anders dan de afgoden. Een afgod moet je omkopen met offers en dergelijke. Die moet je een beetje te vriend houden. De HERE is niet om te kopen. Dat neemt niet weg dat Hij graag wil dat mensen Hem bedanken. En die dank mag je best van tevoren beloven. HERE, als U mij helpt, dan zal ik U loven en eren.

We hebben in deze dienst gezongen over geloften. In de psalmen kom je ze vaak tegen. De HERE is blij met zo'n gelovige gelofte. Doet u wel eens een gelofte aan de HERE? En, jongens en meisjes, beloven jullie wel eens iets aan de HERE? Dat kan best. Als je bijvoorbeeld iets moeilijks moet doen, of iets waar je helemaal geen zin in hebt, dan mag je gerust tegen de HERE zeggen: Wilt U me helpen? Als het goed gaat, dan zal ik nog meer m'n best doen voor U. Dan zal ik proberen niet weer ruzie te maken. Dat is dan een soort gelofte. Je belooft iets aan de HERE. Dat kan best gezond zijn voor je geloof. Je kunt bijvoorbeeld aan de HERE beloven dat je elke dag begint met Hem te eren en te loven. Daar is onze God blij mee.

Dat Jefta een gelofte doet, daar is op zich niets mis mee. Maar het wordt anders als je let op de inhoud van die gelofte. "Als U de Ammonieten in mijn macht geeft, dan zal hetgeen mij uit de deur van mijn huis tegemoet komt, (...) de HERE toebehoren, en ik zal het ten brandoffer brengen." Al heel veel bijbellezers hebben zich afgevraagd wat Jefta daarmee bedoeld zal hebben. Denkt hij aan een dier? Dat is niet waarschijnlijk. Want welk dier komt hem tegemoet vanuit de huisdeur? Het is wel duidelijk dat de richter aan een mens gedacht heeft. Eigenlijk is onze vertaling van vers 31 ook niet goed. Daar staat: "hetgeen mij tegemoet komt". Je kunt beter vertalen: wie mij tegemoet komt. Jefta heeft bij zijn gelofte dus echt aan een mens gedacht.

Nu beginnen de vragen pas echt goed. Hoe kan Jefta dat nou beloven? Hij kan toch weten dat de HERE een gruwelijke hekel heeft aan mensenoffers? Hij heeft laten zien dat hij de geschiedenis van Israël heel goed kent. Dus zal hij ongetwijfeld ook weten dat de HERE verboden heeft mensen te offeren. Alleen al vanwege het zesde gebod. "Gij zult niet doodslaan." Zelfs niet voor een offer aan de HERE.

Bij sommige heidense godsdiensten was het gewoon om mensen aan de goden te offeren. En aangezien Israël veel afgoderij heeft overgenomen van de buurlanden is het best mogelijk dat ze ook die gruwelijke gewoonte overgenomen hebben. En als we dan Psalm 106 lezen, wordt het helemaal duidelijk. De Israëlieten "offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten". Die ernstige mededeling slaat op de tijd van de richters. Lees maar verder in dezelfde Psalm: "Vele malen redde Hij (de HERE) hen, maar zij waren weerspannig in hun voornemen, zodat zij wegzonken in hun ongerechtigheid." Dat is precies het droevige refrein van het boek Richteren. Mensenoffers kwamen dus voor in Israël, bij het volk van de HERE.

Jefta, die door de HERE is geroepen om Israël te leiden en met de Heilige Geest is vervuld, is een echt kind van zijn tijd. Hij doet aan de HERE een gelofte. Dat mag best. Maar deze gelofte heeft een ronduit heidense inhoud. Het is een zondige gelofte. Onze God wil geen mensenoffers.

De oorlog tegen de Ammonieten loopt heel goed af voor Jefta en de zijnen. Ze komen als glorieuze winnaars uit de strijd. Ze hebben hun vijanden een geweldige nederlaag toegebracht. De Ammonieten zijn tot diep in hun eigen land teruggedrongen. Twintig steden zijn onder de voet gelopen. Een verpletterende nederlaag. Het volk Israël is voorlopig verlost van deze vijand. Het zal heel wat jaren duren, voordat ze zich weer hersteld hebben. Ja, de HERE heeft weer redding gebracht. Voor de zoveelste keer.

In een feeststemming gaan de soldaten terug naar huis. En zoals dat gaat met helden, ze worden juichend binnengehaald. Denk maar aan de geschiedenis van David. Als hij terugkomt van een overwinning zingen de vrouwen voor hem: "Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden". Zo ging dat in Israël. En ook nu wordt Jefta met z'n leger met muziek en dans binnengehaald. Ja, het is groot feest.

Maar dan volgt er een hartverscheurend moment. Wie komt daar voorop uit het huis van Jefta? Dansend en zingend met de andere vrouwen achter zich aan? Jefta's dochter, z'n enig kind. "Behalve haar had hij geen zoon of dochter." Het staat er zo heel dramatisch. Dat moet een verschrikkelijk moment geweest zijn. De gelofte van Jefta bederft als een donkere stortregen de feestvreugde. Degene die het eerst uit z'n huis hem tegemoet komt moet geofferd worden aan de HERE. Z'n eigen dochter!

"Zodra Jefta haar ziet, verscheurt hij zijn kleren." Hij denkt meteen aan wat hij beloofd heeft. Hij schreeuwt het uit van ellende: "Ach, mijn dochter, gij buigt mij diep terneer en gij zijt het, die mij in het ongeluk stort; ik heb tegenover de HERE een woord gesproken en kan niet terug". Deze regel van God heeft hij wel goed onthouden. Jefta kent de inhoud van Deuteronomium 23. Als je de HERE een gelofte doet, moet je ook doen wat je beloofd hebt. Als je dat niet doet, dan zondig je. Inderdaad, als je dat zo leest, dan kan hij niet terug.

Gemeente, wat denkt u ervan? Zou Jefta zijn gelofte echt niet terug mogen draaien? Dat is wel een keer gebeurd in de Bijbel. Ook toen ging het om een mensenleven. Koning Saul heeft eens een gelofte gedaan. Het was tijdens een oorlog tegen de Filistijnen. Toen heeft Saul gezegd: "Vervloekt is de man, die spijs eet vóór de avond en voordat ik mij op mijn vijanden gewroken heb". Jonatan had dat niet gehoord. Hij heeft wat honing gegeten. Als dat later bekend wordt, zegt z'n vader: "Jonatan, jongen, je moet sterven". Maar dan komt het volk in actie. En Jonatan wordt uiteindelijk niet gedood.
Zoiets zou hier bij Jefta toch ook best kunnen? Als hij nou voor de HERE op de knieën was gegaan en gezegd had: HERE, ik heb gezondigd, ik had deze gelofte nooit mogen doen, zou de HERE hem dan aan z'n gelofte gehouden hebben? En had de HERE ook niet zelf kunnen ingrijpen zoals bij Abraham die al klaar stond met het mes in de hand?

Maar goed, dat gebeurt niet. Jefta belijdt z'n schuld niet, de HERE grijpt niet in, het volk zegt niets. Alleen de dochter, het slachtoffer, neemt het woord. "Vader, wat u beloofd hebt moet u ook doen." Deze ongetrouwde vrouw blijft blijkbaar heel kalm. Ze schikt zich onder de leiding van de HERE. Ze heeft alleen nog één verzoek: ze wil graag twee maanden uitstel van executie. Dan kan ze met haar vriendinnen haar maagdom bewenen. Ze zal immers niet meer kunnen trouwen en ze zal geen kinderen krijgen. Haar leven zal nooit tot volle bloei komen. Dat is verdrietig. Geen nageslacht krijgen gold vooral in Israël als een zware teleurstelling.

3. De voltrekking van Jefta's gelofte

Zoals Jefta's dochter gevraagd heeft, zo gebeurt het. De vrouwen trekken zich terug in de bergen. Als ze na twee maanden thuiskomen, voltrekt Jefta z'n gelofte aan z'n eigen dochter. Hij offert haar als een brandoffer aan de HERE. Een zwarte dag in z'n leven. Z'n enig kind dood.

Als je de geschiedenis eerlijk leest, dan kun je er niet onderuit. Jefta heeft z'n dochter echt geofferd. Zo heeft de kerk eeuwen lang Richteren 11 gelezen. Maar de laatste eeuwen klinken er ook andere geluiden. Veel uitleggers deinzen terug voor dit gruwelijke offer en proberen het allemaal wat draaglijker uit te leggen. Als u thuis een Korte Verklaring hebt, moet u dat maar eens lezen. De schrijver van het deel over Richteren worstelt met het probleem. Hij zegt heel eerlijk dat alles erop wijst dat de dochter echt geofferd is. Maar dat vindt hij zo erg, dat hij een andere uitleg kiest. Jefta zou afstand gedaan hebben van z'n dochter en haar in de eenzaamheid van de woestijn gestuurd. Een andere uitleg beweert dat ze haar leven lang dienst moest doen bij het heiligdom van de HERE.

Als argument tegen een echt mensenoffer wordt vaak gewezen op het verdriet over het altijd maagd blijven. Maar dat is geen sterk argument, want ook als iemand kinderloos stierf werd er Israël gehuild juist vanwege het ontbreken van nageslacht. De beloofde Messias kan niet geboren worden uit het nageslacht van die mens die kinderloos stierf.

Gemeente, bij de uitleg van de Bijbel mogen we ons niet laten leiden door onze eigen gevoelens. We mogen niet zeggen: Dit vind ik zo verschrikkelijk, het moet vast anders uitgelegd worden. Laten we de Bijbel eerlijk lezen. En dan lezen we dat Jefta beloofd heeft diegene die het eerst uit z'n huis hem tegemoet komt, als een brandoffer aan de HERE te offeren. En hij voltrok zijn gelofte aan z'n eigen dochter. Dat staat er, heel eenvoudig. Verschrikkelijk, gruwelijk, dramatisch, zondig, maar echt gebeurd.

Ja maar, een mensenoffer was de HERE toch een gruwel? Ja, dat klopt. Jefta heeft een gruwelijke zonde gedaan. Maar wat doet zijn naam dan in die rij van geloofshelden in Hebreeën 11? Daar staan toch alleen maar die kopstukken, die grote voorbeelden voor ons? O ja? Was David zo'n brave broeder? Heeft hij geen gruwelijke zonden gedaan? En Simson?
Nee, Hebreeën 11 is geen galerij van heilige boontjes. Het zijn allemaal mensen die gezondigd hebben, maar door het geloof stonden ze recht voor God. Door het geloof mochten ze mooie dingen doen in dienst van de HERE. Onze God doet heel veel goeds door middel van zondige mensen. Ook door middel van u en mij. We zijn geen van alle vlekkeloos en toch schakelt Hij ons in bij het werk in zijn koninkrijk. Wat is dat bemoedigend! We hoeven niet moedeloos te worden als we fouten maken, als we zonden doen. We kunnen verder. Want de HERE gaat met ons verder. Door middel van een zondige richter redt Hij z'n volk Israël.

Het blijft een merkwaardige geschiedenis. En Jefta blijft een vreemde vogel. Maar de HERE gaat door met zijn werk. De hele geschiedenis van het boek Richteren schreeuwt om goede leiders, om een koning. Iemand die het volk van God op het goede spoor houdt. Die hele geschiedenis roept om de grote Koning. Die alle zonden op Zich neemt. Die grote Koning is gekomen. Hij heeft de zonden van Jefta op Zich genomen. Hij heeft onze zonden op Zich genomen. En Hij komt nog een keer om alles recht te zetten. Daar verheugen we ons op.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar