Beleden zonden zijn vergeven zonden

Thema: Beleden zonden zijn vergeven zonden
Tekst: Psalm 32: 5
Tekstgedeelte(n): Psalm 32
Door: Ds. S. de Jong (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Assen-Kloosterveen)
Gehouden te: Buitenpost, Harlingen, Ferwerd, Helpman, Leeuwarden, Nijega in de periode 1996-99

Aanwijzingen voor de Liturgie

Ps. 65: 1
Ps. 65: 2
Lezen: Psalm 32
Gez. 17: 1-4
Tekst: Psalm 32: 5
Gez. 36: 2-3
Ps. 32: 1, 5

Gebedspunten

Bidden voor mensen die:


Gemeente van Jezus Christus,

Er zijn mensen - misschien kent u ze wel, of misschien bent u zelf wel een van hen - van wie bekend is, dat ze het heel erg moeilijk kunnen hebben met hun zonden. Sommigen zelfs zo erg, dat ze er nog nooit met iemand over hebben durven praten.
Dat kan gaan om een bepaalde -voor hun gevoel hele erge- zonde, die ze een keer, of een paar keren, in hun leven gedaan hebben. Maar de gedachte daaraan komt telkens weer bij hen boven, en de vraag: "zou God mij die zonde van toen en toen wel willen vergeven?", kunnen ze maar niet kwijtraken.
Hierbij kan het trouwens net zo goed gaan om zonden, waar mensen niet een enkele keer, maar heel regelmatig mee geconfronteerd worden: boezemzonden, zeg maar: 'verslavingszonden'.
Mensen die daar mee te kampen hebben - en wie van ons heeft dat eigenlijk niet? - kunnen maar niet van zich afzetten, dat ze alweer die ene zonde hebben gedaan, waarvan ze zich de vorige keer nog zo stellig hadden voorgenomen om het niet weer te doen, en waarvoor ze ook weet-ik-al-niet-hoe-vaak om hebben gebeden.
Met als gevolg dat ze maar blijven piekeren... en voordurend lopen te twijfelen: "wil God mijn zonden eigenlijk nog wel vergeven... ik doe het toch min of meer opzettelijk en... als het me dan toch telkens weer overkomt, ben ik dan eigenlijk nog wel een echte gelovige?
De mensen, waar ik het tot nu toe over heb gehad, hebben hun zonden aan God voorgelegd. Zij zitten over de vergeving in.

Maar er zijn genoeg mensen die dat eerste niet doen - die hun zonden niet aan God voorleggen.
Sommigen van hen wekken -in ieder geval op het eerste gezicht- de indruk gewoon niet al te veel over hun zonden na te denken, laat staan daarover te gaan piekeren.
Natuurlijk bidden ze wel regelmatig: 'vergeef ons onze zonden die ons weer aankleefden' of iets wat daarop lijkt, (dat hoort immers zo) maar - als je het ze op de man af zou vragen - dan kunnen ze nauwelijks concreet maken wat het betekent dat zij "met schuld bedekt en door duizend zonden misvormd te zijn", om het met de woorden van gezang 17 te zeggen.
Zij kunnen dat niet.

En dan zijn er ook nog mensen, die wel kunnen, maar die niet willen.
Die -als ze diep in hun hart kijken- van zichzelf wel weten dat ze verkeerd bezig zijn, maar dat niet willen toegeven. Die hun eigen zonden via allerlei slimme redeneringen naar de achtergrond weten te verdringen. "Laat die mensen eerst maar eens naar zichzelf kijken, het zijn zelf ook niet van die besten" zo redeneren ze bijvoorbeeld. Of ze hebben onbewust iets over zich van: "de soep zal op de jongste dag wel niet zo heet gegeten worden als die in de Bijbel opgediend wordt."
Met alle gevolgen van dien. Je zou met de Dordtse Leerregels kunnen zeggen: "Sommige mensen oefenen zich (daardoor) een tijdlang niet meer in het geloof; ze brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer." (Om over erger nog maar te zwijgen).

En nu is het mooie van Psalm 32 dat hij tegen al die mensen waar ik het over gehad heb, wel wat te zeggen heeft. David heeft, zoals die in vers 6 zelf zegt, voor "iedere vrome" wel een boodschap, als het gaat om 'zonde' en 'vergeving'

Ik heb die boodschap voor u samengevat onder het thema:

Beleden zonden zijn vergeven zonden

De preek is opgebouwd rond twee punten:

  1. De enghartigheid van de mensen als het op het belijden van zonden aankomt
  2. De ruimhartigheid van God als het op het vergeven van zonden aankomt


1. De enghartigheid van de mensen als het op het belijden van zonden aankomt

David bevond zich in een uitgelaten stemming, toen hij zich neerzette om deze 32e psalm te dichten. Dat kun je zo tussen de regels wel horen. Hij noemt in vers 7 God "een schuilplaats die hem bewaart voor benauwdheid" en hij heeft het over "jubelzangen van bevrijding die hem omringen".
David kon het wel uitschreeuwen, zo gelukkig was hij: hij voelde zich innerlijk rustig, zat zogezegd lekker in zijn vel en kon alle mensen weer recht in de ogen kijken.
"Weer recht in de ogen kijken" - ja, want dat had hij namelijk lange tijd niet gekund.
Wat was hij er de laatste maanden beroerd aan toe geweest. Wat had hij zich ook vaak schijnheilig gevoeld als hij samen met zijn broeders en zusters naar het huis van God was gegaan om er tot God te bidden, psalmen te zingen en om er naar zijn wet te luisteren.
Hoezo dan? Wat was er dan gebeurd?

David had iets heel ergs gedaan. Wat dat precies geweest is, weten we niet. Hij spreekt in deze psalm heel algemeen van 'zonde', en dat kan van alles zijn. Want... er is nogal wat zonde geweest in het leven van dit kind van God! Hij heeft daar zelf nooit een geheim van gemaakt. Sla de psalmen die hij ons nagelaten heeft er maar op na te. Dan leren we misschien tegelijk onszelf kennen.
In Psalm 25 heeft David het bijvoorbeeld over zonden, die hij gedaan heeft toen hij nog in de puberteit zat: "Denk niet aan de zonden van mijn jeugd en mijn overtredingen". Nou, wie van ons kan zich daar niets bij voorstellen: puberaal gedrag tegenover je ouders, zonden uit je verkeringstijd, dingen die niet door de beugel konden in je levensstijl toen... wie weet er niet van mee te praten?
In Psalm 51 gaat David nog verder terug in zijn leven en komt hij zelfs met zijn zondigheid als baby op de proppen. Daar zien wij wel niks van, maar daarom kan het er nog wel zijn. Denk maar eens aan een druppel bloed. Met onze ogen valt er niets verkeerds aan te zien, maar bekijk je diezelfde druppel bloed vervolgens door een microscoop, dan zie je het ineens wel: 'vol ziekteveroorzakende bacteriën'. Zo moeten wij ons ook voorstellen wat David hier zegt: "in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen". Wij met onze ogen zien het misschien niet aan zo'n onschuldige baby, maar God met zijn microscopische blik wel.
En dat geldt natuurlijk het hele leven.
Zo kan David in Psalm 38 tot de uitspraak komen: "Mijn ongerechtigheden zijn over mijn hoofd gegaan, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden". David was er zich dus heel goed van bewust, dat hij heel wat verkeerde dingen in zijn leven had gedaan. Hij zag zich als mens voor God staan "misvormd door duizend zonden".
En op een van die zonden doelt hij hier in Psalm 32. Zoals gezegd - wat het precies is geweest weten we niet; daar laat hij zich niet verder over uit.
Alhoewel... een klein tipje van de sluier krijgen we door hem wel opgelicht. Het moet in ieder geval iets heel ergs zijn geweest: David heeft zwaar tegen God gezondigd. Dat mogen we opmaken uit het feit dat hij hier het woord "overtreding" gebruikt. Dat is in de bijbel namelijk een heel sterk woord om iets wat verkeerd is mee aan te duiden. Er zit iets in van: tegen God in opstand komen, rebellie plegen. Zo kunnen we op een gegeven moment de vrienden van Job horen zeggen: "Bij zijn zonde voegde Job nog een overtreding door een groot woord tegen God te hebben". Dat Job zondigde was al erg genoeg, maar dat hij nu ook nog een overtreding beging... dat was wel het toppunt!
Verder mag je uit het woord "ongerechtigheid" dat David hier gebruikt zo goed als zeker concluderen dat David willens en wetens heeft gezondigd. Als dat woord in de bijbel wordt gebruikt is er namelijk in 9 van de 10 gevallen opzet in het spel.
Dus David heeft heel erg en bewust tegen de Here gezondigd.

Toch - en dat zal ons misschien op het eerste gehoor wat raar in de oren klinken - dat was nog eens niet het allerergste. Het ergste was dat David er niet aan wilde dat hij gezondigd had. Hij wilde geen schuld belijden. Hij "zweeg" erover zegt vers 3.
Terwijl die drommels goed wist dat hij op de verkeerde weg zat, deed hij alsof er niets aan de hand was: hij bad nog even rustig als altijd voor en na het eten, hij ging iedere sabbat trouw naar de tempel en had door de week ook nog hele vrome gesprekken op de Torah-studievereniging over de positie van de vrouw en een nieuwe Torah-vertaling.
Maar... het was niet echt. David leefde als het ware een dubbelleven. Uiterlijk zag niemand wat aan hem maar in zijn binnenste wist David heel goed dat hij verkeerd zat en dat hij gezondigd had. Er was "bedrog in zijn geest" noemt vers 2 die houding van David.
Zoals wij dat ook wel kennen. Is er ook bij ons vaak niet een verschil tussen wat we zeggen en wat we denken, tussen de theorie en de praktijk? Lijken we in sommige opzichten eigenlijk allemaal niet een beetje op wat Jezus noemde een 'gepleisterd graf': mooi aan de buitenkant, maar als men binnenin kon kijken...
En terwijl we vaak bij anderen dan feilloos weten aan te wijzen wat verkeerd is - lijkt het wel of -als het onszelf betreft- er bij ons iets geblokkeerd wordt.

Toen aan Adam gevraagd werd: "Heb jij van de boom gegeten, waarvan Ik je verboden had om te eten?", toen was zijn antwoord niet: "ja Here dat heb ik gedaan", maar om zijn eigen zonde te maskeren zei hij: "De vrouw, die U aan mij gegeven hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik maar gegeten".
En vanaf dat moment zit die moeite, om openlijk voor onze zonden uit te komen, ons als het ware in het bloed.
Al vanaf kindsbeen aan. Denk maar eens aan de reactie van kinderen, die door hun moeder aangesproken worden op een stuk speelgoed dat ze stukgemaakt hebben. In negen van de tien gevallen zal de reactie zijn: "dat heb ik niet gedaan, dat heeft hij gedaan".
Er is niemand die gemakkelijk van zichzelf toegeeft dat hij iets verkeerds heeft gedaan, die belijdt dat hij gezondigd heeft. Dan maar "bedrog in onze geest". Zoals bij David.
Hoewel het hem bepaald niet lekker zat dat hij gezondigd had, kon hij er maar niet toe komen om voor God schuld te belijden. Hij "zweeg" erover. Met alle gevaren voor zijn geloofsleven die dat met zich mee bracht.
Later zou zijn zoon Salomo daar een van zijn spreuken aan wijden: "Wie zijn overtredingen belijdt en nalaat, vindt ontferming maar wie ze bedekt, zal niet voorspoedig zijn".
Wie weet: misschien had hij toen wel zijn vader op het oog. Want die zou als geen ander ervaren hoe zijn leven -nadat hij geweigerd had om voor zijn zonden uit te komen- bepaald niet meer voorspoedig verliep.

De Here liet het er in zijn geval namelijk niet bij laten zitten. "Dag en nacht drukte Zijn hand op David" lezen we in vers 4. En als het in de bijbel gaat over de hand van de Here die op iemand drukt, dan heeft dat altijd een negatieve klank. Denk maar eens aan de geschiedenis van de ark toen die een tijdlang in het land van de Filistijnen was gestationeerd. Voor straf -zo staat er dan- "drukte de hand van de Here zwaar op hen" en wat dat betekende volgt er direct na: "God verbijsterde hen en sloeg hen met builen".
De hand van God kan iemand ongenadig treffen. En dat gold ook in het geval van David. Wat het voor hem voor gevolgen had, kunnen we lezen in de omliggende verzen: "zolang David bleef zwijgen, kwijnde zijn gebeente weg onder zijn voordurende gejammer" (vers 3) en "verdroogde zijn merg als in een zomerse hitte" (vers 4). David werd ziek! Omdat hij zijn zonde tegenover God niet beleed strafte Deze hem met een ernstige ziekte.
Tussen twee haakjes: dat is geen algemene regel. U moet nu niet gaat denken: waar ziekte is, is zonde. Het gaat God hier heel duidelijk om David. Via hem wil God de mensen laten weten dat er zonder schuldbelijdenis geen vergeving mogelijk is.
Dat het daar om gaat, blijkt ook wel uit het vervolg van het verhaal. Want door schade en schande wijs geworden geeft David uiteindelijk toe. Vers 5: "Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheden hield ik niet meer stil, ik zei: ik zal de Here mijn overtredingen belijden". Dat was nou precies wat God van David wilde horen. Daarom was het Hem allemaal begonnen geweest. God had David als het ware op de knieën gedwongen, omdat Hij wilde dat David zijn schuld tegenover Hem beleed.
Want alleen beleden zonden zijn vergeven zonden.

Dat brengt ons gelijk bij het tweede punt van de preek:

2. De ruimhartigheid van God als het op het vergeven van zonden aankomt

Wat bleek namelijk? David was nog niet uitgesproken of God had hem zijn zonde ook al vergeven. En korte tijd later was hij ook van zijn ziekte genezen.
Dat wat David zich in vers 5a had voorgenomen: "ik zal de Here mijn overtredingen gaan belijden" wordt direct gevolgd door zijn blijde uitroep: "U vergaf mijn schuld en zonde". Daar zat niks tussen!
"Davids stem" -merkt Augustinus bij dit vers op- "had nog niet geklonken of de wond in zijn hart was ook al genezen". En dat is wel iets om even langer bij stil te staan.

Want wat wij misschien verwacht zouden hebben gebeurt niet: er klinken van Gods kant niet eerst allerlei verwijten. Zo van "zie je wel, Ik had het je toch gezegd... had het nu maar gelijk gedaan" of: "ga jij nu eerst maar eens..." Nee, zodra David zijn zonde voor God had beleden, heeft Deze hem ze ook al vergeven. God vergaf David die hele zware opzettelijke zonde in een keer zonder het minste verwijt en zonder ook maar de geringste tegenprestatie te verlangen.
'Overtreding' zo zei ik zopas - is in de bijbel een sterk woord. Maar 'vergeving' is in de bijbel een niet minder sterk woord. Er zit iets in van 'met kracht wegwerpen'. 'Vergeven' betekent zoiets als dat God onze schulden met kracht wegwerpt. Zover dat ze niet meer te zien zijn: "zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons."
Datzelfde geldt ook voor de opmerking van David dat zijn zonden 'bedekt' zijn. U moet zich dat zo voorstellen: God neemt de zonden van David allemaal samen, smijt ze in een diepe put en doet er een deksel op, zodat Hij ze niet meer kan zien: Davids zonden zijn 'bedekt'. Wie gezondigd heeft, hoeft niet te blijven piekeren en tobben over de vraag of God hem die zonde van toen en toen nog altijd aanrekent.
Die zonden zijn vergeven, daar komt God nooit weer op terug.
Als we ze maar wel voor Hem belijden!

Daar doelt David in vers 6 ook op als hij de wens uitspreekt: "laat iedere vrome tot U bidden ten tijde dat Gij U laat vinden".
Dat klinkt ons misschien op het eerste gehoor een beetje raar in de oren. Net alsof God maar een bepaalde tijd heeft waarop Hij voor ons beschikbaar is, een soort spreekuur. Maar zo is het hier niet bedoeld. Dat weten de kleuters al. Jullie hebben op school toch dat mooie lied wel geleerd: "als je zoekt dan zul je vinden, als je klopt aan de deur zal Hij opendoen".
Dat klopt precies: God heeft geen spreekuur, Hij staat altijd voor ons klaar. Ieder moment van ons leven en elk uur van de dag is Hij bereid om onze zonden te vergeven.
Straks als wij de kerk uitgaan, vanavond als je alleen op je slaapkamer zit, of morgen als je in het centrum loopt. Beleden zonden worden door de Here ten allen tijde en maar al te graag veranderd in vergeven zonden.
Niet zomaar. God doet dat vanwege zijn Zoon!
Omdat Hij toen op Golgota voor onze zonden zo zwaar heeft moeten boeten wil God ze ons nu zo royaal en ten allen tijde vergeven.
Is dat niet iets grandioos, broeders en zusters?

"Dat heet nu grondelooz' ontferming
dat genade, rijk en vrij!
God schenkt redding en bescherming,
schenkt z'aan zondaars, schenkt z'aan mij."
(Gez. 36: 3a, Gereformeerd kerkboek)

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar