Het goede woord van de machtige Schepper brengt ons tot een gebed

Thema: Het goede woord van de machtige Schepper brengt ons tot een gebed (zomertijd)
Tekst: Psalm 19: 15
Tekstgedeelte(n): Psalm 19
Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op 20 juli 1995

Aanwijzingen voor de Liturgie

1. Ps. 18: 1-2, 5
2. Ps. 18: 9
3. Lezen: Psalm 19
4. Ps. 19
4. Tekst: Psalm 19: 15
5. Ps. 31: 2, 14
6. Ps. 147: 4, 7

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

Als je met vakantie bent, kun je soms opeens aan God denken. Tijdens een bergwandeling kom je bij een uitkijkpunt. Je bent verrukt over het uitzicht. Wat is de Schepper groot!
Laat op de avond loop je nog even op het strand. Het is inmiddels donker. Maar aan de lucht pinkelen miljarden lichtjes. Wat is dit mooi!

Zo net hebben we Ps. 19 gezongen. Het ruime hemelrond van vroeger is eruit. Maar het firmament is ook prachtig. Waar dacht u aan, toen u dat zong. Zag u de sterrenhemel al vóór u?

Maar wie van u denkt in de bergen of op het strand tegelijk aan Gods wet? Niemand, denk ik. U vind het, vermoed ik, een vreemde vraag.
De wet: daarin staat wat je moet en vooral wat je niet mag. Daar houden wij ons in de winterperiode nogal mee bezig. Maar in de vakantie raakt dat op de achtergrond. Er hoeft dan niet zoveel. En als je geniet van de natuur, denk je alleen aan de grootheid en aan de goedheid van God. De wet, dat wil zeggen dat God streng is. Dat moet ook wel eens, maar nu even niet.

Wat vindt u er trouwens van, dat wij in deze zomerperiode in de middagdiensten de wet behandelen?
Waarschijnlijk hebt u daar niet over nagedacht. Die Catechismuszondagen zijn gewoon aan de beurt. Maar als u mocht kiezen of als de kerkeraad besloten had om de Catechismusprediking tijdens de vakantieweken stop te zetten, wat had u daarvan gevonden?

In Psalm 19 begint David met de natuur, maar opeens gaat hij over op de wet. Daar hebben wij een prachtige dogmatische verklaring voor: God openbaart Zich in de schepping, maar Hij maakt Zichzelf nog duidelijker aan ons bekend door zijn Woord. Zie Artikel 2 NGB.
Dat is de leer. Maar het leven lijkt anders. Zo eenvoudig staan die twee manieren waarop God Zich bekend maakt blijkbaar toch niet naast elkaar.

U begrijpt nu ook, dat veel uitleggers er moeite mee hebben dat één psalm eerst over de natuur gaat en direkt daarna over de wet. Er is zelfs iemand, die er doodleuk twee psalmen van maakt. De beide stukken, zo zegt hij, zijn ten onrechte tot één geheel gemaakt. Zover zal, denk ik, geen van u gaan. Maar is deze psalm wel een eenheid?
Ik vind van wel en ik hoop, dat ik dat u kan laten zien.

De boodschap van de preek vat ik zo voor u samen:

Het goede woord van de machtige Schepper brengt ons tot een gebed

  1. Wij vragen om vergeving
  2. Wij vragen dat aan onze Verlosser

1. Wij vragen om vergeving

De hemel heeft iets te vertellen. Het uitspansel, de lucht, heeft een verhaal. Een verhaal over God. Over de geweldige positie die Hij heeft. Over wat Hij heeft gemaakt. Hebt u wel eens een pottenbakker bezig gezien?
Je ziet onder zijn handen een prachtige vaas ontstaan. Onder de handen van God ontstond op de vierde scheppingsdag het onmetelijk heelal. Je mag het niet vergeten als je vandaag naar de sterrenlucht kijkt. Dit is het werk van een bijzonder kunstenaar: God.

De hemel vertelt. Zo ervaart David dat. En op een manier, die wat vreemd op ons over komt. Als de dag en de nacht nu iets tegen ons zeiden. Of als de nacht nu iets aan de dag vertelde. Die volgt daar immers direkt op. Maar het valt David op, dat iedere dag en elke nacht steeds weer hetzelfde verhaal doorgeeft.
Natuurlijk, er zijn verschillen, maar de overeenkomst is veel groter. Hetzelfde bericht over God. Zoals de Israëlietische grootvader, vader en zoon ook alle drie dezelfde dingen van God zeggen.
Er bestaat een belangrijke overlevering onder Israël.
Maar er is ook overlevering in de lucht. Alsof die elkaar opvolgende dagen en nachten praten. De mond van de woensdag staat niet stil, terwijl de donderdag luistert en de vrijdagnacht rapporteert enthousiast aan de zaterdagnacht.

Zo zeggen wij het niet. Het is al heel wat als wij stil worden en bij de branding of op een hoge heuvel denken aan God. Wij kennen dat ook niet zo, dat luisteren naar opa en vader. Wij halen onze kennis uit de boeken. Zelfs de dominee en de leraren op school zetten ons aan het lezen. Misschien kent u Artikel 2 van de NGB. Daar staat, dat de schepping voor onze ogen is als een prachtig boek. Daarin zijn alle schepselen, groot en klein, de letters. Zij laten ons lezen wat we anders niet zouden zien: de altijd aanwezige kracht en de verhevenheid van God.

Eén van die letters is de zon. U weet, dat die zon gewoon een grote ster is en dat er nog veel meer andere zonnen zijn. Maar dat wisten de Israëlieten niet en de Egyptenaren evenmin. De Egyptenaren waren zo onder de indruk van de zon, dat ze er een god van maakten. Ze hadden tempels waarin de zon, als die haar hoogste punt had bereikt, door een opening in het dak loodrecht naar beneden scheen. De zon zorgde voor licht, elke dag weer. De zon zorgde voor een heerlijke warmte. De zon liet de planten en de bomen groeien. Op het heetst van de dag bogen de Egyptenaren zich in diepe eerbied voor de zonnegod neer.

Maar voor David is alleen God God. Daarom schijnt voor hem de zon ook niet vanuit een hemels paleis, zoals in zijn tijd anderen het zien. In het hemelse paleis woont God. De zon heeft een tent. Een tent in het verre Oosten. Je kunt de zon nooit vergelijken met God.

En toch is die zon een prachtig schepsel.
'De zon is een bruidegom', zegt David, 'die voor het eerst bij zijn bruid geslapen heeft.' De jongeman wordt wakker. Wat een geweldige nacht. Hij kan zijn geluk niet op en het hele leven wel aan. Let u eens op de zon. Staat u maar vroeg op om de zonsopgang te zien. U ziet dan hoe de zon haar komst aankondigt. De ochtend gloort, het wordt licht. Volg de zon dan eens in haar loop. Trekt u daar maar rustig een dag voor uit. Dan ontdekt u, dat de zon een enorme tocht maakt. Een geweldige klimpartij, van heel laag in het Oosten naar heel hoog in het middaguur. En wat een afstand: van het Oosten, Japan, naar het Westen, de Verenigde Staten. Ja, de zon komt overal en overal waar zij komt, wordt het licht. Zij lijkt op een dappere commandant, voor wie iedere vijand op de vlucht slaat en bang voor is. Waar de zon verschijnt verdwijnt het donker. Wie is er niet bang voor? De zon niet. Wie op de hele wereld wordt er door haar niet verwarmd?

De zon komt in elk werelddeel, in elk land. Maar daarmee komt het verhaal dat die zon vertelt ook in iedere streek. Het is een merkwaardig verhaal. Het zijn geen woorden, die je hoort, als plotsklaps de zon door de wolken breekt. Maar het is wel veelzeggend, als je ergens op de wereld de deur van een hut opendoet. Het zonlicht valt meteen naar binnen. Dankzij de zon kunnen de mensen zien, hun gereedschappen zien, de weg vinden, elkaar zien en van elkaar genieten. Een onmisbaar kado, die zon, iedere dag weer.

Maar dan begint David opeens over de wet.
Wij worden er door overrompeld. De zon, daar genieten wij van. Maar van de wet niet. Eerlijk is eerlijk. We hebben het wel voor God over. We luisteren er elke zondagmorgen welwillend naar. We willen de meeste geboden, als het enigszins kan, ook wel opvolgen. Maar genieten van de wet? Nee, dat doen we niet.

Maar David trekt zich van onze bezwaren niets aan. Hij is, zo kun je merken, weg van de wet. Hij geeft er hoog van op. Verschillende namen geeft hij haar: wet of instructie, getuigenis of overeenkomst, bevelen, gebod, vreze des Heren oftewel een manier om je respekt voor God te tonen, verordeningen of bepalingen. Allerlei goede eigenschappen somt hij van de wet op. De wet maakt je vitaal, geestelijk vitaal en dat is vast en zeker de bedoeling.
Je wordt er een sterk kind van God van. De wet is betrouwbaar. Als je je eraan houdt, mag je aan het eind van je leven naar God en als Jezus terugkomt, ben je welkom in een gave wereld. Je wordt er ook wijs van. Je ontwikkelt een extra antenne voor wat je zelfs in ingewikkelde situaties het beste kunt doen. De geboden van de Here zijn bovendien rechtvaardig. Als je doet wat Hij zegt, doe je geen mens tekort. De wet is zelfs kostbaarder dan goud en je geniet er meer van dan een Israëliet van de wilde honing.

Dat klinkt mooi.
Je verwacht het ook wel een beetje, dat in de bijbel met veel enthousiasme over de wet gesproken wordt. En toch, het zijn onze woorden niet. Blij met de wet? Blijer dan met een heleboel geld op de bank? En wie geniet er nu meer van de wet dan van lekker gebak?
Wanneer dan? 's Zondagsmorgens, als je in de kerk naar de Tien Geboden luistert? Kom!

Ja, de zon, daar genieten wij van. Niet te lang natuurlijk en ook niet te heet. Toch: een zonnige zomer geeft ons een goed gevoel. Maar de wet?

Maar de zon vertelt een verhaal. En overal waar de zon komt, zou dat verhaal moeten worden gehoord. Maar dat is niet zo. Dat komt niet doordat de zon niet praat. Dat is helemaal niet nodig. Het komt doordat de mensen zich niet openstellen voor haar signalen, omdat de moraal van haar verhaal hen niet zint.

Maar wat heeft God nu gedaan?
Hij is gaan spreken. Hij is zich uit gaan drukken in woorden, die mensen gebruiken, die kleine bewoners van die ene betrekkelijk kleine planeet. Hij, die anders door zon, maan en sterren elke dag liet zien wie Hij was. Zijn oog viel op een man in Ur. Die man liet Hij tot een heel volk worden. En dat volk sprak Hij toe vanaf een berg in de Sinaïwoestijn. Op die sprak Hij hun leider nog uitgebreider toe. En zo kwam naast de overlevering van de dagen en de nachten een overlevering van woorden op gang. Dit deed God met de andere volken niet.
Als die zo verblind waren dat ze Hem in de natuur niet konden ontdekken, dan moesten ze het voorlopig zelf maar weten. Maar Israël, dat was Gods lievelingsvolk.

David beseft dit en daarom spreekt hij ook zo lovend over de wet. Hij weet, dat je zonder God in dit leven vastloopt. Hij weet, dat de wet de weg naar het leven is. Als de Israëlieten zich eraan houden, gaat het goed in het land. Je kunt blij zijn met goud en genieten van honing, maar wat is het waard als vijanden de pas binnengehaalde oogst in één keer wegroven?
Wat heb je daaraan, als God je om je ongehoorzaamheid straft, als Hij zijn gezicht voor je verbergt?

En die wet van God, daar zijn wij nog steeds goed mee uit. U moet eens denken aan een sportvereniging. Het is een club die vanzelf is ontstaan en geen bijzondere regels kent. Maar op zeker moment gaat alles mis. De onderlinge verhoudingen verslechteren. Er wordt niet goed meer getraind en er worden nog weinig wedstrijden gewonnen. Dan gaat een aantal leden aan de gang om een paar goede regels te bedenken. Ze doen een voorstel en dat voorstel wordt door de vereniging aanvaard. De regels worden in de praktijk gebracht. De clubleden houden zich eraan.
En dan gaat alles opeens veel beter.

Zo moet u de wet van God zien. Er is al een aantal geboden waaraan wij ons houden zonder dat we ons dat bewust zijn. Stel eens dat we het niet zouden doen. En denkt u zich eens in, dat we op zondag geen rustdag zouden houden of dat wegeen respekt zouden opbrengen voor mensen die iets over ons te zeggen hebben. Stel je voor, dat je niet om de ander denkt en dat je liegt, als het je uitkomt, zou het daar allemaal beter van worden?

Wat David over de wet zegt, is terecht.
Als je er maar aan wilt! En het is kortzichtig om te denken, dat je beter veel geld op de bank kunt hebben of lekker gebak eten. En de natuur waarin je de grootheid van God ziet heeft meer met de wet te maken dan jij had gedacht. Het is groots, dat God mensen die geen woord nodig zouden moeten hebben toch zoveel woorden geeft.

Maar wat is nu het merkwaardige?
In vers 12 verandert opeens de toon van de Psalm. Die toon wordt nu heel serieus.
'Ik laat mij door uw wet ernstig vermanen,' zegt David. Die wet maakt mij voorzichtig. Ik pas voortaan goed op, dat ik niets doe wat U niet goed vindt. Dat zegt David, omdat hij weet dat God gehoorzaamheid beloont.

Alleen, doen wat God zegt, dat is niet gemakkelijk. Al zijn we ons dat niet altijd bewust. Je denkt bijvoorbeeld, dat je die ander goed geholpen hebt. Maar je vroeg je niet af of hij het wel leuk vond, dat je hem hielp. Waarom kwam die vraag niet bij je op? Omdat je gauw voor iemand klaarstaat en dat is positief.

Maar je kunt er natuurlijk wel een kanttekening bij plaatsen. Waarom zul jij het beste weten, waar hij mee geholpen is? Dan schuift toch je eigen ikje naar voren. Misschien kom je daar nooit achter. Niettemin wijk je af van de koers waarvan God wil dat je die volgt. Hij geeft hem kwaliteiten en jij ziet er zomaar aan voorbij. En zo is er zoveel waarbij je eigen ik zich ongemerkt doet gelden.

David weet dit. 'Hij is een man naar mijn hart', zei God indertijd al tegen Samuël.' In het gevecht met Goliath verwachtte de jonge David het niet van zijn eigen behendigheid, al had hij die. David was als koning een goede rechter. Hij had een speciale antenne voor wat goed was en wat niet. Toch wist hij dat er veel fout ging, ook al kon hij dat niet altijd aanwijzen.

Zo loopt dit mooie lied uit op een vraag om vergeving.
Je verwacht, dat deze Psalm eindigt met een opwekking om hoog op te geven van God. In een paar psalmen over de schepping en ook in sommige psalmen over de wet kom je die aansporing tegen.
Maar hier niet. De grootheid en goedheid van God, die u ziet in de natuur én in de wet brengen u tot een gebed.
Het is ook te gek: je kunt dag en nacht zien dat God er is en je hebt ook nog de bijbel en toch doe je zoveel zonder Hem. Ja, ongemerkt. Maar dat is nog erger. Je ziet al niet eens meer, dat het niet klopt.

Niet voor niets noemt David zich in deze Psalm heel bescheiden Gods knecht.

'Spreek mij vrij God.'
Vrijspraak, dat hoopt een verdachte van de rechtbank te krijgen. Dat de rechters uitspreken, dat er geen gronden gevonden zijn waarom hij schuldig is. God is onze belangrijkste rechter.
Een rechter, die ongelooflijk veel ziet. Je zou er haast bang van worden. 'Here doe alsof ik het allemaal niet doe.'

Maar daar volgt nog iets op. Wij denken vaak, dat wij het na het gebed om vergeving hebben gehad. God is weer goed op ons. Dat is natuurlijk wel zo, maar er valt meer te zeggen. Als je bewust om vergeving vraagt, ontdek je ook hoe zwak je bent.

'Bewaar uw knecht voor overmoed,' zegt David.
Overmoed, dat is het ergste wat er kan zijn. Je wordt dan je eigen god. Jij zorgt voor jezelf en jij maakt ook uit wat je wel en wat je niet doet. Zover kunt u ook komen. 'Bewaar mij voor overmoed.' Vraag dat aan God.

En dan kom ik bij de tekst die ik als tekstvers gekozen heb. Het gaat daar over de woorden van onze mond en over de overleggingen van ons hart. Die moeten God bevallen. Ook die.

U begrijpt nu waarschijnlijk wel, wat deze woorden als slotwoorden van deze psalm betekenen. Onze woorden en de overleggingen van ons hart, moeten ook die God bevallen?
Maar God zegt:'Kijk eens naar de zon, hoe die staat te stralen. Zegt je dat niets over Mij? Denk aan de wet, die je elke zondag hoort. Waarom zou je ertegen ingaan?

Het goede woord van de machtige Schepper brengt ons tot een gebed. 1. Wij vragen om vergeving. 2. Wij vragen dat aan onze Verlosser.

2. Wij vragen dat aan onze Verlosser

David raakt niet verlamd. Dat overkomt ons wel eens. 'Ik kan het niet', zeggen we dan tegen onszelf.

Maar David gaat naar God.

Zijn belangrijkste reden daarvoor vindt u in de allerlaatste regel van deze Psalm.
'O Here, mijn rots en mijn verlosser.'
Een rots, dat is een schuilplaats. Een plek, hoog in het gebergte waar niemand je vinden kan en als men je vindt, ziet men maar dat me je krijgt.
'U bent mijn steenrots,' zegt David in Psalm 31: 3.
Als je het moeilijk hebt, kun je naar God toe. Je bent dan veilig. God is ook je bevrijder. Dat heeft David gemerkt, toen hij achtervolgd werd door Saul en later door Absalom. Op onverwachte momenten, als David het niet meer zag zitten, gebeurde er iets waardoor Saul plotseling wegtrok.

David wist, dat die ellende niet te wijten was aan God. Het kwam door de zonde van Israël. Een volk krijgt een koning die het verdient. Bij Absalom zat Davids eigen zonde erachter. Toch heeft God David gered.

God wil u redden, als u dat vraagt. Voor wie maakte Hij deze wereld? Voor wie doet Hij de zon opgaan? Voor wie is zijn wet?

Maar het belangrijkste is, dat Hij Jezus Christus heeft gestuurd. Eigenlijk stelt Psalm 19 nog een vraag. Er is blijkbaar vergeving en kennelijk wil God ook voor zonde bewaren, maar waarom?
Om Jezus' wil! God is Schepper, Hij is Wetgever, maar Hij is ook Verlosser. Om Jezus' wil!

Hoe kun je nu op het strand of in de bergen tegelijk denken aan de wet van God?
Het is waarschijnlijk de angst dat we geconfronteerd worden met het verkeerde in ons. Daarom willen we alleen aan Gods grootheid en aan zijn goedheid denken. Maar die angst hoeft er niet te zijn. God is uw Schepper, Hij is uw Koning, maar Hij is ook uw Bevrijder.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar