Zie hoe God de Vader zijn Zoon verheerlijkt

Thema:

De betekenis van Jezus' verheerlijking op de berg

Tekst: Matteüs 17: 1-8
Tekstgedeelte(n):

Matteüs 16: 21 - 17: 13

Door: Ds. P.P.H. Waterval (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Krimpen aan den IJssel)
Gehouden te:

Krimpen aan den IJssel op 10 februari 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Lied 328
Wet
Ps. 112: 1-3
Lezen: Matteüs 16: 21 - 17: 13
Ps. 89: 9-11
Tekst: Matteüs 17: 1-8
Preek
Gez. 23: 3-4, 6
Gez. 36: 1, 3
Zegen

Geliefde gemeente van de Here Jezus,

De zon! Verlang je er ook weer naar, dat hij weer volop schijnt? In het voorjaar en de zomer? Wat kan een mens daarvan genieten, van dat weldadige licht waardoor alles weer die diepe kleur krijgt en wat kun je genieten van die heerlijk warme zonnestralen op je huid. Dat doet een mens goed. Je knapt ervan op. Ik heb het me wel vaker afgevraagd: Zou in het paradijs overdag altijd de zon hebben geschenen? Ik weet het niet zeker, maar ik denk het wel. En de regen, voor de planten? Die viel vast 's nachts, wanneer de mens sliep. De mens is geschapen voor de zon.
Dat verklaart ook de oorsprong van het gezegde: Iemand in het zonnetje zetten. Dan krijgt iemand even alle aandacht en baadt hij in het licht van de warme vriendelijkheid van zijn medemensen.
Ik moest onwillekeurig denken aan die bekende uitdrukking, toen ik de tekst voor de preek van vandaag bestudeerde. Want daar op die berg heeft God de Vader zijn Zoon in het zonnetje gezet, toen Hij hem verheerlijkte. Dat woord 'verheerlijken' komt in de tekst zelf trouwens nergens voor, ook al wordt de gebeurtenis in het opschrift erboven wel zo getypeerd: 'de verheerlijking op de berg'. En terecht. Want die typering heeft apostolisch gezag. De apostel Petrus, die er zelf bij was, heeft het namelijk ook zo beleefd. In het eerste hoofdstuk van zijn tweede brief, vertelt hij dat het verhaal over de bovenaardse macht van Jezus geen mooi sprookje is, maar echt waar. Hij zegt: "Wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit. Want Hij heeft van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb." (Petrus heeft het hier over het moment van Jezus' doop, en dan zegt hij:) "Maar deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren."
In deze preek gaat het over deze wonderlijke gebeurtenis, waaraan meerdere dimensies zitten. Daarom heb ik gekozen voor het volgende thema en verdeling:

Zie hoe God de Vader zijn Zoon verheerlijkt

  1. Omwille van de drie leerlingen
  2. Omwille van Jezus
  3. Omwille van hen beide

Zie hoe God de Vader zijn Zoon verheerlijkt.

1. Omwille van de leerlingen

Zes dagen later, staat er in vers 1, neemt Jezus drie van zijn leerlingen mee en leidde hen een hoge berg op. Om te begrijpen waarom Hij dat deed, moeten we de vraag beantwoorden: zes dagen na wat? Nou, na hun gesprek in Caesarea Filippi, toen Jezus zijn leerlingen voor het eerst had verteld over wat er met Hem concreet ging gebeuren: namelijk dat Hij in Jeruzalem door de leiders van het volk zou worden gedood, maar ook weer zou worden opgewekt. Petrus - impulsief en slecht luisterend - hoort alleen het eerste en wil Jezus beschermen. Over mijn lijk, Here! Maar in plaats van dat de Here Jezus hem bedankt voor dit heldhaftige aanbod bestraft Hij hem openlijk en noemt hem zelfs "Satan". Want op dat moment belichaamt Petrus, hoe onbewust ook, het verzet van de duivel tegen Gods plan om door lijden zijn volk te verlossen van hun zonden. En die weg van het lijden had Jezus toen ook de leerlingen voorgehouden als de weg die zij ook zelf te gaan hadden. Maar er was wel een geweldig perspectief: want aan het eind van de tunnel schitterde het felle licht van de koninklijke glorie van de Zoon van de mens bij zijn wederkomst. Hiermee had Jezus voor het eerst een tipje van de sluier opgelicht over de route van zijn leven, die zou gaan door het diepste dal naar de hoogste top.
Maar de leerlingen konden het allemaal nog niet bevatten. Vooral het nieuws dat hun meester al gauw zou gaan sterven. Daar konden ze niet mee leven. Er was meer nodig om hun te overtuigen. En daarom nam Jezus drie van hen mee de eenzame, steile hellingen van een hoge berg op: Petrus, de impulsieve bodyguard, maar ook de latere rotsbodem voor de bouw van de gemeente, Johannes, met wie de Here Jezus heel close was en diens broer Jakobus, die het voorrecht zou krijgen om de eerste martelaar van de kerk te worden.
Uit hoofdstuk 9 van het Lucas-evangelie weten we dat de Here Jezus tegen hen had gezegd dat ze op de berg zouden gaan bidden. En van Lucas weten we dat dat ook gebeurde. Op een rustige plek gingen Jezus en de leerlingen in gebed. Maar, net als later in de hof van Getsemane, lijken de leerlingen het ook hier al niet lang vol te houden en vallen ze al gauw in slaap, terwijl de Here Jezus doorbidt. Opeens worden ze wakker van een fel licht en zien iets wat ze nooit meer zouden vergeten: het lichaam van de biddende Jezus verandert zo, dat Hij een helder, fel licht uitstraalt. Zo fel is het dat zijn gezin schijnt als de zon. Het schijnt door zijn kleren heen. Jezus weerkaatst hier niet de ondergaande of opkomende zon, zoals sommige uitleggers menen. Hij wordt dus door God ook niet letterlijk in het zonnetje gezet. Nee, hier is wat anders aan de hand. De leerlingen krijgen hier een voorproefje te zien van waar Jezus het over had gehad: de koninklijke heerlijkheid die hem te wachten stond, maar die Hij als eeuwige Zoon ook altijd al had gehad bij Zijn Vader in de hemel. Het is alsof God hier het gordijn van de incarnatie, de vleeswording, even wegschuift en de goddelijke glorie van zijn Zoon laat zien. Maar dat is nog niet alles. Want de leerlingen zien plotseling ook Mozes en Elia verschijnen en horen hen met Jezus praten. Over zijn lijden en sterven in Jeruzalem, zoals Lucas erbij vermeldt. Versuft en verward, doet Petrus opnieuw een ondoordacht voorstel om snel een onderkomen te bouwen voor Mozes, Elia en Jezus. Maar terwijl Hij nog aan het praten is, worden ze allemaal van bovenaf bedekt en omvangen door een lichtgevende wolk, van waaruit opeens een stem klinkt: "Dit is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb, luister naar hem!" Deze stem en deze woorden (behalve de laatste) hadden de leerlingen al eerder gehoord, bij Jezus' doop. En daarom beseften ze onmiddellijk dat hier God zelf tot hen sprak. Gevoelens van angst en heilig ontzag verlammen hen en ze vallen als dood neer op de grond. Maar al snel helpt de Here Jezus hen overeind en stelt hen gerust: "Sta op, wees niet bang." Mozes en Elia en de wolk zijn weg, en Jezus ziet er weer normaal uit.
Waarom gebeurde dit nu? Het definitieve antwoord op die vraag weet alleen God, de grote regisseur. Maar we mogen wel zeggen dat het mede omwille van de leerlingen gebeurde. Ik zei het al: ze kregen te zien waarover Jezus een week eerder had verteld en wat hun toen nog niets zei: zijn goddelijke heerlijkheid en eer. Even mochten ze de Here Jezus te zien zoals ze Hem nog niet kenden. Die gebeurtenis heeft een onuitwisbare indruk op ze gemaakt, zoals we weten uit Petrus' herinnering hieraan in zijn tweede brief. Als Petrus die herinnering aan het papyrus toevertrouwt, is hij inmiddels samen met de andere apostelen al zo'n dertig jaar actief in de verkondiging van de gestorven, opgestane en verheerlijkte Christus. Dan is het voor hem geen vraag meer, waarvoor het toen allemaal gebeurde. Met name Petrus maar ook de anderen hadden allereerst correctie nodig, correctie uit de hemel zelf, om Jezus' woorden over zijn lijden en dood volledig serieus te nemen. Mozes en Elia deden dat namelijk ook, want zij overlegden er speciaal over met Jezus. Maar vooral Gods eigen waarschuwing aan de leerlingen om toch vooral goed te luisteren naar Zijn Zoon, maakte dat ze op zijn volgende aankondigingen over het lijden niet meer met opstandig ongeloof hebben gereageerd.
Verder zijn de leerlingen op de berg niet alleen gecorrigeerd om hun ongeloof, ze zijn door God ook bemoedigd, want ook al bleef hun inzicht in de bedoeling van Gods heilsplan tot na de opstanding van de Here Jezus heel gebrekkig, doordat ze Hem toch even hebben mogen zien baden in de liefde van zijn Vader en in zijn hemelse glorie, moet hun in ieder geval op dat moment duidelijk zijn geworden dat Gods liefde voor zijn Zoon onverminderd was en dat op de een of andere manier Jezus' lijden Hem niet alleen vernedering zou brengen, maar ook verheerlijking. Ik zeg met opzet op dat moment, want als je hun zeer bedroefde reactie op de tweede aankondiging van het lijden kort daarna, leest in vers 23, dan vraag je je toch af of die bemoediging veel zoden aan de dijk heeft gezet.
Dat laatste is trouwens ook voor ons heel herkenbaar. We belijden met Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus dat we na dit leven onmiddellijk verenigd zullen worden met ons Hoofd, Christus, en dat we zullen delen in een heerlijkheid, zo groot en zo mooi dat niemand die ooit zal kunnen bedenken. Dat geloven we en belijden we. Daarin zijn wij verder dan de leerlingen op dat moment waren. Maar als we te horen krijgen dat onze man of vrouw, vader of moeder, zoon of dochter ongeneeslijk ziek is, dan zijn we desondanks toch kapot van verdriet. Want door dat lijden zullen we wel eerst heen moeten. Maar toch, door het uitzicht dat we op heerlijkheid hebben, mag dat lijden door Gods genade wel anders zijn dan dat van mensen zonder hoop en zonder besef van de nabije en blijvende liefde van God. Laten we daar dan ook van getuigen als het zover is. Want wij, christenen -zoals Romeinen 8 zegt- zijn mede-erfgenamen van Christus. Dat betekent dat als wij delen in zijn lijden, dat is om ook te delen in zijn verheerlijking. En mogen we er met Paulus niet zeker van zijn, dat het lijden van de tegenwoordige tijd, niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden?

Zie hoe God de Vader zijn Zoon verheerlijkt.

2. Omwille van Jezus

De verheerlijking op de berg was bedoeld als correctie en bemoediging voor de leerlingen, maar is toch ook voor de Here Jezus zelf belangrijk geweest.
In de eeuwige diepte van de beslissing van de drie-ene God om de mens te redden uit de ellende van de zonde en de klauwen van de satan, had God de Zoon zich voor deze reddingsoperatie beschikbaar gesteld. Hij was uit de hemel afgedaald en had zich vernederd als mens tot een leven tussen zondige mensen, om diezelfde zondige mensen te redden. Die missie heeft de Here Jezus bloed, zweet en tranen gekost. Hij kreeg niet het onthaal waarop Hij mocht rekenen. Integendeel: ongeloof, hoongelach, godslastering, verraad en gruwelijk geweld stond hem te wachten. Hij is het dan ook niet juichend tegemoet gegaan. Wel vastberaden, vol van besef van roeping en gedreven door dienende liefde. Maar ook de Here Jezus heeft als mens zijn zwakke momenten gehad, waarop Hij steun en bemoediging nodig had. Van die momenten vertelt de bijbel ook, denk aan de verzoeking in de woestijn en in de hof van Getsemane, toen engelen uit de hemel kwamen om Jezus te dienen en te bemoedigen. Het heeft er alles van weg dat ook dit moment de Here Jezus opgebeurd moest worden. Voortaan zou zijn gezicht zich keren naar Jeruzalem en naar Golgota. De beker van de toorn die Hij moest drinken kwam dichterbij. En zijn eigen leerlingen, zijn vrienden nota bene, die Hem trouw volgden, begrepen Hem niet of wilden Hem niet begrijpen. Jezus had bemoediging en aanmoediging nodig en zocht die door zich biddend terug te trekken. Dit keer komt die bemoediging niet door een engel, maar stuurt God Mozes en Elia, de twee grootste profeten van het Oude Testament, om Jezus aan te vuren voor de laatste worsteling. Was Jezus niet de grote profeet uit het midden van het volk, wiens komst Mozes in Deuteronomium 18 zelf voorspeld had? Was Hij niet het grote zondoffer dat moest komen? Hij zou gaan afmaken en vervullen waarvan deze twee alleen maar hadden gedroomd en geprofeteerd. Al hun vertrouwen was op Hem gericht. "Kom op, Jezus, Zoon van David en Zoon van God: ga ervoor!" En God laat het zelfs niet bij die bemoediging van deze twee, maar komt daar ten slotte zelf ook nog bij om Jezus opnieuw - net als bij de doop - en met dezelfde woorden aan te wijzen als de grote profeet die Hij ooit beloofd had en als degene onder wie niemand meer uit kan. "Kijk, de man die Ik hier in het zonnetje zet, dat is mijn Zoon, luister naar Hem!" Het was ook een liefdevol aanwijzen: "Ik hou van Hem, Hij is mijn vreugde." God is trots op zijn Zoon. Hij geniet van Hem. Wat zal het de Here Jezus goed gedaan hebben om dit te horen. Heel even stond Hij weer in de hemelse vuurgloed van goddelijke liefde die Hij had los gelaten voor zijn missie op aarde." Jezus kon weer verder.
Bemoedigend was het voor Hem, maar ook voor ons. Twijfel je nog wel eens over de vraag of het Oude Testament echt wel zo naadloos aansluit op het Nieuwe? En of het Nieuwe zich zo vrijmoedig op het Oude kan beroepen. Velen, waaronder ook christelijke theologen geloven er niets meer van. Christelijke annexatie van het Oude Testament vinden ze dat. Het kan ook jouw vraag zijn. Of anders misschien deze: is Jezus echt wel de Messias die eeuwenlang beloofd was? Hij geloofde het zelf wel, maar heeft Hij zich niet misschien vergist? En dan de vraag: is Hij echt wel de Zoon van God, God uit God, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God? De Jehova's getuigen ontkennen het en niet alleen zij, ook veel moderne christenen. Ja, als het Nieuwe Testament een groot door mensen verzonnen verhaal is, dan houdt natuurlijk alles op. Maar als het echt een betrouwbaar verslag is van Christus' leven op aarde, en daar wijst alles op, verdwijnen die vragen dan niet als sneeuw voor de zon? Juist door wat er hier gebeurt? Jezus heeft zich niet vergist. De Wet en de profeten op wie Hij zich voortdurend beroept, die komen Hem hier hoogstpersoonlijk de hand schudden: Mozes en Elia. Oude en Nieuwe verbond passen hier in elkaar als een sleutel in een slot.
En ja, als je deze tekst leest en dan nog niet gelooft dat Jezus de Zoon van God is en goddelijke natuur heeft, wat zal je dan nog overtuigen? Nota bene Jahwe zelf identificeert hier de timmermanszoon als Zijn eigen kind. En heb jij het gezicht van een gewoon mens als eens zien schitteren als de zon? Ik niet. Er is geen twijfel mogelijk. Jezus Christus is de Zoon van God, God in de gestalte van een mens.

Zie hoe God de Vader zijn Zoon verheerlijkt.

3. Omwille van hen beide

In vers 5 klinken woorden van goddelijke liefde. De Vader houdt van zijn Zoon. Dat is hier niet de zelfopofferende liefde, maar de genietende liefde van het plezier, de bewondering en de trots. Net zoals een vader langs het voetbalveld kan genieten als zijn zoontje twee man uitspeelt met een knappe schijnbeweging en dan roept: "Zag je dat, oh wat mooi, hè, da's mijn jongen." Zo geniet God ook van zijn Zoon en dan oneindig veel intenser.
De gereformeerde theologie heeft aan deze genietende liefde van God voor zijn Zoon niet overdreven veel aandacht geschonken. Toch is het een opvallend thema in het Nieuwe Testament. Hier bijvoorbeeld in Matteüs 17 gaat het erover. De evangelist Johannes heeft ook her en der woorden over Gods vaderliefde opgetekend uit de mond van Jezus. In hoofdstuk 3: 35 bijvoorbeeld, waar staat: "De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven". En in 5: 20 staat: "Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem al wat Hij zelf doet". Ik zei al eerder: die liefde was er ook al voor de Zoon naar de aarde kwam en mens werd. Dat zegt Jezus zelf ook in zijn hogepriesterlijke gebed in Johannes 17: 24: "U hebt mij liefgehad voor de grondlegging van de wereld". Tussen de Vader en Hem is er altijd al een volmaakte en oneindige intimiteit geweest. Het is een volstrekt unieke relatie. Jezus is de eniggeboren Zoon van God. Wij zijn geadopteerde kinderen. Maar Hij alleen is DE Zoon, de eeuwige en natuurlijke Zoon. Deze Zoon en deze Vader kennen elkaar als geen ander. In Matteüs 11 staat: Niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon. En Johannes zegt: "Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon die aan de boezem van de Vader was, die heeft Hem doen kennen". De eer en de liefde die Hij van zijn Vader kreeg, was uniek. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt niet voor niets: "Tot wie van de engelen heeft God ooit gezegd: Mijn Zoon bent U; Ik heb U heden verwekt? Tot wie anders heeft Hij ooit gezegd: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn. En tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten". Het is duidelijk. De Zoon gaat ver uit boven de hoogste aartsengel. Hij alleen is het waard de aanbidding te ontvangen van alles wat adem heeft en zijn knie kan buigen. Daarom geeft de Vader Hem ook op deze berg vol liefde de eer en heerlijkheid die Hij bij Hem had, nog voor de wereld bestond.
Denk niet: want moet ik aan met deze goddelijke love-story tussen de Vader en de Zoon? Want weet je: daarin ligt het onbegrijpelijke wonder van jouw en mijn redding. Want als de band tussen Vader en Zoon voor de schepping al volmaakt was in oneindige liefde en geluk, waarom zouden beide zich dan überhaupt nog interesseren voor zulke corrupte en opstandige zondaars zoals wij? Pure genade is het en niets anders. En tegelijk ligt in deze liefdesband tussen Vader en Zoon ook de diepste verklaring voor ons heil. Want omdat de Vader de Zoon volmaakt liefheeft en verheerlijkt is de volmaakte liefde van die Zoon ook als enige in staat om de zonde te verzoenen waarmee jij en ik de heerlijkheid van de Vader hebben geschonden.
De leerlingen vielen neer uit vrees en aanbidding voor deze God en voor zijn Zoon. Wat doen wij? Gaan wij over tot de orde van de dag en fröbelen we lekker verder met de goedkope kitsch en de tijdelijke fun van deze wereld? Nee toch. Zoek je echte geluk in de verheerlijkte Christus en je zult zelf verheerlijkt worden. Uit genade.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar