Ook de Vader in de hemel kan geen kind missen

Thema: Ook de Vader in de hemel kan geen kind missen
Tekst: Lucas 15: 12-32
Tekstgedeelte(n): Lucas 15: 12-32
Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op 17 juli 1999
Extra: Samenvatting bij de preek

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en groet
Ps. 80: 1, 8
Ps. 80: 10
Lezen: Lucas 15: 12-32
Ps. 139: 3-4, 7, 11
Tekst: Lucas 15: 12-32
Ps. 84: 5
Gez. 36
Zegen

Gemeente van Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

Een bijzonder verhaal, hoe bekend ook, die gelijkenis van de verloren zoon. Het zal je maar gebeuren. Je jongste zoon vraagt alvast zijn deel van de erfenis op. Goed, zelfs dat kan geregeld worden. Hij krijgt het geld en vertrekt. De tijd verstrijkt en je hoort niets meer van hem. Op de duur besef je: 'Deze jongen van mij zie ik nooit meer terug.'
Maar op een dag wordt er gebeld. Er staat een man voor de deur. Je kent hem niet. Hij ziet er slecht uit. Hij kon wel aan de drugs zijn. Opeens gaat er iets door je heen. Dit zal toch niet... Hij is het wel. Het is je zoon.
Wat moet je nú doen? Je armen om hem heen slaan? Net doen alsof er helemaal niets is gebeurd? Alles maar weer vergeten, zoals de vader uit de gelijkenis? Het is een bijzonder verhaal. Het is ook een gewoon verhaal. En in dat gewone verhaal komen u en jij en ik allemaal voor.

Wat ik uit naam van God tegen u en jullie moet zeggen, is in het kort het volgende:

Ook de Vader in de hemel kan geen kind missen

  1. Wie wegliep verlangt Hij terug
  2. Wie bleef wil Hij niet kwijt

1. Wie wegliep verlangt Hij terug

Ja, dat kwam vaker voor. Een jongste zoon, die het wel gezien heeft. 'Gegroet allemaal. Mij zien jullie nooit weer terug.'
Er is een brief bekend, uit ongeveer dezelfde tijd. Daarin schrijft een zoon aan zijn moeder.
"Ik schrijf je om je te vertellen, dat ik zowat geen kleren meer heb. Ik smeek je: 'Vergeef me.' Ik weet heel goed, wat ik mijzelf heb aangedaan. Ik heb mijn les geleerd. Ik weet, dat ik een fout heb gemaakt."
Zo vreemd is dat toch ook niet? Bij de jongste in een gezin gaat het vaak wat soepeler toe. Als ouder ben je milder geworden en je hebt minder energie. Daar kan de jongste gebruik en misbruik van malen. Hij of zij verzet zich dan meer tegen de regels dan de oudste ooit heeft durven doen.
Zoiets kan gemakkelijk escaleren. 'Dag vader en dag moeder, dag zuster en dag broer.'
De wereld waarin Gods Zoon mens werd, verschilt niet zo heel veel van die van ons. De mensen zijn altijd en overal gelijk.

De jongste zoon neemt grondig afscheid. De landerijen die hij krijgt, zet hij om in geld. Met dat geld vertrekt hij naar het buitenland. Heel ver weg gaat hij.
Dat buitenland is voor deze joodse jongen meteen ook het heidenland. Buiten Israël begint de wereld. En denk maar niet, dat deze jongvolwassene in de verstrooiing een joodse synagoge en een joodse gemeenschap zoekt. Het afscheid van zijn vader en moeder is tegelijk een afscheid van de hemel.
Hij heeft lak aan de regels van thuis én aan de wet van God. Dat blijkt. Want in het land waar hij zijn stekkie zoekt gaan al zijn remmen los. Hij organiseert mega-fuiven. Hij zuipt bij het leven. Hij versiert het ene na het andere stuk. Hij is de gevierde jongen, de Don Juan, een vent die genieten kan.
Maar op een dag is het geld op. Lenen lukt hem ook niet meer. Zijn schulden zijn veel te groot en ieder die geld heeft weet dat inmiddels.
En, dat zul je net zien, juist in die periode ontstaat er in dat land een hongerprobleem. De producten worden hoe langer hoe duurder. Hoe komt die jongen nu aan eten? Hij zoekt en vindt een man, bij wie hij wat verdienen kan. Het is een varkensboer en hij mag op zijn beesten passen.

Voordat een Jood dát doet. Als Jood maak je deel uit van het uitverkoren volk. Zelfs al lap je de wet van God aan je laars, je adel vergeet je nooit. En dat uitverkoren volk kent geen zwijnen. Zwijnen zijn onrein. Hun vlees smaakt je niet.
Maar honger maakt rauwe bonen zoet. De jongen, intussen een man, treedt in dienst bij die varkensboer. Maar het loon is karig. Zo karig, dat de honger blijft knagen. Zo betrapt hij zich op een gegeven moment erop, dat hij begerig zit te kijken naar het varkensvoer, de schillen van de vruchten van de Johannesbroodboom.
En dan wordt hij eindelijk wakker. Waar is hij nou helemaal mee bezig? De dagloners van zijn vader hebben het nog beter dan hij. Nu gaat het allemaal heel vlug. Hij prent de formulering precies in zijn hoofd. Hij snapt natuurlijk ook best, dat hij niet zomaar weer bij zijn vader aan kan komen. Hij heeft gezondigd. Tegen de hemel, tegen God. Tegen zijn vader. Hij heeft al zijn rechten verspeeld. Van het familiebezit krijgt hij niets meer. Door deze hele geschiedenis verdient hij het ook niet om nog langer zoon te zijn. Maar als hij nu eens dagloner wordt. Als hij bij deze varkensboer werkt, kan hij ook bij zijn vader werken.
Zo gaat hij de lange reis terug. En u weet, hoe het afloopt. Zijn vader ziet hem al van verre aankomen. Hij loopt hem tegemoet. Hij slaat zijn armen om hem heen en kust hem.

Waarom vertelde de Here Jezus dit verhaal?
Dat leest u aan het begin van Lucas 15. Regelmatig komen er een heleboel tollenaars en zondaren bij Jezus. Zij luisteren naar wat Hij zegt en Híj eet met hen. De Farizeeën en hun schriftgeleerden hebben daar veel kritiek op. De tollenaars persen hun volksgenoten af. De anderen misgaan zich op andere wijze. Vooral door hun uitgaansleven. Midden in Israël gedragen zij zich als heidenen. Geen wonder, dat een aantal van hen in de prostitutie terechtkomt of in de criminaliteit. De Farizeeën hebben grote moeite met deze volksgenoten.
Zij begrijpen Jezus niet. Als deze mensen en masse bij Jezus komen, ontvángt Hij hen. Hij eet zelfs met deze onreinen. Dáárom vertelt de Here Jezus dit verhaal. Hij laat de joden zien wat er met déze joden aan de hand is. Waaróm gaan zij naar Jezus? Omdat zij eindelijk wakker geworden zijn. Zij hebben nú door, hoe leeg hun leven is.

Soms komt er iemand terug bij de kerk. Iemand, die een tijdlang het spoor bijster is geraakt. Hij of zij realiseert zich, dat het in de kerk nog zo slecht niet was, dat het daar zelfs beter is dan er buiten en dus meldt zij of hij zich weer aan. Dat is prachtig. Wij vinden dat mooi. We zouden willen, dat het vaker gebeurde. Waarom komt het eigenlijk zo weinig voor? Je hoort dan van die verhalen over opwekkingsbijeenkomsten, dat mensen naar voren lopen en hun hart aan Jezus geven. Waarom gebeurt dat bij ons niet? Of is zo'n bekering te oppervlakkig?
Hoe kwam het nu eigenlijk, dat die jongste zoon weer terugging? Dat kwam door dat grote verschil. Het contrast tussen het leven bij zijn vader en de situatie van dat moment. Bij zijn vader was het goed. Dat realiseerde hij zich toen niet, maar dat was wel zo. Zelfs de dagloners hadden het er goed.
Als de kerk de liefde van God doorgeeft en voorleeft, dan blijft die kerk trekken. Natuurlijk verwácht de Here ook iets van je. Dat moet je als kerk ook zeggen. Maar wat God je geeft is altijd veel meer dan wat Hij van je krijgen wil. En dát trekt. "Eén dag is in uw huis mij meer dan duizend zonder U, o Heer." Dat zeg je, als je de líefde van je Vader kent.
"Stel mij gelijk met één van uw dagloners." Dat die zoon dát durft te vragen! Als die vader íemand niet als dagloner wil hebben, dan is het wel die ontaarde zoon. Maar de jongen kent zijn vader. Hij kent zijn normen. Indertijd verzette hij zich daartegen. Nu niet meer. Hij weet, dat die normen goed zijn. Maar hij kent vooral zijn liefde. Het is zíjn vader.
Woont deze God zo ook in de kerk? Geven wij Hem de ruimte om te zijn wie Hij is?

De vader ziet zijn zoon al van verre aankomen. Hij laat hem ook niet uitspreken. Het wordt weer helemaal zijn zoon, ja meer dan dat. Het beste kleed krijgt hij aan. Een ring aan zijn hand, een zegelring, waarmee hij contracten bezegelen kan. Schoenen aan zijn voeten. Die dragen in huis maar weinigen, zelfs de gasten niet -die doen ze uit-, eigenlijk alleen de vader, die gastheer is. Dat is die vader nu ook. Een groot feest richt hij aan. Het gemeste kalf, dat altijd voor een bijzondere gelegenheid wordt bewaard, wordt nu geslacht. Waarom doet de vader dit allemaal?

Vlak vóór deze gelijkenis vertelde de Here Jezus twee andere gelijkenissen. U leest ze aan het begin van Lucas 15.
Het eerste ging over een schaap, dat kwijt was. 's Avonds bij de kooi telt de herder er 99, terwijl hij er 100 heeft.
Het tweede ging over een schelling, een muntstuk. Een vrouw heeft er 10, die ze waarschijnlijk aan een ketting om haar hals draagt, als sierraad. Maar op zeker moment mist ze er één.
De herder gaat weer de wildernis in. Hij heeft een lange dag achter de rug en het wordt al donker en toch zoekt hij netzo lang totdat hij dat schaap gevonden heeft.
En de vrouw veegt het huis en zoekt zorgvuldig, tot ze de schelling vindt.
Waarom doen ze dat? Blijven er niet 99 schapen over en 9 schellingen? Ja, maar een goede herder kan geen van zijn schapen missen. En een vrouw, die gehecht is aan haar halsketting, is niet eerder rustig voordat die tiende munt er weer aanzit.
En een goede vader, en natuurlijk ook een goede moeder, is niet eerder tevreden dan wanneer het hele gezin weer compleet is. Eén van de jongens kan nog zoveel hebben uitgespookt, maar de lege plaats is een lege plaats! Het blijft je kind!
En daarom is dit bijzondere verhaal toch een gewoon verhaal. Het bijzondere is wel, dat God ook echt vader is. Ook al is Hij almachtig en ook al heeft Hij in deze wereld een heleboel kinderen, je wordt bij Hem nooit een nummer. Hij kent je. Hij weet wie je bent. Hij heeft door hoe jij je voelt. Hij kent je, als je blij bent. Hij kent je, als je faalt. En Hij wil jou niet kwijt. Als je weggaat bij de kerk, als je weggaat bij Hem, dan legt God zich daar nooit bij neer. Hij is niet eerder rustig, dan wanneer jij weer teruggaat. Ook de Vader in de hemel kan geen kind missen.

Iemand zit op zijn kamer. Het is zondag. Vroeger ging hij op zondag naar de kerk. Nu doet hij dat al jaren niet meer. Het contact met zijn ouders is verbroken. Tot voor kort had hij nog een paar goede vrienden, maar dat is nu ook voorbij. Hij verveelt zich. Wat moet je nou ook op zo'n lange dag doen? Uit een soort automatisme doet hij de radio aan. Hij zoekt de zenders af. Dan hoort hij een stem. De woorden die de stem spreekt, klinken bekend. Dit is een kerkdienst. Al gauw herkent hij het verhaal waarover de dominee preekt. Het is de gelijkenis van de verloren zoon.
En dan komt het: 'God', zo zegt de predikant, 'is een echte Vader. Ook Hij kan geen kind missen en wie wegliep verlangt Hij terug.'
God is een echte Vader. Maar ook een volmaakte Vader.
Alles vergeven. Heel vaak lukt dat ons niet. Maar het lukt God wel.

2. Wie bleef wil Hij niet kwijt

De Here Jezus vertelde de gelijkenis van de verloren zoon aan de Farizeeën en hun schriftgeleerden. Tot nu toe konden die het verhaal goed volgen. Wat dacht u, dat de Farizeeën niet wisten dat God barmhartig is, dat Hij ontzettend goed vergeven kan? Zij kenden het Oude Testament heel goed, het eerste deel van onze bijbel. Ook in dat deel staat zoveel over de goedheid van God. Hoe vaak zocht de Here het ongehoorzame Israël niet uit eigen initiatief weer op? Hun probleem was niet, dat er genade is voor tollenaars en andere slechte joden. Hun probleem was wel, dat al die mensen bij Jezus kwamen. En toch hadden zij moeite met de genade. Ze zagen dat alleen niet. Daarom gaf de Here Jezus hun een plaats in zijn verhaal.

Opnieuw blijkt dan hoe gewoon dit verhaal is. In het gezin van de vader is nog een zoon. Hij is de oudste. We kwamen hem al tegen aan het begin van de gelijkenis, verzen 11 en 12. Daarna verdween hij meteen het ons zicht. Nu komt hij weer in ons blikveld. De oudste zoon is eerst nog op het land. Aan het eind van de werkdag gaat hij naar huis. Maar dichtbij huis gekomen, klinkt hem muziek tegemoet. En op de maat van de muziek wordt gedanst. Groot feest dus. Wat is hier loos?
Hij roept iemand van het dienstpersoneel, die hem meteen op de hoogte stelt. 'Uw broer is weer terug, gezond en wel, en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten.' Nu wordt de man boos. Bewust blijft hij buiten. Hier hoort hij even niet bij. En de rest weet u.

Ja, zo gaat dat toch? Bij de jongste uit een gezin gaan de teugels al wat losser, maar bij de oudste worden ze nog strak aangetrokken. Zo leert een oudste wat verantwoordelijkheid is en plichtsbetrachting. Maar de last van het de oudste zijn weegt soms wel zwaar. Geen wonder dat de oudste broer jaloers wordt. Zijn jongste broer heeft zich dingen gepermitteerd, die hij nooit zou durven. Ondanks dat wordt hij met vlag en wimpel binnengehaald.

De Here Jezus tekent die oudste alsof hij een Farizeeër is. Hoor hem eens praten: 'Nooit heb ik uw gebod overtreden.' Dat zou een Farizeeër zó kunnen zeggen. Het zou wel heel gek zijn, als de Farizeeërs niet doorhebben dat Jezus hier hén bedoelt. Een Farizeeër leek ook sprekend op een oudste zoon. Plichtsgetrouw, met veel ijver voor het gezag van vader, met een groot verantwoordelijkheidsbesef als het om het beláng van vader ging. Maar ook bij de Farizeeërs escaleerde dat. Zo is de oudste een knecht van zijn eigen vader geworden. Achteraf blijkt nu, dat zijn ijver voor vader niet een ijver uit liefde was. Eigenlijk had hij ook liever feest willen vieren. Een twééde feit komt aan het licht. Al die jaren van trouwe dienst zijn voor de oudste een zware last geweest. En de vader staat voor een nieuw probleem. De jongste is terug, maar straks is hij de oudste kwijt.

En weer neemt deze vader zelf het initiatief. Ook al is het feest en is hij gastheer, hij gaat de feestzaal uit, het donker in. 'Kind', zegt hij tegen zijn zoon, 'jij bent altijd bij mij en al het mijne is het jouwe.' Dat is heel tekenend, maar ook heel duidelijk. Als vader, en moeder, kun je geen kind missen. Die oudste kan nog zo hoogmoedig zijn, zo afstandelijk en bewust van zijn eigenwaarde, maar het blijft je kind. En die lege plaats aan tafel: daar moet híj zitten.

Er zijn in de kerk mensen, die hechten aan de norm. Zij hebben een gevoelige antenne voor wat tot eer is van God. Zij kaderen zichzelf gemakkelijk in en zouden dat het liefst met iedereen doen.
Maar er zijn daar ook mensen, die hechten aan hun vrijheid. Zij kunnen heel goed genieten van Gods genade en van zijn goede scheppingsgaven. Ze zijn creatief en ze zouden hun eigen vrijheid graag aan iedereen gunnen. Maar God kiest niet vóór de één en tegen de ander. Hij kiest wel tégen beiden, als beiden de proporties uit het oog verliezen. Vrijheid is goed, maar als je daarvoor bij God vandaan moet, is er iets mis. Gehoorzaamheid is prima, maar een kind is geen knecht. En ook de Vader in de hemel kan geen kind missen.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar