Johannes ziet het Nieuwe Jeruzalem van God komen

Thema: Johannes ziet het Nieuwe Jeruzalem van God komen
Tekst: Openbaring 21: 9-10
Tekstgedeelte(n): Openbaring 21: 1-2
Openbaring 21: 9 - 22: 5
Door: Ds. S.W. de Boer (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Haren)
Gehouden te: Roden op 10 oktober 1999 (i.v.m. Toerustingsweekend 1999)
Extra: Discussiepunten preekbespreking

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen: Openbaring 21: 1-2;
Openbaring 21: 9 - 22: 5
Tekst: Openbaring 21: 9-10
Zingen: Aanvangslied:
Na de wet:
Na geloofsbelijdenis:
Na schriftlezing:
Na de preek:
Slotzang:
Ps. 62: 1
Ps. 119: 24
Ps. 36: 2
Ps. 122: 1-3
Ps. 43: 3- 4
Gez. 35: 1, 3


Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Geloven = sámen op weg zijn... met God!
Op weg naar de stad, die Híj bezig is te bouwen: het nieuwe Jeruzalem.
Daar zitten twee kanten aan:
We hebben nú al contact met God. Want we zijn samen op weg...!
Maar tegelijk zíjn we er nog niet: we zijn nog samen op weg.
En het is goed om die béide elementen goed vast te houden. Want we leven nu in de láátste dagen. Ná Pinksteren zitten we in het laatste traject. Het laatste traject van die lange weg die 'geschiedenis' heet. Vanaf de schepping tot aan de voltooiing: Gods heerlijkheid die hemel én aarde zal vervullen. En die vervulling komt eraan!

Wij geloven nú. En we beleven ons geloof ook nú! Maar we zijn nog wel ónderweg. En juist dit laatste bijbelboek helpt ons om die béide kanten heel dicht bij elkaar te houden. Want voordat je het in de gaten hebt, ga je ze wat 'uit elkaar trekken'. Dan wordt geloven vooral een kwestie van "hier en nu": híer moet je dat beleven. En Gods beloften worden iets voor láter, waar je nu (nog) niet zoveel mee kunt.
Maar Johannes kreeg zijn visioenen juist met het oog op óns leven en óns geloof. Johannes 1: 1 "... om zijn dienstknechten te tónen hetgeen weldra geschieden moet..."!

Daarom wil ik vandaag met u stilstaan bij het visioen over het nieuwe Jeruzalem.
Ik vat het zo samen:

Johannes ziet het Nieuwe Jeruzalem van God komen

  1. Wat hij ziet komen
  2. Hoe hij het ziet komen
  3. Wanneer hij het ziet komen


1. Wat hij ziet komen

Johannes ziet een visioen. Dat betekent dat er om te beginnen veel symboliek in zit. Een visioen is namelijk iets anders dan de beschrijving van een 'geschiedenis'. Dan vertel je wat er létterlijk is gebeurd. Zoals bijvoorbeeld een getuige van een verkeersongeluk vertelt, wat hij gezíen heeft: inclusief eventueel autokleur, -merk en nummerbord en dergelijke. Dit is een visioen. Dat wil zeggen: de HERE laat Johannes iets zien.
Maar Hij laat iets zíen, wat eigenlijk bóven ons voorstellingsvermogen uit gaat. Want de heerlijkheid die God geeft is iets wat "geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen", zoals Paulus schrijft.
Met andere woorden: wij kunnen ons die toekomstige heerlijkheid niet 'voorstellen'. Het is altijd mooier en overweldigender dan wij in onze stoutste fantasie kúnnen bedenken... Om het zo te zeggen: het is altijd mooier-der (der, der)...!
Wel, als God aan Johannes iets wil laten zien, wat wij (en dus ook Johannes) niet kúnnen zien, dan gebruikt Hij daarvoor een visioen. Hij past zich aan, aan wat wíj mensen kénnen en wat we ons dus kúnnen voorstellen. Daarmee geeft Hij een soort symbolische weergave van wat er féitelijk gaat gebeuren.

We moeten dat wel in het oog houden, als we dit hoofdstuk lezen. Dat betekent dus dat we heel veel elementen hierin niet letterlijk moeten nemen (denk alleen maar aan de getallen, bijvoorbeeld). Maar, maar, aan de andere kant moeten we het daarom nog niet gaan 'vervluchtigen'. In de trant van: het is toch symboliek, dus je kunt er niks mee. Laat maar liggen tot aan de jongste dag, dán zullen we het wel zíen. Dan léés je het wel, maar je dóet er niks mee.
Dus: ook al is het symbolisch (figuurlijk): je moet dan wel éérst het beeld goed scherp hebben, vóórdat je de symboliek kunt 'duiden' of úitleggen!

Want, Johannes zag wel wat. Heel duidelijk.
Wát zag Johannes dan?
Wel, hij zag een stad tot stand komen. Straten, pleinen, (huizen), een muur met poorten erin. Heel concreet. En die stad schittert je tegemoet. Een glans die bijna niet te beschrijven is: het is als de glans van kristalheldere diamant. Naar alle kanten schittert het je tegemoet: prachtige kleuren. Die stad heeft de heerlijkheid van God!

Even verderop (vers 18 v.v.) lezen we dat de bouwstof van de muur (om de stad) ook diamant was. De stad zelf was van zuiver goud. Zo zuiver, dat het doorschijnend was: als zuiver glas. Dus niet dof geworden door allerlei andere metalen en slakken die erin zitten. De fundamenten van de muren zijn met allerlei soorten edelstenen versierd: alle kleuren van de regenboog!
De twaalf poorten bestaan ieder uit één parel. En de straten zijn ook van zuiver goud.
Met andere woorden: het is een schitterende stad. Adembenemend. Want dát is de betekenis. Kijk eens, hoe práchtig!

En daarin is deze stad precies het tégenbeeld van de stad Babylon, waarover Johannes heeft bericht in hoofdstuk 17. Babylon, dat staat voor heel de God-vijandige wereld. Babylon ziet er nú prachtig uit. Aantrekkelijk (letterlijk): zonde oogt vaak heel mooi, onweerstaanbaar mooi soms... Maar die prachtige stad Babylon wordt verwoest. In één uur tijd! En al haar pracht en praal gaat verloren. Een rokende puinhoop. En al de schatten zijn weg: vergaan.
Maar met de stad van God, het níeuwe Jeruzalem, is het precies omgekeerd. Die zal pas aan het eind in volle heerlijkheid stralen en héél de aarde vervullen.

Want dat is het volgende element: de lengte en breedte en hoogte worden exact aangegeven: de stad wordt nauwkeurig opgemeten. De lengte is 12.000 stadiën. (Tussen haakjes: dat is wat Johannes zíet). 12.000 stadiën, dat is omgerekend ± 2.400 km! Dat is nogal een oppervlakte. Een grote stad dus. De betekenis is: het grondoppervlak van deze stad vult de héle aarde.
Johannes ziet dus een stad bij God vandaan komen. Die stad komt vanuit de hemel. Maar vult heel de aarde.
Een stad, dat is: een plek waar ménsen wonen. Nog wat preciezer: waar mensen sámen wonen.
Vanaf het begin was de stad een plaats van gemeenschap: mensen wonen sámen.
Dat is ook hier de betekenis.
Want deze stad wordt óók genoemd: de bruid, de vrouw van het Lam (zie Openbaring 21: 2 en 9). Oftewel: de bruid van Christus. We weten uit andere teksten, dat daarmee bedoeld wordt: het volk van God. Zijn volk, dat Hij bijeenbrengt uit alle mensen.

Samen vormen ze het éne volk van God, dat Hij redt en waarmee Hij verder gaat en zo zijn schepping bewaard door het oordeel heen. Naar een nieuwe volmaakte wereld, waarin Hij en zij sámen zullen leven.
Het zijn de mensen die Christus heeft gekocht met zijn bloed. Vandaar ook die verwijzing naar het Lam. Zo wordt Christus genoemd naar zijn werk, dat Hij hier op aarde heeft gedaan: Hij is geofferd als hét Lam om mensen vrij te kopen van hun schuld.

En wij mogen daar ook bij horen. Met andere woorden: wij zien nog niet het voltooide Jeruzalem. Maar we zien al wel hóe de HERE mensen bij elkaar brengt om samen verder te gaan naar zíjn feest.
Dus: wij mogen wel nú al íets zien van dat nieuwe Jeruzalem.
Waar dan? Wel, hier in ons sámen leven als gemeente van Christus...
Er ligt een duidelijke lijn tussen het visioen van Johannes en de jongste dag.
Maar er ligt minstens zo'n duidelijke lijn tussen zijn visioen en óns samenkomen!

2. Hoe hij het ziet komen

Ik kom bij het tweede punt. Johannes ziet het nieuwe Jeruzalem van God komen. We letten er nu op hoe hij dat ziet komen.
Johannes ziet deze stad "neerdalend uit de hemel, van God" (vers 2 en 10).
Neerdalend, dat wil zeggen: het is nog bezig. Het is een proces. Heden en toekomst lopen in dit visioen door elkaar.
We moeten dat neerdalen dus niet alleen maar naar de toekomst verplaatsen, alsof op de jongste dag, als Christus terugkomt, die stad ineens uit de hemel komt zakken... Dat wordt nog wel eens beweerd. Dan wordt gedacht aan het neerdalen van een lift. Maar... een lift gaat ook weer omhoog...
Neerdalen moeten we hier in een iets andere zin lezen. Het kan namelijk ook betekenen: het afdalen van een trap of een berg. En dát is het hier.

Gods stad stond in het oude testament op een berg, de Sion. En die berg en die stad werden ook door elkaar gebruikt om aan te geven, waar God woonde. Je ging naar Jeruzalem, of Sion. Dat waren op zich twéé verschillende dingen: stad en berg. Maar ze werden helemaal met elkaar vereenzelvigd om zo te zeggen.
Zo is het ook nú nog. In Hebreeën 12 (vers 22) lezen we: "maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem..."

Daar gaat het heel nadrukkelijk over de gelovigen van het nieuwe verbond. In tegenstelling tot de gelovigen van het oude verbond. Zij kwamen bij de Sinaï, en dáár ontmoetten ze God en ze bééfden voor de ontzagwekkende majesteit, waarmee God naar beneden kwam. En dan liet Hij toen nog maar een béétje zien van zijn macht, want meer konden ze niet aan.
Wel, toen was het al indrukwekkend. Maar nu is dat nog veel sterker het geval. De Israëlieten kwamen tot een gewone berg. Maar jullie, zo zegt de schrijver, júllie komen niet bij een áárdse berg en een áárdse stad; júllie zijn genaderd tot het hemelse Jeruzalem, het hemelse Sion.

We moeten dus ook bij dit beeld van Johannes denken aan een stad op een berg. En die stad ligt niet alleen op het topje van de berg, maar die loopt langs de hellingen naar beneden.
Net zoals het aardse Jeruzalem ook tégen de berg op gebouwd was. Vanaf de Olijfberg kun je die stad zo zien liggen.
Zo ziet Johannes vanaf een hoge bergtop dit nieuwe Jeruzalem langs een ándere berg uit de hemel naar beneden komen...
Wanneer je je het zó voorstelt, dan wordt het ook een heel dúidelijk beeld: Johannes ziet een stad die langs een berg gebouwd wordt.

Kijk, zo wordt die hóógte ook begrijpelijk. Want de lengte en de breedte én de hoogte waren alle drie even groot.
Sommigen denken daarom aan een kubus. Net zoals het heilige der heiligen ook een kubus was: even lang als breed als hoog.
Alleen: een stad in de vorm van een kúbus?! Hoe moet je dáárin wónen? En die stráten dan? Hoe lopen die? Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik kan me daar helemaal níets bij voorstellen. En ik vraag me echt af, of Johannes een enorme kubus meteen had geïdentificeerd als een stad... Bovendien: die kubus is dan 2.400 kilometer hoog en de muur is zo'n 70 meter, dus die valt dan helemaal wég tegen die hoge stad. En maakt dus ook helemaal niet de indruk dat het een "grote en hóge" muur is. Een kubus is dus niet echt begrijpelijk.
Maar Johannes zág wel iets heel concreets.

Maar als je je deze stad voorstelt als gebouwd tegen de berg op, dan wordt het beeld ineens heel dúidelijk. Je krijgt dan een beetje de vorm van een piramide!
De hoogte (tot aan de top van de berg) is dan even lang als de lengte en de breedte. En die top zit in de wolken (tot in de hemel): daar staat de troon van God; in het midden, op het hoogste punt.
Je krijgt dan een stad met een terras-achtige opbouw. Met straten en pleinen. Tot in de hemel. Hemel en aarde verenigd!

Vanuit de top (de troon van God en van het Lam) ontspringt ook die rivier met water van het leven. En die stroomt zo langs de terrassen naar beneden. Met links en rechts het geboomte van het leven. Een echte, ópen tuin-stad.
Het paradijs is terug! Maar nu compleet: want alle mensen die erbij horen, zijn er. En ze wonen sámen. Daarom: een tuin én een stad ineen.
Want je leeft sámen met God in een ééuwige vrede!

3. Wanneer hij het ziet komen

En dan het derde punt. Johannes ziet het nieuwe Jeruzalem van God komen. Wanneer ziet hij het komen?
Die stad is de aanduiding van: het-volk-van-God (dat was het eerste punt).
Johannes ziet die stad "neerdalend". Dat is een proces. En dat is nu al bezig (tweede punt).
Op de jongste dag is dat proces voltooid: dan is Gods volk compleet en zijn hemel en aarde definitief met elkaar verbonden.
Maar het begin is er nú al.
Want de muren van deze stad staan op de aarde. En de poorten ook... Als je dus in deze stad wilt wonen (bij God!), dan moet je nú naar binnen! De toegang is hier op aarde. En je kúnt er ook in, want die poorten staan open, dag en nacht. En ze staan open naar álle kanten: overal op de wereld kun je binnenkomen.
En dat gebéurt ook: over heel de wereld ontmoeten burgers van deze stad elkaar. En ze herkennen elkaar als inwoners van dezélfde stad. En dat gaat over alle landgrenzen heen.
En als je één keer binnen bent, dan mag je eeuwig binnen blijven! Want je wordt ingevoegd in deze stad als levende steen. En daar verandert ook het sterven níets aan. Wat dát betreft, verandert er níets als we sterven: we blíjven gewoon léven. Met God. (Het enige wat veranderd is, dat we dán God mogen en kunnen zien.)

Die poort vind je dus hier op aarde. Waar? In de kerk. Want dáár hoor je de beloften van God en wie die beloften aanneemt, gaat door de poort en ontvangt het lévende water. Dat levende water is: Gods woorden. Daarmee geeft Hij ons leven en houdt Hij ons leven in stand. In dat woord hoor je "wat tot je vrede dient": het offer van Christus, hét Lam.
Wie in het nieuwe Jeruzalem woont, deelt in de vrede van God. En je hoeft je niet meer af te schermen tegen de boze 'buitenwereld', want God Zelf overschaduwt je met zijn majesteit. Je bent véilig onder zijn hoede. Daarom kunnen de poorten van déze stad ook openstaan. Naar alle kanten.

Wij leven in de kerk in die vrede van God. Dat is in volle gang. En dát is onze rijkdom. Wij leven in "de laatste dagen", dat is: de tijd ná Pinksteren. Onze Heer heeft zijn Geest uitgestort en die werkt in héél de wereld om de burgers binnen te krijgen in deze stad die God bezig is te voltooien. Het is ZIJN werk, als ík gered word. Het is ZIJN werk, als mensen geroepen worden en als ze aan die roepstem beantwoorden.
Zo zijn wij ook aan elkaar gegéven. Om sámen te leven in de vrede van God.
Daarom is het ónze opdracht om elkaar vast te houden.
Want we leven sámen voor het aangezicht van God. We zien nog maar een klein deel van dat volk. Maar we zijn wel bestemd om ééuwig bij elkaar te blijven. Om het wat oneerbiedig te zeggen: we zijn ervoor bestemd om eeuwig tegen elkaar aan te kijken...
Dan kun je nú niet alleen maar naar jezélf kijken, of je vooral bezighouden met je éigen leven, met je éigen gezin en dergelijke. We hebben ook verantwoordelijkheid voor elkaar. Want de kerk is niet een bijzaak. Maar de kerk is de bruid van Christus, waarin je leeft en déélt in Gods vrede. Daarom kun je ook niet zeggen: ik geloof wel, maar de kerk is daarin niet zo belangrijk. De kerk is ook maar niet alleen een zaak van jóuw smaak of voorkeur.
Het is de stad van levende stenen, die God bij elkaar brengt en in verband zet...! Levende edelstenen!

Je kunt daarom al de elementen van deze stad ook toepassen op... de kerk.
Het perfecte goud, de edelstenen, de parels, het diamant! Al die schítterende materialen die heen wijzen naar de glorie van God. Ze worden nú al zichtbaar in de kerk. De kerk is een gebouw dat opgetrokken wordt uit levende édelstenen: de gelovigen.
De poorten die open staan naar álle kanten: wij verwelkomen íeder die Christus wil vólgen met héél zijn of haar leven.
Dat zijn gróte woorden. Juist voor de kerk. Maar we gebruiken ze niet, omdat wij zo goed zijn. Integendeel. Als het aan óns lag (inclusief Schrift en belijdenis), dan wás er geen kerk meer. Het is enkel Gods genade die ons bij elkaar houdt.
En we zien juist in de kerk nú nog veel onvrede en ongerechtigheid.

Maar juist dan is het zaak, om elke keer weer terug te gaan naar de bron: Gods activiteit, die óns samenbrácht. En alleen als we -ieder persoonlijk, maar zo ook sámen- dat elke keer weer bedenken, kunnen we samen blijven. Laten we vooral elkaar dáár op wijzen. En dáárover enthousiast worden. En dat enthousiasme dan ook uiten en délen! Dan láát je bouwen als lévende stenen in Gods huis!

Amen.


Eventuele gebedspunten

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar