Jezus is geen kruiwagen maar voorganger-kruisdrager

Thema: Jezus is geen kruiwagen maar voorganger-kruisdrager
Tekst: Marcus 10: 45
Tekstgedeelte(n): Jesaja 53
Marcus 10: 35-45
Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op 7 maart 1999
Extra: Samenvatting bij de preek

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en groet
Gez. 38: 1-2
Ps. 15: 1, 3
Lezen: Jesaja 53; Marcus 10: 35-45
Ps. 69: 1, 3, 10
Tekst: Marcus 10: 45
Lied 21: 2-3, 6
Gez. 38: 3-4, 9
Zegen

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

Ze zitten in het restaurant: pa, ma, Jan, die net een baan heeft, Marthe die orthopedagogiek studeert, Pieter die op de kunstacademie zit, René die nog middelbaar onderwijs volgt en Annemieke uit groep 6 van de basisschool. 'Hè', zegt ma, 'nu hoef ik es lekker geen aardappelen te schillen.' 'Precies,' zegt Jan, en Marthe en Pieter beamen dit hartgrondig. René is blij, dat hij niet hoeft af te wassen en Annemieke hoeft gelukkig nu eens niet de tafel te dekken. En pa? Hij is blij met al die blijdschap om zich heen.
'Hè,' zucht Annemieke,' dat zouden we elke week moeten doen!'
Pa glimlacht en ma zegt wat hij denkt. 'Dan zal je vader toch echt wel wat meer moeten verdienen en ik verdien nog geen rooie cent.'
Intussen droomt Pieter wat weg. Elke vrijdag in een goed restaurant, dat lijkt hem best wel wat. Maar dan moet je een goeie job hebben. En daarvoor heeft hij zeker een kruiwagen nodig. Hoe komt hij daaraan?
Eten in een restaurant is leuk. Je laat je dienen. Maar er hangt wel een prijskaartje aan. Het hoeft ook niet altijd. Zelf dienen is echt niet verkeerd: in de keuken, vóór of na het eten, trouwens evengoed op je werk. Het komt je als gewoon mens ook niet toe om steeds gediend te wórden.
Daar heeft alleen God recht op. Op heel de aarde dienen mensen Hem. In Nederland minder dan vroeger, maar in Afrika, Latijns-Amerika, Japan en Korea meer dan ooit. Ze vragen Hem eerbiedig om gezondheid en bedanken Hem ervoor. Ze biechten Hem hun zonden op en danken Hem voor zijn vergeving. Ze vouwen hun handen of knielen voor Hem op de grond. Dat komt de Here toe. Hij is er om altijd gediend te worden. 'Alles wat adem heeft love de Here.'
Maar gelukkig dient God ons ook. Op een dag begint de bruiloft van zijn Zoon. Dat is een geweldig feest. Nog veel mooier dan een maaltijd in een restaurant. Engelen dienen ons. Wij lijken wel koningen. En er komt nooit een eind aan en het verveelt geen moment. Wat fijn, dat wij een relatie met Jezus hebben. Dat wij regelmatig avondmaal vieren. Anders ging dit alles aan onze neus voorbij. De bruiloft van het Lam is Christus' relatiegeschenk aan ons.
Maar in de perikoop die wij zonet lazen, belooft de Here Jezus een ander geschenk. Het is het cadeau van het lijden.
"De beker die Ik drink, zullen jullie drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt word, zullen jullie gedoopt worden."
Dat is een vreemde zin en dat komt doordat de inhoud van een beker voor ons altijd lekker is - anders drinken wij die echt niet leeg - en doordat wij maar één doop kennen en dat is die bij het doopvont. Maar in Israël kende men andere bekers, die men soms voor straf moest leegdrinken, en de doop, de onderdompeling, kon een Israëliet ook doen denken aan een zee van ellende waarin hij dreigde onder te gaan. Zo'n zee van ellende zegt Jezus Jakobus en Johannes toe. Meer niet. De rest is afwachten. Maar waarom? Dien je Hem dan voor niets? Je ontzegt jezelf een heleboel. Dat deden Jakobus en Johannes. Dat doen wij ook. Je gaat trouw naar de kerk. Je bent jaren lang ambtsdrager. Je bezoekt de bijbelstudievereniging. Dat is geen hobbyisme. Jij kunt je ook echt wel een heleboel andere leuke dingen voorstellen, die je graag zou willen doen maar waar je niet aan toekomt en die jij opzij zet terwille van het Koninkrijk van God. Is dat dan allemaal voor niks?

Een vreemde zin over een rare beker en een merkwaardige doop. Een vreemde zin, maar de betekenis is nog vreemder. Hoe zit dat? Wij zullen zien. De boodschap van de preek vat ik zo voor u samen:

Jezus is geen kruiwagen maar voorganger-kruisdrager

  1. Zelfs Hij laat zich niet dienen
  2. En dat is maar goed ook

1. Zelfs Hij laat zich niet dienen

Als jij altijd maar dient, komt het moment dat de ander jou dient. Dat verwacht je én terecht. Als je dan ook nog een goede relatie hebt, ga je er als vanzelf vanuit dat die ander zijn invloed op zeker moment zal aanwenden ten behoeve van jou.

Jakobus en Johannes hebben zo'n relatie. Zij zijn leerlingen en vrienden van de Messias, die God aan Israël heeft beloofd en die er nu is. Daar zijn zij vast van overtuigd. Jezus uit Nazaret is de Zoon van God. Door Hem is het Koninkrijk van God nu heel dichtbij. Het laatst der dagen, die schitterende toekomst voor heel de wereld: door Hem breekt die periode straks aan. In Jezus is het Koninkrijk van God eigenlijk al present. De ogen van de leerlingen gaan hoe langer hoe meer open. Jezus: hun achting voor Hem groeit met de dag. En naarmate zij dichter bij Jeruzalem komen, worden hun verwachtingen sterker. Wat zal Hij daar doen? Grootse gebeurtenissen zijn op handen. Israël wordt weer een belangrijk volk, machtiger nog dan dat grote Romeinse Rijk. Jezus wordt zijn koning en zij...
Jakobus en Johannes horen zelfs bij de belangrijkste drie. Niet altijd neemt Jezus alle twaalf leerlingen mee. Maar zij mogen er vrijwel altijd bij zijn: toen het dochtertje van Jaïrus werd opgewekt en toen Jezus op die berg er opeens zo indrukwekkend uitzag.

Wij vinden het maar een brutale vraag, dat verzoek van Jakobus en Johannes. Maar hoe bescheiden zijn wij en hoe oprecht is die bescheidenheid? Trouwens, mag je nooit ergens om vragen? Als je nou merkt, dat je ergens de gaven voor hebt. Het is de verantwoordelijkheid van die ander, wat hij daarmee doet. Hij kan altijd nee zeggen. En de Here Jezus heeft ook al een keer gezegd, dat de discipelen op 12 tronen zullen zitten om de 12 stammen van Israël te richten. Jakobus en Johannes beginnen ook heel netjes: "Meester, wij wilden wel dat U ons deed, wat wij U zullen vragen." En als Jezus over het prijskaartje spreekt, zijn zij bereid het te betalen. "Wij kunnen het."
Is dat zelfoverschatting? Luister dan eens naar Jezus. "De beker die Ik drink, zullen jullie drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zullen jullie gedoopt worden." Jakobus en Johannes zullen als apostelen van Jezus nog een heleboel ellende moeten doorstaan. Maar dat weten ze. Ze begrijpen niet alles. Vooral van het kruisdragen snappen ze nog niks. Maar dat het volgen van Jezus hen op veel komt te staan, hebben ze heel goed door. Veel vroegere volgelingen gaan al lang niet meer met hen mee en de Joodse leiders worden steeds vijandiger. Maar zij staan voor hun keus. Netzo als Petrus zijn zij bereid voor Jezus gevangenschap en dood te riskeren.
En mag je daar dan niks voor terugvragen?

Toch woelt de vraag van deze twee heel wat los bij de andere tien. Geen wonder. Zoiets vraagt om jaloezie. Als twee van je vrienden de baas willen spelen, wil jij dat ook wel. Als zij om voorrechten vragen, word je meteen wakker. Die wil jij ook wel. Maar klagen dat je gepasseerd wordt, is precies dezelfde fout als een onbescheiden vraag. En dan blijkt, dat Jakobus en Johannes toch te ver gingen. Het is in elk geval niet het moment om de belangrijkste plaatsen in het Koninkrijk van God te verdelen. Jezus gaat lijden en Hij kondigde dat ook duidelijk aan. Als je dan toch over jouw positie gaat spreken en over de waardering die jij van God verwacht, blijkt dat je er niets van snapt.
En daarom vertelt de Here Jezus nadrukkelijk, dat het in het Koninkrijk van God anders toegaat dan hier op aarde. Hier moet je bouwen aan je toekomst, studeren, aan 'cv-building' doen, jezelf promoten, relaties opbouwen die je later van pas kunnen komen. Maar in het Koninkrijk van God moet je dienen. Je moet knecht willen zijn, zelfs een slaaf. Dan word je groot, groot in de ogen van God. Dat is dus vers 44.

En wij voelen dan ons geweten spreken. Ja, dat moet. In de kerk moet je dienen. En in de maatschappij moet je als christen eigenlijk ook dienen. Wij willen dat ook wel. De Here Jezus heeft zoveel voor ons gedaan, dat we daar best wat tegenover willen stellen. Maar voordat we het weten zijn wij ook aan het 'overrulen', wij laten iemand ook niet uitpraten en wij houden netzo min rekening met de wensen die die ander heeft.
Of wij mopperen en klagen: die anderen krijgen alles voor elkaar en wij niks. Het is dezelfde mentaliteit. Maar we hebben het in de gaten. Wat dat betreft heeft het evangelie al heel wat effect gehad. De discipelen begrepen er nog niks van. Als je een goede vriend van koning Jezus bent, belooft dat heel veel macht, aardse macht. Het dienen sloegen zij over. Wij willen dat niet overslaan. We doen heel erg ons best. Maar dan komt de evaluatie: wij hebben weer niet gediend; wij líeten ons dienen. Het doet ons verdriet, maar we komen er niet los van.
Daarom is er toch ook weer niet zoveel verschil tussen de discipelen en ons. Wat is ons eigen ik-je sterk. 'Jij zult veel betekenen. Jij zult groot worden. Jij zult als God zijn.' Dat duivelse stemmetje heeft zoveel vat op ons.

Maar de Here Jezus is nog niet uitgesproken. Nu komt de tekst. Het is meteen het belangrijkste vers.
Het gaat over Jezus zelf. Nu niet meer over Jakobus en Johannes en over wat alle discipelen moeten doen, maar over Christus. Hij noemt zichzelf de Zoon des mensen. Dat is een onduidelijke uitdrukking: de mens, het mensenkind. Waarom noemt Jezus zich zo. Later zullen de discipelen begrijpen, dat Jezus in zichzelf de mens uit Daniël 7 ziet, die mens die naar de troon van God wordt gebracht en van God geweldige macht krijgt. Later. En toch hebben de discipelen ook nu al wel door, dat Jezus niet zomaar iemand is. Hij is de Messias.
Maar wat zegt Jezus nu van zichzelf? Hij sluit aan bij die opdracht om te dienen. Jullie moeten je niet láten dienen, jullie moeten dienen. Dat is geen bevel uit de hoogte, waarbij jij zegt hoe het moet, terwijl die ander dat dan moet doen. Dat is een opdracht waarbij de Here Jezus zelf het voorbeeld geeft. Jullie moeten dienen, maar let wel: de Zoon des mensen dient ook. Jullie moeten je niet láten dienen. De Zoon des mensen laat zich óók niet dienen. 'Ik ben zelfs gekómen om te dienen', zegt Hij. 'Dat is de reden waarom Ik hier ben.'
Dat is voor ons geen verrassing meer, maar voor de discipelen wel. Als er Iemand is die zich laat dienen, dan is dat God. En als er één is die dichtbij God staat, dan is dat Jezus. Hij is Gods Zoon. Zieken maakt Hij beter, doden wekt Hij op. Hij wordt Koning van groot-Israël. Dan wordt Hij gediend zoals God wordt gediend. Zíj moeten dienen. Daar heeft Hij gelijk in. Maar Hij mag zich láten dienen. 'Nee', zegt Jezus, 'Ik dien ook.' Zelfs Hij laat zich niet dienen en dat is maar goed ook.

2. En dat is maar goed ook

Dienen. Dat is een zware opdracht. Hoever moet je daarin gaan? Je kunt toch niet blijven geven. Iedereen heeft zijn grenzen. Hoever moet je gaan?
Heel ver. 'Heb je vijand lief,' zei Jezus. Dan ga je ver. Maar wat is dienen? Niet dat je de ander maar over je heen laat lopen en dat je onder alle omstandigheden vriendelijk en aardig bent. Daar dien je de ander niet mee. Dat deed de Here Jezus ook niet. Wat was Hij scherp tegen de Farizeeën! Maar het was de beste dienst die Hij hen bewijzen kon. Dienen kan ook betekenen, dat je kritiek uit.

Het zal je vast niet in dank worden afgenomen. Het levert je misschien alleen maar een agressieve reactie op. Netzo min als je er iets aan hebt, dat je de ander vóór laat gaan. Maar dienen doe je ook niet met de bedoeling, dat jij er beter van wordt. Die ander moet er profijt van hebben. Dan wordt dienen ook iets moois. Als de ander zich láát dienen en dus werkelijk profijt heeft van jouw dienstbaarheid.
Zoals in het geval van die drenkelingen. Ze zaten met z'n eenentwintigen in een roeiboot. Hun schip verging. Gelukkig, zij konden worden gered. Maar eenentwintig was net één teveel. De sloep kon ze niet dragen. Toen stond er één van hen op. Hij zei: 'Ik ben bereid te sterven. Ik geloof in God en in Jezus Christus. Als ik doodga, is mijn leven voor eeuwig veilig.' Daarna dook hij in de golven en verdween voorgoed.
Dat was een heldendaad. Wie doet het hem na? Maar hij deed het niet voor niks. Hij wist, dat hij twintig mensen zou redden. Is dat niet de moeite waard?

Jezus offert zijn leven. Straks gaat Hij dood. Dat is de dienst die Hij verricht. Iets groters kun je je niet voorstellen. Wij brengen offers van onze tijd en van ons geld. Je neemt genoegen met een lagere functie, je bekort misschien zelfs je leven, terwille van het evangelie, met het oog op de komst van Gods Koninkrijk in deze wereld. Maar je hele leven geven: wie doet dat nou?
Maar Jezus weet, dat Hij met zijn leven velen redden zal. Talloze mensen over de hele wereld. Hij heeft zichzelf herkend in de profetie van Jesaja. Hij is die Man van smarten, die mens die door ellende getekend is. Maar die daarmee wel een grote reddingsoperatie uitvoert. Wat zei God ook nog maar weer?
"Door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken en hun ongerechtigheden zal hij dragen."
Jezus uit Nazaret weet, dat Hij dat is. En Hij vindt het een schitterende uitdaging. Jullie moeten dienen, maar let op: 'Ik zal óók dienen. Ik zal mijn leven geven. Maar Ik zal er velen mee redden.' Hij ziet ze al vóór zich. Al die mensen uit allerlei volken die hun eeuwig geluk te danken zullen hebben aan Hem.

Daar worden wij stil van. We zien de Here Jezus neerknielen aan de voeten van zijn discipelen. Gekleed als een slaaf wast Hij ze schoon. 'Is het zo goed, meneer?' En wij schamen ons. Wij met onze ellebogen, onze carrièredrang, onze verbeelding. Nee, dan God, dan zijn Zoon! Wij ontdekken opeens hoe kleinzielig wij zijn. En wij voelen ons schuldig. Dienen, dat moeten wij ook. Maar niet wij doen het ook. Jezus doet het ook. Wij doen het niet.
Dan klinken ons de woorden van Jezus in de oren, die woorden over de losprijs. Wij kennen dat niet, zo'n losprijs. Maar de Israëlieten wel. Er zit iemand gevangen. De reden is misschien helemaal niet correct, maar daar doe je in die maatschappij niets aan. Het enige waar men wel gevoelig voor is, dat is voor een losgeld. Je brengt als familie het bedrag op en de man in kwestie is vrij. De zware deuren zwaaien voor hem open. Het zonlicht verblindt zijn ogen.

Gevangen: zo voelen wij ons vaak. Je weet dat het moet, je erkent het van harte, maar je kunt het niet. Maar de deur wordt geopend. 'Kom naar buiten,' zegt God, 'je bent vrij.' We knipperen met onze ogen, kunnen het niet geloven. 'Hoe kan dit?' 'Er is voor jullie betaald', zegt God, 'en het is echt genoeg.'
En op een dag, dan zitten wij daar. Nu is het voor eeuwig feest. Hij, die dit feest voor ons heeft verdiend, zit in het midden. En wij mogen ons nu láten dienen.
Het is toch maar goed, als je een relatie met Jezus hebt. Maar wat ís een relatie met Jezus? Hij kruit je niet het Koninkrijk van God binnen, zo van: 'Ik ken je wel. Je komt trouw in de kerk. Je viert avondmaal. Ga maar zitten en Ik breng je er wel.' Hij gaat je voor en jij moet volgen. Hij draagt zijn kruis en jij moet het ook dragen, in elk geval bereid zijn het te dragen. Maar zelfs dan heb je nog geen recht van spreken. Wij onderhandelen niet met Jezus. Wij gaan gewoon achter Hem aan, dienend zoals Hij diende. Hij was hier geen machthebber, maar dienaar. De rest komt dan vanzelf. Dienen doe je niet voor niets. En zoals Jezus zijn taak verstaat, verstaat God die ook.

Hij is wel machthebber, de enige goede die er is. Je kunt dan ook alles rustig overlaten aan Hem. Van Hem krijg je echt wel de plaats en de eer die je toekomt.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar