Vreugde en smart (Deel 2: Word, samen met je Schepper, oud)

Thema: De ouderdom komt met gebreken
Tekst: Prediker 12: 1-7
Tekstgedeelte(n):

Prediker 11: 7-12: 14
2 Korintiërs 4: 16-5: 10

Door: Ds. J.W. Roosenbrand (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Groningen-Oost)
Gehouden te: Groningen-Oost op 19 juli 1998
Opmerking RJCV:

De delen van de prekenserie Vreugde en smart zijn als tweeluik bedoeld:
Deel 1: Wees, samen met je Schepper, jong!
Deel 2: Word, samen met je Schepper, oud

Extra: Samenvatting van de preek

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Votum en zegengroet
  2. Ps. 31: 1-2, 4
  3. Gebed 1
  4. Lezen: Prediker 11: 7-12: 14; 2 Korintiërs 4: 16-5: 10
  5. Ps. 31: 6, 10-11
  6. Tekst: Prediker 12: 1-7
  7. Preek
  8. Gez. 22: 3-4, 6
  9. Geloofsbelijdenis van Nicea
  10. Gez. 22: 7
  11. Gebed 2
  12. Collecte
  13. Ps. 73: 9-10
  14. Zegen

Gebed 1


De ouderdom komt met gebreken. Zo zeggen we dat. Een spreekwoord. Ja, we willen allemaal misschien wel graag oud worden, maar oud worden is leuk, maar oud zijn is een hele opgave. Anderzijds zeggen we ook: krakende wagens lopen het langst.

Spreekwoorden, waar dienen die eigenlijk voor?

Ze geven een typering van het leven, van een stuk van het leven. Het is soms verrassend om via een spreekwoord iets heel treffend te kunnen opmerken, ja, zo is het precies, zeggen we dan. Een spreekwoord geeft iets van de vreugde van het snappen van het leven. Ze maken je wegwijs. Ze geven je houvast. Hou er rekening mee. Het gaat niet meteen om geboden, om wat nou goed is of verkeerd, maar gewoon: 't is maar dat je het weet.

De ouderdom komt met gebreken. Neem nou dat spreekwoord. Wat zeggen we daarmee?
Je kunt het tegen jonge mensen zeggen, als je zelf oud geworden bent. Jongen, 't is niet alleen maar leuk, om oud te worden, 't is een hele opgave.
Zo'n spreekwoord kun je ook gebruiken om wat begrip te kweken voor oudere mensen, die niet altijd meer zo plooibaar zijn, en die niet meer overal tegen kunnen, je hebt al zo veel te verduren. De ouderdom komt met gebreken, kun je dan zeggen. Heb er wat begrip voor, oordeel niet zo heftig over oude mensen.

Zo staan er in de bijbel ook hele passages van die levenswijsheid. Ik denk aan het boek Spreuken. Zo is er ook het boek Prediker. Een wijsheidsboek, van iemand die het leven wilde begrijpen, die er een lijn in wilde ontdekken, die er diep over heeft nagedacht en die van alles tegen kwam wat nergens op sloeg, wat hij niet kon plaatsen. Waar hij van wakker lag. De Prediker heeft vooral die laat ik maar zeggen negatieve kant van het leven neergezet, in zijn spreuk: ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. 't Is maar dat je het weet. Overschat het leven niet. Het leven is niet zo maakbaar als soms wel gedacht wordt. Sluit je ogen er niet voor.

Op die manier wil ik vandaag stilstaan bij Prediker 12, het slot van zijn boek. In het gedeelte hiervoor spreekt Prediker vooral de jongeren aan, mensen in de kracht van hun leven, en hij wekt ze op om er wat van te maken, juist omdat het leven al vluchtig genoeg is, voor je het weet ben je oud en gebrekkig, en daarom: geniet van elke dag dat je gezond bent, en zorg dat je wat moois maakt van je korte leven. Want ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.
En vandaag horen we dan wat hij over de ouderdom zegt, de dagen dat je er geen zin meer in hebt. Dat is een stukje levenswijsheid, dat moet je weten, daar moet je je ogen niet voor sluiten, ook niet als je jong bent.
Het is opvallend dat dit gedeelte over de ouderdom, over de aftakeling van het leven, dat dat eigenlijk ook speciaal voor de jeugd wordt opgeschreven. Denk aan je Schepper als je jong bent, zo begint het. Zorg ervoor dat je God kent, dat je eerbied hebt voor Hem, dat je de mooie dingen van je leven ook als een geschenk van Hem aanneemt, dat je Hem ontdekt in de dingen van je leven, ook als je jong bent. Want het leven is eindig, er komt een eind aan alles, en dan sta je weer voor God, dan kun je niet meer om Hem heen.

In de typering die de bijbel hier geeft van de ouderdom, hoor ik op zichzelf al iets van Gods begrip voor ons, voor de kwetsbaarheid van ons leven, voor de vergankelijkheid van ons bestaan. Net zoals in het gedeelte hiervoor in de beschrijving van de mooie dingen van de jeugd je ook kunt merken dat God graag wil dat je jong bent, dat Hij het je gunt, zo kun je in dit gedeelte waarin de aftakeling van het leven op zo'n begrijpende, milde manier wordt neergezet, merken dat God begrijpt hoe moeilijk dat kan zijn.

Dat is dan ook meteen de eerste gedachte die ik naar voren wil halen uit dit gedeelte.

De ouderdom komt met gebreken

  1. Zo'n ontdekking is vol meeleven
  2. Zo'n ontdekking maakt bescheiden
  3. Zo'n ontdekking maakt verlangend naar de komst van Christus

1. Zo'n ontdekking is vol medeleven

Het treft me hoe vol mededogen de beschrijving is van de aftakeling van het leven zoals die hier gegeven wordt. Tenminste, zo vat ik het op, als een dichterlijke en invoelende beschrijving van het toenemende isolement van de ouderdom. Iemand die steeds zwakker, steeds eenzamer, steeds ouder wordt.

Het zijn (vers 1) kwade dagen, jaren waarvan u zegt: ik heb daarin geen behagen. Het hoeft allemaal niet meer. Het leven gaat door, maar er is niets meer aan. Vroeger, ja toen u nog samen was, toen u nog werk te doen had, toen u nog midden in het leven stond, in de samenleving, in de kerk, in uw gezin, maar nu, u hebt er geen behagen in. Het hoeft allemaal niet meer zo nodig.
Ja de zon schijnt nog wel, maar u ziet het niet meer. Misschien worden de ogen minder, sterren in de nacht verbleken, de maan schijnt niet meer voor u. Het wordt donker in het leven. Zelfs na een forse regenbui klaart de lucht niet op, maar de wolken keren terug.
Ja, dat is een treffende typering: het is eigenlijk altijd bewolkt. U snapt wel wat dat betekent: je bent dan niet in vakantiestemming, er hangt altijd wel een bui in de lucht, [ dat is de laatste weken letterlijk zo, ] zo kan het ook zijn als je oud bent geworden, nooit meer onbekommerd, lekker vrolijk zijn, altijd die bedrukte stemming, wat hangt me morgen weer boven het hoofd.

En dan krijgen we in vers 3-4 een ander beeld voor ogen, het lijkt meer op de beschrijving van een uitgestorven dorp. Eerst een drukke bedoening, een uitgebreid huishouden, maar er zijn alleen nog wat oude mensjes over. Zoiets als u misschien in het buitenland wel eens gezien hebt, zo'n uitgestorven dorpje in Frankrijk, of een dorpje in een voormalig oorlogsgebied. Er is geen jeugd meer. Het is uitgestorven. Er gebeurt niks meer. Oude, langzame mensen houden het nog een beetje gaande, maar het lukt amper. De bewakers van het huis zijn kromgebogen, wat eens sterke mannen waren, ze lopen nu met gebogen rug, de meisjes die het meel maalden, ze stoppen ermee, ze zijn met te weinig. Achter de ramen zitten geen leuke meisjes meer, maar vrouwen waar weinig fleur en glans van afstraalt.

Maar in tweede instantie kun je dit ook lezen als de beschrijving van het menselijk lichaam:
de wachters, de bewakers waarmee je je indringers van het lijf hield, dat zijn je armen, waar je je mee verdedigen kon, maar nu beven je armen. De sterke mannen, je benen waarmee je kilometers hebt afgelegd, onvermoeid was je, maar nu: ze krommen zich, ze slepen zich voort. De maalsters die het koren malen, dat zijn je tanden, waarmee je je eten kauwde, maar er zitten er niet veel meer in, een mummelmondje, je kunt in feite alleen nog wat vloeibaars naar binnen werken. En zij die uit de vensters zien (op zich al een mooi beeld voor de ouder wordende mens die steeds meer toeschouwer wordt, wij zeggen: je zit achter de geraniums) maar het wordt een beeld voor de ogen zelf, je ogen verliezen de glans, ze worden doffer.
De deuren die altijd open stonden naar de straat, die altijd wel geluiden opvingen van het leven om je heen, je oren, die je spitste om weer wat nieuws op te vangen, je oren, je hoort steeds minder, en wat wordt het contact met het volle leven dan gering.
Het geluid van de molen verzwakt, je mond, misschien had je je mondje altijd klaar, maar ach, je stem wordt hoog als van een vogeltje, er wordt niet meer naar geluisterd. En voor jezelf raken de tonen gedempt, juist de hoge tonen ga je missen, je mist steeds meer.
Het zijn de dagen dat u vreest voor de hoogte. Elke trap is er een te veel. Ja, zelfs een stoeptegel die scheef ligt en uitsteekt, kan je een gebroken heup opleveren. Je vreest de hoogte, je gaat liever niet meer de straat op, er kan zomaar iets gebeuren. Er zijn verschrikkingen op de weg, alleen al het verkeer. Laat mij maar zitten.
De amandelboom bloeit, ja hoe uitgestorven het dorp ook is, de bomen bloeien in het seizoen, de amandelboom kondigt de nieuwe lente aan, maar die lente komt niet echt. Het is voorbij.
De bloeiende amandelboom, dat zou bij een oude man of vrouw kunnen wijzen op hun witte haar, prachtig zo'n volle kop met grijzend haar.

Maar ja, dat is dan ook net alles. De sprinkhaan sleept zich voort, en de kapperbes helpt zelfs niet meer. Vroeger, toen was je snel en kwiek, je hoefde je handen maar te bewegen en het was geklaard, maar nu ben je een sprinkhaan die zich voortsleept, vel over been, wat erg, eens zo'n bloeiende man of vrouw, en moet je nu eens zien.
En de kapperbes, blijkbaar een middeltje tegen van alles. "Weet je wat je eens moet gebruiken: neem eens wat sap van de kapperbes, of hier eet een handjevol", ach het helpt allemaal niet meer. Er is geen kruid tegen gewassen.

Ja, het is merkbaar wat in het doopformulier stond aan het begin van uw leven, misschien dacht u toen u jong was dat het wat overdreven was, maar nu: inderdaad, het leven is een voortdurend sterven. We zijn onderweg naar ons eeuwig huis.
De mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers gaan al rond op de straten.
In feite ben je al ten dode opgeschreven. De rouwadvertentie is al opgestuurd en de rouwkaart ligt al bij de drukkerij, bij wijze van spreken.
Dat is het leven. De ouderdom komt met gebreken. Voor je het weet is het zover. Denk er maar eens aan als je jong bent. Nu geniet je nog van het licht, nu ben je volop bezig met het inrichten van je huis, met je interieur, je hebt een prachtige lamp gezien, en gekocht en opgehangen.

Maar de tijd komt dat het zilveren koord verbroken en de gouden lamp wordt verbrijzeld.

Weer een prachtig beeld van het leven in zijn schoonheid. Een gouden lamp, een schaal met olie, opgehangen aan een zilveren koord, maar in de loop van de tijd is het koord versleten, het knapt af, de lamp valt op de grond en breekt, de olie loopt weg. Het leven vloeit weg. Het levenslicht dooft.
Het water, je had het altijd bij de hand, je eigen bron, een eigen scheprad, een luxe in die tijd! U kon voor jezelf zorgen, u had het goed voor elkaar. Koel helder water, altijd bij de hand, altijd vers. Maar de kruik waar het water in zit breekt, het scheprad is verrot. Breekt stuk. Het water stroomt weg, het leven vliedt henen.

Hoort u in deze beschrijving het mededogen? Als u zelf oud geworden bent, of u hebt ouders bij wie u dit ziet gebeuren, of je opa en oma, dan herken je dit toch? En hebt u ook dat u in die herkenning iets voelt van mee-lijden, van inleven, van het proberen te vatten hoe het is. Hoe diep het ingrijpt. Hoe een mens steeds eenzamer kan worden, hoe alles wat je opgebouwd hebt afbreekt.
U mag er toch ook in horen dat de HERE ons kent in onze sterfelijkheid, in onze zwakheid, dat Hij daar in de bijbel ook woorden voor heeft laten vinden, die ons treffen, waardoor we ons begrepen voelen, waardoor we misschien een beetje van die eenzaamheid die u zo kan bevangen wordt opgeheven.
Zegt u het maar zachtjes voor uzelf: ja, Here zo is, zo erg is het. Wat fijn dat U me tenminste begrijpt.
En zouden deze woorden, zou deze fijnzinnige beschrijving ons ook niet willen helpen om zelf met invoelvermogen eens naast uw oude naasten te gaan staan? Om zelf ook iets méé te voelen van hoe tragisch dat kan gaan in een leven?

Zou deze beschrijving die strikt genomen juist jonge mensen wordt voorgehouden ook niet bedoeld zijn om je op te wekken ook oog te hebben voor je opa en oma die alleen in huis zitten, voor bejaarden in de kerk, voor mensen die de handen vol hebben aan zichzelf om het afnemen van de gezondheid te verwerken?

De typering van de ouderdom als een ouderdom vol gebreken, die kan ons dus meeleven géven. Meeleven met ouderen, meeleven met kinderen die hun vader of moeder zien wegzinken in dementie, in het niet meer herkennen, in het onmogelijk meer contact krijgen.
Begrip voor het zware werk van mensen in de verpleeghuizen.

2. Zo'n ontdekking maakt bescheiden

Het ontdekken van deze werkelijkheid van het leven, dat de ouderdom met gebreken komt, kan ons ook bescheiden maken. We ontdekken waar het met ons eigen leven naar toe gaat. We ontdekken de ijdelheid der ijdelheden van ons eigen leven, ook als we daar nu nog niet zo heel veel van voelen. Juist door je ogen open te hebben en mee te leven met anderen, met de zwakkeren, met hen die te lijden hebben, juist door bijvoorbeeld te werken in een verpleeghuis, juist door eens in het ziekenhuis op bezoek te gaan bij mensen van de gemeente.
Ja, er zijn ook mensen die zeggen: nee, hoor dat doe ik niet, dat kan ik, daar kan ik niet over. Waarom niet? Grijpt het ons aan, willen die werkelijkheid niet onder ogen zien, onze eigen werkelijkheid?

Is ook de euthanasie in ons land vaak niet opgekomen vanuit diezelfde onwil om te erkennen dat ons leven eindig is en vol gebreken? Ik bedoel dat naar twee kanten. Allereerst naar de kant van de medische wetenschap die soms ongebreideld maar probeert om het leven te rekken, met allerlei technische wondermiddelen die in feite niemand ten goede komen dan alleen de medische wetenschap. Het leven rekken tot het bitterste einde. Begrijpelijk dat daartegen protest komt.
Maar ook naar een andere kant proef ik in de gretigheid waarmee sommigen pleiten voor euthanasie en het soms ook voor zichzelf al ver van te voren geregeld hebben, de onwil om ons te buigen onder de werkelijkheid zoals die sinds de val in zonde geworden is. We willen er niet aan, we duwen het weg uit ons leven. We willen jong blijven en altijd jong zijn, en niet accepteren dat we ouder worden. En als dan de ouderdom met gebreken komt, dan willen er zo snel mogelijk een eind aan maken. We willen er als kinderen geen last van hebben en als ouderen willen we anderen niet tot een last zijn. Want het leven moet vooral leuk zijn.
Dat geldt trouwens niet alleen op het gebied van euthanasie. In het algemeen zit het in ons om vooral jong en gezond te willen zijn. Gezondheid is het hoogste goed geworden van veel mensen, ook van ons, christenen. Het lijkt er soms op dat we hier ons houvast bij zoeken, dat we gezond en sterk zijn. Daarmee steken we de kop in het zand voor de werkelijkheid, want de werkelijkheid is nou eenmaal (zo als de wijsheid ons ook kan leren) dat de ouderdom met gebreken komt.
In plaats van krampachtig ons daartegen te verzetten en ons altijd maar weer jong voor te doen terwijl we in feite echt oud aan het worden zijn, weigeren we ook ons hoofd te buigen onder het juk dat God deze wereld heeft opgelegd.
Prediker zegt niet voor niets dat we onderweg zijn naar ons eeuwig huis. En dat we weer zullen keren tot stof.
Ja, zo zijn we stof en zullen we tot stof weerkeren. Zoals de Here ons gezegd heeft toen we in het paradijs los van Hem wilden komen en onze eigen gang gingen. Stof zijn jullie, nu zullen jullie ook tot stof weerkeren.
Zo is het. Onherroepelijk.

De kwetsbaarheid van het leven, kan ons ook helpen ons te buigen voor God. Zo is het leven geworden door onze zonden, door onze eigenwijsheid. Het eeuwige leven, de eeuwige jeugd hebben we verspeeld.
Buigen we ons hoofd met zijn allen, niet alleen de mensen die het aan den lijve voelen, maar ook de omstanders, de jonge mensen die er getuige van zijn, die hier aangesproken worden, de mensen in de kracht van hun leven, buigen we met zijn allen ons hoofd voor God? Kennen we die houding van ootmoed en bescheidenheid tegenover de God van ons leven?

3. Zo'n ontdekking maakt mij ook verlangend naar de komst van Christus

En gelukkig kunnen we met die verslagenheid, met die nederigheid, met dat gebogen hoofd terecht bij God. Juist als we ons buigen voor Hem, mag ook het verlangen groeien naar het herstel. Herstel dat onbereikbaar is voor mensen die maar een keer leven, herstel dat veel mensen alleen verwachten van de medische wetenschap, maar dat wij als de medicijnen en operaties ons niet verder kunnen helpen, dat wij mogen verwachten van de God van het leven.

Prediker zegt: we zijn onderweg, we gaan terug naar de aarde, stof zijn we en tot stof zullen we weerkeren, en zo gaat de mens naar zijn eeuwig huis. En de geest keert weer naar God die hem gegeven heeft.
Prediker zal hier wel allereerst mee bedoelen, met dat eeuwig huis waar we naar toe gaan, de dood, of het dodenrijk, het graf. Tijdens je leven verhuis je misschien wel tien keer, maar eens komt de laatste verhuizing, en dat is je bestemming voor altijd, daar word je te ruste gelegd, de begraafplaats.
Maar bij Prediker schemert er ook al wel doorheen dat er meer is dan dat: je geest keert terug naar God die hem gegeven heeft. Hoe? Dat blijft hier onbestemd. En misschien dat Prediker zelfs met die terugkeer van de geest naar God ook niet eens meer bedoelt dan dat je ook wat dat betreft terug bent bij af.
Maar voor ons is natuurlijk wat Prediker zegt niet het enige wat we weten over Gods bedoelingen met ons na de dood. We kennen veel beter dan Prediker Christus die de dood heeft overwonnen, die het graf geopend heeft, het graf is niet ons laatste huis, niet onze eeuwige bestemming, want Christus is opgestaan. En Paulus kan daarom zeggen dat we een eeuwig huis hebben bij God in de hemel, niet met handen gemaakt, niet van deze wereld, maar van de toekomstige wereld, van Christus.

Ja, met Prediker zegt Paulus ook dat onze aardse tent wordt afgebroken, en dat de uiterlijke mens vervalt, en dat er een last is van verdrukking.
Maar Hij mag ons dan ook vertellen dat we bij de komst van Christus een volledig nieuw lichaam zullen ontvangen. Dan zal het sterfelijke verslonden worden door het onsterfelijke.
Dat is toch een heerlijke zekerheid bij al onze lichamelijke en psychische klachten? Als we die eerlijk gaan toegeven en niet langer onze kop ervoor in het zand steken, juist dan mag je in Christus' naam uitzicht krijgen op een veel rijkere toekomst.
Zo kan juist de ijdelheid van alle ijdelheden, ons stimuleren om daarbovenuit veel van God te verwachten, van Christus, die de dood zal onttronen, die de ijdelheid te niet zal doen, die de vruchteloosheid, de frustraties weg zal nemen uit ons leven, uit heel de schepping.

In Romeinen 8 wordt het op die manier verder uitgewerkt: die vruchteloosheid hier is een teken dat de hele schepping reikhalzend uitziet naar de komst van Christus wanneer God ons voorgoed tot zijn kinderen zal maken en de schepping zal verlossen van de onderworpenheid aan de vruchteloosheid.
IJdelheid der ijdelheden, dat zal dan een spreuk zijn uit het verleden.
De ouderdom komt met gebreken, zo is het nu nog. Maar dan zal dat spreekwoord zelf verouderd zijn, gestorven en begraven. Om nooit weer op te staan.

Als een mens die sterflijk is
zal 'k tot stof eens wederkeren,
maar door zijn verrijzenis
sta ik op naar 't woord des Heren.
In het rijk der heerlijkheid
blijft een woning mij bereid.

In Jezus' naam.

Amen.


Gebed 2

Aanbidding van de eeuwige God, die er altijd geweest is en altijd zal zijn, die nooit veroudert, De Eeuwig Levende.

Belijdenis van eigen kleinheid, zwakheid, sterfelijkheid.

Voorbede voor ouderen, gehandicapten. Voorbede voor hun familieleden. Voorbede voor mensen in de gezondheidszorg en de verpleging.

Voorbede voor onze maatschappij waarin het leven en gezondheid vaak wordt verafgood. Waarin wat zwak is wordt weggedrukt. Waarin we het leven in eigen hand nemen.

Voorbede voor onszelf: vervul ons met zorg en liefde voor onze naasten.

Bede om de komst van Gods koninkrijk.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar