Je bent klaar om te sterven, als je op God vertrouwt

Thema: Je bent klaar om te sterven, als je op God vertrouwt
Tekst: Psalm 73: 26
Tekstgedeelte(n): Psalm 73
Door: Ds. P.P.H. Waterval (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Krimpen aan den IJssel)
Gehouden te: Krimpen aan den IJssel op 20 oktober 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 62: 1, 3-4
Wet
Ps. 119: 21-22
Lezen: Psalm 73
Ps. 73: 10
Tekst: Psalm 73: 26
Preek
Lied 270
Lied 470
Zegen

Geliefde gemeente van de Here Jezus,

Wat een week! Een week van de dood was het. De dood kwam steeds dichterbij. Eerst dat afschuwelijke nieuws van... [ zelf in te vullen ]
Daarna, dichterbij... [ zelf in te vullen ]
En, nog dichterbij... [ zelf in te vullen ]

De dood kan ook heel dichtbij komen, als de dood plotseling of na een lange lijdensweg toeslaat in je eigen familie en zelfs in je eigen gezin. En er komt onvermijdelijk een dag dat de dood ook jou zelf treft. Hoever je ook zou vluchten, zelfs - als je de middelen ervoor had - voorbij de grenzen van ons planetenstelsel, aan de dood kun je niet ontsnappen. Hoeveel ziektes we met al onze kennis en kunde ook in de toekomst nog weten uit te bannen, en hoelang we ons leven ook nog weten te rekken, de dood zullen we nooit definitief kunnen buitensluiten. De bijbel zegt in Hebreeën 9: Eenmaal moet de mens sterven en dan volgt het oordeel. Het is onontkoombaar. Uit stof zijn wij gemaakt en stof zullen we ook weer worden.
En dan is de vraag: hoe ga je daarmee om? Steek je daarvoor je kop in het zand? Denk je er liever niet over na? Omdat jij nog jong bent en jij vast en zeker de negentig haalt? Of geef je toe dat jij ook maar broos bent en hou je er rekening mee dat het in één keer afgelopen kan zijn, zoals bij... [ zelf in te vullen: naam van plotseling overledene ]
Of dat de dood je langzaam afbreekt, zoals bij ... [ zelf in te vullen: naam van overledene ]

Omgaan met de dood van mensen van wie je houdt en nadenken over je eigen sterven, is niet gemakkelijk. Wij mensen zijn oorspronkelijk bedoeld voor een leven zonder pijn, verdriet en sterven. Daarom is het zo moeilijk. De dood is iets vreemds en blijft iets vreemds. Het is niet waar als mensen zeggen: 'de dood hoort bij het leven'. Inderdaad, na ieder leven volgt de dood. Maar ze horen niet bij elkaar. Hoe moet je omgaan met je eigen broosheid en je sterven?
Over die vraag gaan we nadenken aan de hand van die prachtige woorden van Asaf in Psalm 73.

Het thema van de preek is:

Je bent klaar om te sterven, als je op God vertrouwt

Omgaan met de naderende dood, die vroeg of laat komt. Hoe doe je dat? Daar bestaat geen handleiding voor. Kun je je daarop eigenlijk wel voorbereiden, als gezond mens, voordat je daaraan toe bent? En als je dat probeert, is het dan nog wel mogelijk om nog echt te genieten van het leven? Verlies je dan niet juist alle levenszin? Kun je er als levenslustig mens wel ooit klaar voor zijn?
Zulke vragen liggen voor de hand. Want hoe dat precies zal zijn, sterven, dat weten we niet. En hoe het precies zal zijn daarna, weten we ook niet. Want doodgaan is een eenmalige, niet herhaalbare gebeurtenis. Afgezien voor een paar mensen zoals Lazarus, de jongeling van Naïn, het dochtertje van Jaïrus. Die zijn allemaal voor de tweede keer gestorven. Maar of zij over hun eerste sterven nog dingen hebben kunnen navertellen, dat weten we niet. Sterven is geen aantrekkelijk perspectief. Die doodstrijd. En het besef alles en iedereen waaraan je gehecht bent achter te moeten laten. En toch. Je kunt het ook anders benaderen. Namelijk vanuit wat vertrouwen geeft, wat je wel zeker weet en wat wel standhoudt. Door de dood heen.
'Al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken', zegt Asaf in het eerste deel van vers 26. Waarover heeft hij het hier eigenlijk? Vlees betekent hier je lichaam. Dat kan door van alles bezwijken. Door ouderdom en slijtage, door een slopende ziekte, of door de klap van een tegenligger. Door wat voor oorzaak ook, ons lichaam bezwijkt een keer.
Bij de uitdrukking het bezwijken van het hart denk je al gauw aan een hartinfarct of hartstilstand. Daar zijn al heel wat mensen aan bezweken. Je lichaam kan zo moe worden van alle inspanning en stress, dat je hart het opgeeft. Zo in één keer. Toch gaat het bij deze uitdrukking niet om een hartinfarct of -stilstand. Het woord hart slaat hier niet zo zeer op die bloedpomp in je borstkas, maar op je innerlijk. Voor de joden was het hart het centrum van de mens, waar al zijn gedachten en gevoelens ontstonden en lagen opgeslagen. Als het hart bezwijkt, verlies je als persoon alle houvast, alle moed en vertrouwen. Je voelt jezelf wanhopig en verloren. Dat kan gebeuren bij ernstige depressiviteit. Mensen die dat overkomt, verkeren in diepe ellende. Het gaat ook vaak gepaard met een diepe geloofscrisis. Je raakt alle vertrouwen kwijt. Je kunt niet meer bidden. Gods liefde zegt je niets meer. Dat kan je als gelovig mens overkomen. Gods kinderen zijn door hun geloof niet opeens supermensen geworden, die nooit last hebben van twijfel, ergernis en aanvechting. Als je hart bezwijkt, heb je het gevoel niet meer verder te kunnen. Je kunt het leven niet meer aan. Je gaat door een diep dal.
Ook Asaf is door een diepe geloofscrisis heengegaan, waarbij hij God bijna vaarwel had gezegd. In vers 3 zegt hij dat hij jaloers is geweest op de hoogmoedigen. Hij irriteerde zich te pletter aan de voorspoed van de goddelozen, zij die zich van God niets aantrokken. Hij zag hoe goed het hen ging. Hun lichamen zagen er perfect uit. Het ging hun in alles voor de wind. Zij kleedden zich met trots en geweld. Niemand maakte hen wat. Met hun brutaliteit hadden ze de halve wereld. Alsof ze het levensgeluk zelf in handen hadden en zich alle moeite van het lijf konden houden. Ze daagden de gelovigen uit: God maakt me niets, Hij weet niets van wat ik doe. En het geweten dan? Daarvan hadden de goddelozen blijkbaar helemaal geen last. Asaf wel. Volgens vers 14 de hele dag, vanaf 's morgensvroeg. Nooit kon Asaf zeggen: ik ben rein, volstrekt rechtvaardig voor Gods aangezicht. Hij was geprikkeld en verbitterd. De duivel trok uit alle macht aan hem om God de rug toe te keren. En het had niet veel gescheeld. Zijn hart was er bijna onder bezweken.
Zo kan het een mens vergaan. De bodem zakt weg onder je voeten. Je dreigt in elkaar te klappen. Fysiek, doordat je lichaam wordt afgebroken door een dodelijke ziekte. Je vlees gaat bezwijken. Of geestelijk door een depressie, of een geloofscrisis. Je hart bezwijkt. Je raakt je houvast kwijt. Je wereld stort compleet in. Je vraagt je wanhopig af: wat houd ik over, waar is God? En als Hij er is, kan ik dan voor Hem bestaan? Hoe kan ik Hem zo onder ogen komen, op de puinhoop van mijn leven? Laat het maar afgelopen zijn!

Maar voor Asaf was het niet afgelopen. Hij zegt: God is de rotssteen van mijn hart en mijn erfdeel, voor eeuwig. Asaf heeft ervaren dat aan onze kant alles kan bezwijken. Ons vlees, ons hart. Maar God bezwijkt niet. Nooit. Asaf zoekt zijn kracht niet bij zichzelf. Niet in de mens dus. Want hij weet: ik houd niets over. Alles valt weg. Behalve God. Hij blijft staan. Hier zie je de kracht van het geloof. Het geloof is een relatie waarbij iemand anders voor jou instaat. Alles wat je hebt, kan als een kaartenhuis ineenstorten: je goede gezondheid, je carrière, je gevoel, je ervaring, je kennis, je christen-zijn en noem verder maar op; het houdt geen stand. Dan komt het op geloof aan, op je band met de Here. En dan zal Hij zich bewijzen in zijn trouw. Dan is God je rotssteen.
De rotssteen is het beeld van de onwankelbaarheid. Die krijg je met geen mogelijkheid in beweging en gaat niet kapot. Hij staat er. Hij ligt er, de eeuwen door. De rots is ook het beeld van de veiligheid. Zeker als met het Hebreeuwse woord hier de holte in een rots bedoeld wordt, wat goed mogelijk is. Dan is de rotsteen hier de grot waarin je veilig kunt schuilen, waarin je geborgen bent. Het lijkt misschien oneerbiedig wat Asaf hier doet. God vergelijken met een rotsformatie, maar de bijbelschrijvers zijn daarin heel vrijmoedig. Ze gebruiken allerlei beelden om Gods zorg en hulp te verduidelijken.
Zo is het ook met het beeld van het erfdeel. Het ziet op wat er gebeurde bij de inbezitneming van het land Kanaän, toen aan elke stam een stuk van het land werd toebedeeld dat God van te voren had bepaald. We moeten dan vooral denken aan wat de Here zei toen de stam Levi aan de beurt was: "Ik ben uw deel en uw erfdeel onder de Israëlieten" (Numeri 18: 20). Het kan ook zijn dat Asaf dacht aan de later in zwang geraakte jaarlijkse toewijzing van de percelen voor de landbouw, waarbij de inwoners van de steden en dorpen hun akkers kregen. Deze toewijzing waardoor men voor een jaar lang het gebruiksrecht kreeg, geschiedde door loting. Het lot wees dan aan welk stuk grond men kreeg, een goede akker of niet. Het erfdeel is dus de toegewezen akker. De boer die dagelijks zijn akker bewerkt en voor wie zijn welvaart afhangt van de opbrengt, krijgt met zijn erfdeel een hechte band. En daarom getuigt het van een nauwe band van vertrouwen en afhankelijkheid, als Asaf hier God zijn erfdeel noemt. Wat er ook mag gebeuren, God staat voor mij in. Als mijn kracht bezwijkt, dan is altijd God er nog en Hij laat me niet los.
Let goed op de volgorde. Er staat namelijk: mijn erfdeel is God. Dat betekent: ik heb geen ander erfdeel dan Hem. Hij is de enige. Hoe een mens ertoe komt om dat te zeggen? Ook dat is het geloof. Het geloof richt zich op de enige die echt betrouwbaar is en machtig genoeg om te helpen: God. Dat heeft Asaf ook zo ervaren, toen Hij God bijna kwijt was. In vers 23b zegt hij het: U hebt mijn rechterhand gevat. Asaf was in het heiligdom geweest, de tempel. Daar had hij het offer gezien dat de priester bracht. Waardoor er verzoening met God tot stand kwam. In de tempel leerde Asaf weer wat geloven is, dat hij niet af moest gaan op wat hij met zijn ogen kon zien van het geluk van de goddelozen. Dat dat zogenaamde geluk maar heel betrekkelijk, was. Hij had eigenlijk maar heel oppervlakkig gekeken. Hij leerde weer zien dat echt geluk ligt in de goede afloop, en dat het met de goddeloze niet goed afloopt. Dat die de verzoening van het offer mist en voor God niet kan bestaan. Asaf komt opnieuw onder de indruk van Gods genade en liefde. God bewees zich aan hem weer als zijn rots en zijn erfdeel. Dat hebben wij ook nodig. Met de komst van Jezus loopt er vanuit de tempel een lijn naar het kruis, die andere betere offerplaats. In het offer dat daar gebracht werd, ligt ons erfdeel voor altijd vast en is de genade zo zeker en zo sterk en zo veilig als een rots. Door Jezus Christus is de weg naar God definitief open. Hij is de rots van ons behoud. Als alles wegvalt, houdt Hij je staande.
En dat geldt voor eeuwig, zegt Asaf. Met andere woorden: er komt geen einde aan. Er zijn geen omstandigheden waarin dit niet waar is, waarin de Here geen rots meer voor ons is. Als gelovige kun je het zicht op de rots wel kwijt raken. Dat kan, dat je de nabijheid van God totaal niet meer ervaart. Maar dat betekent niet dat de Rots er niet meer is. Het gaat er om van wie we het verwachten en waar we het zoeken. In onszelf of bij de mensen om ons heen. De Here blijft. Hij garandeert onze veiligheid. Wat Hij met ons begonnen is, laat Hij niet zomaar liggen.
Als je de dingen zo ziet, kun je je ook nu al goed voorbereiden op je dood. Dan gebeurt het namelijk niet uit angst voor wat er komt en angst om alles te verliezen. Maar dan is er een vast vertrouwen in Hem die je vasthoudt. De levende band met God in Christus, die je dagelijks mag hebben, maakt je klaar om ook door die allerlaatste fase heen te komen. Natuurlijk, je weet niet wat er allemaal in die fase met je zal gebeuren. Maar wat je wel zeker weet is dat de Here nu al trouw is en van je houdt. Dat verandert bij het sterven niet. Hij helpt je erdoor heen. Wat Asaf belijdt over zijn God, mag je daarom op jezelf toepassen. Het is tegelijk ook een belofte van God voor jou. Daardoor zegt de Here tegen je: "Ook al bezwijkt je vlees en je hart, Ik niet, ik ben de rotssteen van je hart en je erfdeel, voor eeuwig."

Amen.

Gebed

Onze Vader in de hemel,

Wat zijn we rijk te mogen weten dat U nooit wegvalt. Alles om ons heen valt ooit weg, ons lichaam wordt ooit afgebroken, we kunnen onze verstandelijke vermogens kwijtraken. We kunnen voor ons besef U kwijtraken. Maar U raakt ons niet kwijt. Geen ziekte, en geen dood kan ons definitief scheiden van U. U houdt ons vast. En daar willen U voor prijzen en danken. Wilt U ons geven dat we de band met U intens mogen beleven, en daarvan kunnen genieten. Zodat als de dood zich aan ons opdringt om ons heen en ook ons eigen sterven nadert, wij niet hoeven wanhopen, maar mogen uitzien naar een ongestoord leven met U.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar