Ik geloof in de vergeving van zonden (Deel 1: Schuldbesef - vergeving begint bij een gebroken en verbrijzeld hart)

Thema: Schuldbesef - Vergeving begint bij een gebroken en verbrijzeld hart
Tekst: Psalm 51: 19
Tekstgedeelte(n): Psalm 51
Door: Ds. J.M. Oldenhuis (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Brunsum)
Gehouden te: Sauwerd op 11 februari 2001
Zuidwolde op 26 augustus 2001
Opmerking JMO: Deel 1 in een serie van 4 over vergeving met als titel Ik geloof in de vergeving van zonden. De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen:
Ik geloof in de vergeving van zonden - 1: Schuldbesef - vergeving begint bij een gebroken en verbrijzeld hart
Ik geloof in de vergeving van zonden - 2: Genade - maar God is groter dan ons hart
Ik geloof in de vergeving van zonden - 3: Vergeef elkaar - vergeving in de gemeente
Ik geloof in de vergeving van zonden - 4: Vergeven, dwang of drang - moeten vergeven
Extra: Samenvatting en verwerkingsvragen geschikt voor gebruik thuis en in de gemeente

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 116: 1, 3, 10
Schuldbelijdenis en genadeverkondiging
Lied 175: 1, 3
Gebed
Lezen: Psalm 51
Ps. 51: 1-2, 6
Tekst: Psalm 51: 19
Preek
Ps. 25: 3
Wet
Ps. 25: 5
Gebed
Collecte
Ps. 130: 1-2
Zegen

(in een middagdienst vervalt de schuldbelijdenis en genadeverkondiging met het erop volgend lied en kan na de preek worden volstaan met het zingen van Ps. 25: 3; wanneer orde van dienst B gevolgd wordt (wet aan het begin) is het aan te raden om Lied 175: 1, 3 te zingen na de wet als inleiding op het gebed om vergeving)

Ik geloof in de vergeving van zonden

Ik geloof de vergeving van de zonden. Zo staat het in de Apostolische Geloofsbelijdenis. De woorden maken we ons eigen als we in de kerk de Geloofsbelijdenis uitspreken of zingen. Ik geloof in de vergeving van zonden. Wat is geloof? Geloof is zeker weten en vast vertrouwen. Ik weet zeker, dat er vergeving van zonden is. Ik vertrouw er op, dat er vergeving van zonden is. Vergeving van mijn zonden. Vergeving van andermans zonden. Zo zeggen wij: ik geloof in de vergeving van zonden. Geloof is ook een keuze. Geloven is ook zeggen: daar ga ik voor. Ik kies voor de vergeving van zonden. Ik ga voor de vergeving van zonden. Ik geloof in de vergeving van zonden. Het betekent ook dat je zegt: ik kan niet zonder de vergeving van zonden, ik vind in de vergeving van mijn en andermans zonden mijn houvast voor een heel leven lang. Zo zeggen we: ik geloof in de vergeving van zonden. En waar begint dan de vergeving van zonden? Dat is de vraag die vandaag centraal staat. En het antwoord vinden we in Psalm 51: 19: vergeving van zonden begint bij een gebroken en verbrijzeld hart. Schuldbesef, daarover gaat de preek.

Schuldbesef, hebben wij dat?

Vergeving begint bij een gebroken en verbrijzeld hart. Wat je ook van David kunt zeggen: deze man is kapot van z'n eigen misstappen. Zijn zonde staat hem levensgroot voor ogen. Zijn berouw is groot. Dat raakt meteen bij ons de vinger op de zere plek. Kennen wij nog wel zulk schuldbesef? Ja natuurlijk, we balen ook wel eens van een fout. Moet niet weer gebeuren, zeggen we dan. Maar zo, zoals David: een verbroken en verbrijzeld hart. Zo schuldig voelen wij ons vaak niet. Dat vinden we ook niet altijd nodig, want God vergeeft onze zonden toch wel. Waarom zou je je dan zo schuldig moeten voelen? Ja, dat is de vinger op de zere plek. Ik denk, dat wij mensen liever wegvluchten voor onze schuld. We hebben zo onze vluchtmechanismen. We ontwikkelen ze al van jongsaf aan. We zeggen: iedereen is toch zondig, iedereen doet toch verkeerde dingen, dus daar kunnen die van mij nog wel bij. Iedereen liegt wel eens. Iedereen ontduikt wel eens de belasting. Iedereen gebruikt wel eens scheldwoorden. Het is dus niet zo erg wat ik heb gedaan. Of we zeggen: er zijn verzachtende omstandigheden. Ik was wel dronken, maar het was zo gezellig daar. Ik deelde een klap uit, maar hij zat ook zo te klieren. Ik pest wel eens die jongen in mijn klas, maar het is toch zo'n rare snijboon. Het is dus niet zo erg wat ik heb gedaan. Dat is allemaal wegvluchten voor je schuld. En dan lezen we Psalm 51: 19 over een gebroken en verbrijzeld hart. Er hoort een verhaal bij deze psalm. Het verhaal van David en Batseba. Mooie vrouw, denkt David. Ik wil haar. Van het een komt het ander. Zwanger. Maar ze heeft een man, Uria. Een plan, doortrapt maar het werkt. Uria sterft aan het front. Moord dus. En dan Psalm 51. David vlucht niet weg voor zijn schuld. Hij zegt niet 'ach, iedereen doet toch wel eens wat, iedereen gaat toch wel eens wat te ver in z'n verliefdheid'. Hij zegt niet 'maar ze was ook zo knap, zo'n mooie vrouw, ik zag haar baden vanuit m'n raam en toen was er geen houden meer aan, het ging allemaal vanzelf'. Nee, geen excuses voor David, niks verstoppertje spelen, niks voor z'n schuld weglopen en wegvluchten. Een gebroken en verbrijzeld hart. Ik ben schuldig. En ik ben er kapot van.

Schuldbesef, wat is het?

Maar wat is dat eigenlijk, schuldbesef? Wat is eigenlijk 'berouw hebben'? In een catechisatieboekje kwam ik een verhaal tegen naar aanleiding van de vraag 'wat is schuldbesef'. Het gaat om de bekende engelse predikant Charles Spurgeon die in de 19de eeuw leefde. Een van z'n gemeenteleden had teveel gedronken en Spurgeon ging erheen. De predikant zei: we gaan samen bidden, maar dan moet u het gebed doen'. De man begon: Here, ik ben gisteravond uit geweest en in een verkeerde kroeg terecht gekomen. Dat is geen bidden, riep Spurgeon, dat moet u overdoen. Here, ik ben gisteravond met een paar slechte vrienden op stap geweest. Nee, riep Spurgeon, dat is geen bidden. Maar hoe dan, lispelde de man. Nou, zei Spurgeon, je moet bidden: Here, ik ben gisteravond dronken geweest, wilt u het mij vergeven? Kijk, zo gaat het nou vaak. De man in dit verhaal had geen besef van schuld. Hij voelde geen berouw. Op z'n hoogst had hij door, dat er iets niet goed zat. Maar schuldbesef is dat je zegt: ik heb gefaald, ik ging in de fout, ik schiet persoonlijk tekort. Wat voor verzachtende omstandigheden je ook kunt bedenken. Vergelijk het met financiële schuld, een geldschuld. Misschien zijn er wel meer mensen die ook een geldschuld hebben, groter dan die van jou, maar dat maakt jouw schuld niet kleiner. Die blijft even groot. Het is jouw persoonlijke schuld. En dat zie je duidelijk bij David in Psalm 51. In vers 5 en 6: mijn overtredingen, mijn zonde, ik heb gezondigd. En er komt dan iets bij: het is niet genoeg dat je alleen maar weet dat je schuldig bent. In hetzelfde catechisatieboekje van zonet wordt nog een verhaal verteld. Een dominee komt op bezoek bij een vrouw die in het dorp bekend staat als roddelaarster. De vrouw zegt ergens in het gesprek: och dominee, ik ben ook maar een zondares. En de dominee zegt: ja, dat heb ik gehoord. Waarop de vrouw fel uitschiet: wie heeft er over mij gekletst. Deze vrouw zei dus maar wat. Misschien wist ze in haar hoofd wel, dat ze zondig was, maar ze voelde er niks bij. Dan meen je het ook niet echt, als je zegt: ik ben zondig of ik heb schuld. Maar in de Bijbel is schuldbesef een zaak van het hart. Vandaar Psalm 51: 19: een gebroken en verbrijzeld hart. Je voelt je schuld echt. Het raakt je diep. Je bent er innerlijk kapot van. Je meent het echt. Je hebt er echt verdriet van. Dat is schuldbesef en dat is berouw: ik weet het, ik voel het en het doet mij echt wat.

Schuldbesef, tegenover wie?

En tegenover wie hebben we dan dat schuldbesef? Dat is de volgende vraag. En het is een belangrijke vraag. Soms weet je drommels goed, dat je de fout bent ingegaan. Er was bijvoorbeeld een gesprek, er vielen harde woorden, je ging te ver, je hebt iemand gekwetst. En je baalt ervan. Schuldbesef: ik ging in de fout, ik weet het. Berouw: ik voel het echt. Maar op wie is je schuldbesef gericht? Op die ander: ik heb hem gekwetst? Of op jezelf: ik viel door de mand, die ander zal me wel niet meer zo aardig vinden? Ik denk, dat het vaak zo gaat: dat schuldbesef alleen gericht is op een ander. Of dat je 't vooral voor jezelf erg vindt. Dan is Psalm 51 ook weer zo opvallend. David is in de fout gegaan tegenover Batseba. Zij draagt zijn kind. En dat kind zal sterven, heeft God gezegd. En David heeft met een doortrapt plannetje Uria de dood in gestuurd. Op wie is Davids schuldbesef gericht? Op Batseba, op Uria, op zichzelf? Nee, David gaat naar God en hij zegt in Psalm 51: 6: tegen u en tegen u alleen heb ik gezondigd. Ik ben tegenover God tekortgeschoten. Ik heb God gekwetst. Dat is schuldbesef volgens de Bijbel: ik heb God pijn gedaan. In het Nieuwe Testament maakt Paulus het onderscheid tussen droefheid naar de wereld en droefheid naar Gods wil (2 Korintiërs 7: 10). Droefheid naar de wereld is dat je steeds in kringetjes om jezelf heen draait: ik vind het voor mezelf zo erg. Zelfbeklag, zelfmedelijden. Schuldbesef alleen gericht op jezelf, op de ander. Die droefheid leidt nergens toe, zegt Paulus. Droefheid naar Gods wil is het besef, dat je God verdriet hebt gedaan. Je vindt het voor Hem erg. Ik heb tegen u gezondigd. Die droefheid leidt tot heil, zegt Paulus. En dat moeten we maar vasthouden: werkelijk berouw is gericht op God. En gezond schuldbesef ontstaat pas in de ontmoeting met God. Pas tegenover Hem zien we, wat we echt gedaan hebben. Pas tegenover Hem zien we de ware grootte van onze schuld. En dat betekent, dat we altijd de gang naar Jezus' kruis zullen moeten maken. Dat is misschien een wat grote sprong ineens. Maar daar ontmoeten we God. Daar gaan we pas beseffen, wat we hebben gedaan en wie we zijn geworden. Jezus Christus hangt daar leeg te bloeden, en alsof dat nog niet erg genoeg is wordt Hij ook nog door God verlaten. En dat was voor mij! Ik merk, dat we het vaak moeilijk vinden om dat te zeggen. Jezus' dood was voor de zonden van alle mensen, zeggen we dan. Maar laten we er niet voor weglopen en onszelf erin oefenen. Schuldbesef: het was voor mij! Here God, tegen u en tegen u alleen heb ik gezondigd!

Schuldbesef, waarover?

Tegenover God gaan we echt onze schuld beseffen. Onder aan het kruis van Jezus Christus gaan we pas echt onze schuld zien. Maar wat zien we dan? Oftewel: waarover hebben we schuldbesef, waarvan hebben wij zo'n berouw? Ik wil drie dingen noemen. In de eerste plaats: we hebben schuldbesef over concrete, aanwijsbare zonden. Zoals het bij David het geval is. David maakte zich schuldig aan overspel met Batseba en aan moord op Uria. Dat zijn de zonden die hem steeds voor ogen staan en die hij bij God brengt. Schuldbesef heeft dus betrekking op aanwijsbare zonden. Woorden, daden en ook gedachten, waarvan je weet: daarmee overtreed ik Gods wet. We kunnen het allemaal voor onszelf wel invullen. We noemen deze aanwijsbare fouten 'zonden', als we daarmee Gods wet overtreden en de band met Hem breken. Want dat is zonde: de band met Hem breken. Zonde is dus niet een keer onfatsoenlijk zijn geweest, je een keer niet netjes hebben gedragen. Zonde is verzet tegen God. Dus: in de ontmoeting met God gaan we onze zonden zien, de aanwijsbare overtredingen van Gods wet. Maar er is meer. In de tweede plaats zien we in de ontmoeting met God, dat we ook zonder iets aanwijsbaar fout te hebben gedaan ook schuld kunnen hebben. Paulus zegt in Romeinen 13: 8: God vraagt liefde in zijn wet, dus wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben. Schuldig ben je ook, als je nalaat een ander liefde te betonen. Ik doe niet mee aan pesten, maar ik zeg er niks van. Ik steel niet, maar ik geef niks in deze collecte. Ik lieg nooit, maar ik kom niet op voor de eer en goede naam van die ene medemens. Je hebt iets niet gedaan en dat is juist het probleem. In de ontmoeting met God ontwikkel je dus ook schuldbesef over dingen, die je had moeten doen, maar hebt nagelaten. Maar het gaat nog dieper. In de ontmoeting met God zie je vooral, dat je zondig bent. David zegt in Psalm 51: 7: zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. Dat is heel iets anders dan zeggen: ik ben nou eenmaal zondig. Kan ik niks aan doen. Nee, mijn daden zeggen wat over mij: ik ben zondig. Was mij, reinig mij, zegt David. En daarmee zegt hij: niet alleen mijn daden zijn vies, maar ik ben vies, ik ben zondig. Het zit diep van binnen mij. En dat is nou zo erg. Want God heeft mij zo anders bedoeld. Heel en gaaf, puur en zuiver. Volmaakte liefde. Zo had Hij mij bedoeld. Maar kijk, hoe ik geworden ben, hoe diep ik ben gezonken: besmeurd, gebroken, vies, zondig. Dat is het derde: het schuldbesef van de Bijbel is zelfkennis. Zo ben ik geworden, zo diep ben ik gezonken.

Schuldbesef, waarom?

En dan nu de laatste vraag: waarom is het nodig om schuldbesef te hebben, waarom begint vergeving bij een gebroken en verbrijzeld hart? Al pratend en denkend zouden we met elkaar de indruk kunnen krijgen, dat schuldbesef een voorwaarde is om vergeving te ontvangen. Je moet eerst diep doordrongen zijn van je zonde en schuld en dan pas staat God met zijn vergeving klaar. Zo wordt er ook vaak over gepraat: schuldbesef als voorwaarde. Berouw en inkeer als voorportaal van het heil. Maar dan wordt het een griezelig gebeuren. Dan wordt het doodeng in de kerk. Vergeving verwordt tot een stappenplan: eerst dit en dan dat. Dan gaan we erop hameren: je móet eerst diep door het stof gaan. En vergeving wordt de wenkende lekkernij waar we nooit aan toe komen. We praten elkaar een schuldgevoel aan. Het gebeurt te vaak. We kunnen elkaar er mee voor het leven beschadigen. Ik ben nietig en slecht, ik schiet eeuwig tekort, ik blijf altijd onder de maat. Daartegen moeten we in verzet komen. Zo niet! Niet voor niks is de kern van deze preek en van Psalm 51, dat we ons schuldbesef in de ontmoeting met God onder woorden brengen. Wij staan tegenover God. En God wil ons niet platslaan, Hij wil ons verheffen. Schuldbesef is geen voorwaarde om vergeving te krijgen. Maar we kunnen ook niet zonder. Laat ik dat met een vraag proberen duidelijk te maken. Is mijzelf ziek voelen een voorwaarde om hulp te krijgen van een dokter? Moet ik mij eerst ziek voelen om daarna beter te worden? Ik hoop, dat u nu zegt: wat een rare vraag. Natuurlijk ga je pas naar een dokter, als je ziek bent. Natuurlijk moet je eerst ziek zijn om beter te worden. Zo is het ook bij God. Als ik bij God kom zonder te zeggen wat mijn probleem is, hoe kan Hij mij dan helpen? Schuldbesef is geen voorwaarde om vergeving van God te krijgen, maar zonder schuldbesef zullen we nooit vergeving ontvangen. Het gaat om gelijktijdigheid. Zoals bij David: was mij, reinig mij, help mij, want ik ben vies en zondig. En de gelijktijdigheid brengt hij onder woorden in Psalm 51: 19: een gebroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God. Gelijktijdigheid. Het een blijft niet zonder het ander. Geen vergeving zonder schuldbesef. Maar: ook geen schuldbesef zonder vergeving. God wil ons niet platslaan, maar verheffen!

Uitleiding: vergeving begint bij een gebroken en verbrijzeld hart

Zo komen we aan het eind. Vergeving begint bij een gebroken en verbrijzeld hart. Geen vergeving zonder schuldbesef. Geen schuldbesef zonder vergeving. Hoe zou ik ooit de vreugde van Gods vergeving kunnen beleven, als ik niet weet wat mij vergeven moet worden? Dus train jezelf erin. Ga je kinderen erin voor. Benoem zonden. Benoem tekorten. Loop niet langer voor jezelf weg. Kom er maar voor uit: zo diep ben ik gezonken, Here God. Tegen u en tegen u alleen heb ik gezondigd. En ervaar de opluchting: ik hoef niet met mezelf te blijven rondlopen, ik hoef mezelf niet te verstoppen, niet tegenover God, ik hoef niks verborgen te houden. Alles van mij mag er zijn voor God. Ik sta tegenover God. Hij wil mij niet platslaan, maar Hij wil mij verheffen. Een gebroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God!

Amen.

Gebed van schuldbelijdenis


[ Hier kan gebeden worden het gedicht 'Wedergeboorte' uit: Jaap Zijlstra, Inkeer. Gevolgd door 'Amen'.]

Genadeverkondiging

Gemeente van Christus,
Luister naar het goede nieuws van Gods genade voor u en jullie allen. 'Wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld' (1 Johannes 2: 1-2). Wie in vertrouwen een beroep doet op Jezus' lijden en sterven, wordt door de Vader niet afgewezen. Een verbroken en verbrijzeld hart veracht de HEER niet (Psalm 51: 19). Dit verzeker ik u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen!

Gebed na de preek

Vader in de hemel, als het gaat over schuld voelen we ons snel ongemakkelijk. Misschien zelfs ergeren we ons aan wat wij noemen een deprimerende boodschap. Verlos ons, Heer, van onze onzuivere denkpatronen. Leer ons onze schuld altijd en alleen maar tegenover u onder woorden te brengen. U bent de God van liefde en genade en een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God. Vader, vaak lopen we ervoor weg, verdoezelen we onze schuld. Het brengt ons niet verder. Of we praten elkaar een schuldgevoel aan. We praten wel eens wat te veel en zwijgen te weinig. Leer ons de weg naar u zoeken. Bij u zijn we altijd aan het goede adres. Zo kennen we u en we zeggen uw grote naam dank.
Voor elkaar bidden wij u: [ hier eventueel voorbede vanuit de gemeente invoegen ]
Voor de wereld bidden wij u: [ hier eventueel voorbede voor wereld en samenleving invoegen ]
Zo leggen we onze levens en onze zorgen bij u neer. Hoor ons, Vader, uit genade.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar