Een weltoegerust volk voor de Here (Adventstijd)

Thema:

Een weltoegerust volk voor de Here (Adventstijd)

Tekst: Lucas 1: 16-17
Tekstgedeelte(n):

Maleachi 4: 5-6
Lucas 1: 5-25

Door: Ds. Roelof Sietsma (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Grootegast)
Gehouden te: Assen-Zuid op 23 december 2001 (in oorspronkelijke vorm)

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 81: 1-2
Wet
Gez. 10: 1-3
Gebed (verootmoediging, schuldbelijdenis en bede om verlichting door de Geest)
Lezen: Maleachi 4: 5-6 en Lucas 1: 5-25
Gez. 8: 2-3
Tekst: Lucas 1: 16-17
Preek
Lied 473: 1, 6, 10
Gebed (dankgebed en voorbeden)
Collecte
Ps. 121: 3-4
Zegen

Geliefde Gemeente van onze Here Jezus Christus,

't Is bijna Kerst. We leven nog in de tijd van Advent, de dagen van de verwachting van de grote blijdschap, de tijd vlak voor Kerst. Maar het is nu toch vlakbij.
Best spannend: over korte tijd is het Kerstfeest.
Vier het, maak er een feest van. Vier het met je hart: wees blij om de Liefde van God, die Hij uitstortte over de mensen in de komst van Jezus, door Maria.
Maar die geschiedenis die komt nog.
Vandaag het verhaal dat eraan vooraf ging: het verhaal van Johannes! Ook al zo'n mooi verhaal!
In deze onstuimige tijd, waarin de boze rondtrekt om onheil te stichten en steeds meer tekenen wijzen op de naderende terugkomst van onze Verlosser: Jezus Christus, mogen we weten dat het niet stuk kan: de Christus is veilig. Hij is geboren, Hij heeft geleefd, Hij leeft nog steeds, voor altijd, want Hij heeft zijn werk afgemaakt. We hebben echt reden om te vieren. Het is feest! Want Hij heeft ook gewonnen! Zo vieren we Kerst. Als een feest.
Vandaag gaat het ook over een klein kindje: een kindje voor Zacharias en Elisabet.
Dit verhaal gebeurde vlak voor de komst van de Christus.
Het is een heel aangrijpend verhaal, als je denkt aan het kader waarin het plaatsvond: de satan, de boze stond toen namelijk ook al als een woedende klaar om toe te slaan, waar hij ook maar de kans kreeg. En dan laat God een wonder gebeuren:

Als Zacharias, de priester, dienst doet in de tempel - en dat gebeurde maar twee keer per jaar voor de tijd van een week, want er waren heel veel priesters, en ze moesten allemaal aan de beurt komen - dan werpen ze elke dag het lot om te zien wie het reukoffer moet brengen. En er zijn zoveel priesters, dat ze afgesproken hebben dat wie het al gedaan heeft, niet weer aan de beurt komt, zodat de anderen ook een kans krijgen. En zo kan elke priester dus maar één keer in zijn hele leven het reukoffer brengen.
En juist op de dag dat ze het lot geworpen hebben, en het lot op Zacharias is gevallen, en hij het reukoffer aan het brengen is, dan komt er een engel van God. Het is de engel Gabriël, een belangrijke sterke engel, die rechtstreeks van God komt, - we kennen hem al uit het boek Daniël -, en hij vertelt Zacharias dat zijn vrouw een zoontje zal krijgen! Niet zomaar een kindje, maar een bijzondere zoon. Bijzonder voor heel Israël.
Daarom wordt het ook daar aangekondigd! Bij het altaar, en op dat moment. Terwijl het volk buiten staat te bidden!
Bijzonder groot zal hij zijn, vol van de Geest van God, en met een bijzondere werking. Opnieuw een groot wonder.
Op zich al, want Zacharias en Elisabet konden geen kinderen krijgen!
Ze waren al oud, en hadden nooit een kindje gekregen.
Vergelijkbaar met Abraham en Sara.
En Zacharias kan het dan ook niet geloven.
Maar Gabriël zegt: het is echt waar, en vanwege je ongeloof en als teken dat het echt waar is, zul je niet kunnen praten totdat het gebeurt!
En Zacharias is doof en stom gebleven tot die dag van de geboorte van Johannes!

Maar, om nu beter tot onze tekst te komen: wat zegt Gabriël tot Zacharias?
Wat is nu de boodschap aangaande het kind dat ze mogen verwachten?
En dan zien we dat Gabriël best veel vertelt aan Zacharias. Vanaf vers 13 tot en met vers 17 praat de engel onafgebroken, en daarna gaat het gesprek tussen hem en Zacharias nog verder. Als we ons beperken tot zijn boodschap van vers 13 tot en met vers 17, dan kunnen we die verdelen in twee thema's:
Vers 13 tot en met 15 kondigen vooral vreugde, genade en blijdschap aan, om de verhoring van de gebeden, maar ook om wie dit kind zal zijn: een sterk en groot mens voor God, al van kind af aan!
De verzen 16 en 17, onze tekst, leggen vooral uit wat de werking van dit kind zal zijn! Wat zal hij concreet doen dan? En dan zegt vers 16: hij zal vele van de kinderen van Israël bekeren tot de Here, hun God. Bij kinderen moeten we niet denken aan kleine kinderen, maar aan afstammelingen. Kinderen van Israël betekent: afstammelingen van Jakob, dus het volk Israël! Velen van het volk zal hij tot bekering brengen, tot omkering.
Maar hoezo dan, omkeren?
Nu, ze stonden met hun rug naar God toe.
Zoals zoveel mensen, ook vandaag, die steeds maar vooruit kijken. Ze zoeken zelf een richting, maar staan met de rug naar God toe. Dwalend gaan ze verder, voor hun gevoel wel vooruit, maar ze komen maar niet dichter bij God.
Maar de neuzen van de mensen moeten dus eerst naar God gericht worden. En met de neuzen ook de ogen en de oren. Wij, mensen, moeten beginnen met vragen: wat wil God nu van mij, ook in deze situatie, waarin ik nu verkeer. Luisteren en kijken naar God. De Bijbel pakken, en Hem zoeken, en dan even stilzitten en nadenken en bidden, en je afvragen: zie ik het nu?
Hoor ik nu wat Hij van me vraagt? Vandaag? Deze week?
En zover zou dit kind, Johannes, velen brengen! Hij zou de mensen als het ware wakker schudden, zodat ze zouden gaan denken: Laten we eerst eens vragen wat God er van vindt, wat Hij er van zegt! Zo zou hij vele Israëlieten bekeren tot de Here, hun God. Dezelfde God die ook onze God wil zijn.
En dan gaat in vers 17 onze tekst verder: Hij zal voor zijn aangezicht uitgaan, dat 'aangezicht' slaat terug op 'de Here hun God', en aangezicht betekent gewoon: gezicht. Dat is: Hijzelf.
Hij zal dus voor God Zelf uitgaan. En in dezelfde richting gaande als God, zal hij eerst komen als een heraut, als een voorbode, dat is iemand die de komst van een belangrijke persoon aankondigt. Als de Koningin er aankomt, dan verschijnen er eerst een paar politieagenten of marechaussees, en dan pas de koningin.
En zo zal dit kind de komst van God aankondigen!
Dat is groot nieuws! De komst van God! God zal dus Zelf komen!
En Johannes mag dit aankondigen: Hij komt eraan! Maak je klaar!
Johannes mag de komst van de Christus, de Immanuël, de "God met ons", verkondigen!
Maak je klaar, zo staat het ook aan het eind van vers 17: het volk Israël moet goed voorbereid God, in Christus, kunnen ontvangen. Een weltoegerust volk, heet dat.
En hoe zal Johannes dit nu klaarspelen? Hoe zal hij het volk kunnen leiden tot die bekering? Ook dat blijkt uit vers 17: Hij zal dus voor God uitgaan in de kracht en de geest van Elia, staat er, om ze zo tot bekering te brengen.
En Elia stond bekend in Israël als een van de krachtigste profeten. Want profeten waren er ook in soorten en maten: kleinere en grotere, maar Elia was een van de grootste: denk maar aan de moed die hij had om de goddeloze koning Achab te bestraffen. Obadja, de dienaar van de koning was zelfs bang om de koning alleen maar te zeggen dat hij Elia had gezien. Als ik dat doe, dan doodt hij me, zei Obadja!
Maar Elia zegt tegen hem: wacht maar, ik ga zelf wel naar hem toe, en onverschrokken vertoont hij zich aan de koning, die woedend is, omdat het land al drie en een half jaar ligt te verdorren en te verdrogen, dankzij die ellendige profeet Elia! Maar Elia toont zijn moed. Als enige profeet van God waagt hij zich in een menigte van honderden Baäldienaren, en hij overtroeft en overwint hen! Dat was Elia, de man die door God werd opgenomen in een storm, door een vurige wagen met vurige paarden ervoor. Zo werd er van hem verteld, over hem voorgelezen. Dat was de moed, de geest en de kracht van Elia. En zo zou dit kind worden.
En zo was het ook voorzegd, eerder al door profeten! De laatste profeet uit de tijd van het Oude Testament, Maleachi, had hem aangekondigd. We hebben het gelezen: Vóór de grote dag zal eerst Elia komen! Dat betekent zoveel als: vóór dat God Zelf komt, komt eerst zijn heraut voor hem uit!
Johannes komt voor de Christus uit.
En dan staat er verder in vers 17 nog eens beschreven hoe de bekering van het volk plaatsvindt. De engel Gabriël zegt: Hij zal als een Elia voor God uitgaan, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, en zo zal dat volk zich klaarmaken om God te ontmoeten. Dit is een duidelijke verwijzing van de engel naar de profetie van Maleachi. Daar had de profeet bijna hetzelfde gezegd: Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen.
Dat betekent niet dat Johannes ruziënde vaders en kinderen met elkaar zal verzoenen, maar het betekent dat de vaders, die het beeld zijn van gehoorzaamheid en godvrezendheid, weer tot de kinderen kunnen uitgaan, omdat de ongehoorzame kinderen zich hebben bekeerd, en hun zonden nalaten. Zó kan men elkaar, als ouders en kinderen, weer liefhebben.
Alleen in eenzelfde geloof en eenzelfde gehoorzaamheid.
En dat blijkt dus, als Gabriël er een zin aantoevoegt, die Maleachi niet uitgesproken heeft: Gabriël zegt: deze man zal zo de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen keren. Van mensen die slechte dingen bedenken, zal hij ze maken tot mensen die rechtvaardige, goede dingen bedenken en uitvoeren.
En zo legt Gabriël in onze tekst, vers 16 en 17 uitvoerig uit, wat voor werking dit kind zal hebben. Een prachtige boodschap. Geen wonder dat zijn geboorte vreugde en blijdschap veroorzaakt, als hij zoveel mensen tot bekering mag brengen!

Maar nu dan de vraag: hoe is dit nu in vervulling gegaan? Want we hoeven niet te doen alsof we van niets weten. We weten heel goed hoe het met Johannes gegaan is, na zijn geboorte. Herkennen we dit? Eerst het optreden zoals een Elia, en dan die bekeringen, zodat het volk klaar was bij de komst van God in Christus?
Nu lijkt het, dat het eerste, het komen als een Elia, het beste te herkennen is: Johannes kleedde zich toch als een profeet. Zoals we ons Elia voorstellen, in zijn speciale profetenmantel, zo zien we ook Johannes later optreden. Zoals Elia sober kon leven, bij Krith, gevoerd door de raven, bij de weduwe, in de woestijn, maar ook zeer krachtdadig op kon treden tegenover Achab en de Baälpriesters, zo kon Johannes ook sober leven, hij overleefde van honing en sprinkhanen. Maar hij kon ook net zo krachtdadig optreden tegenover de leiders: 'Slangenbroedsel zijn jullie', kon hij uitroepen naar de valse leiders van het volk, 'denk je dat je Gods straf zult ontlopen? Geen denken aan! God staat al klaar met zijn oordeel. Bekeer je toch snel, voordat het te laat is!'
Maar dat andere? Heeft Johannes zoveel mensen tot bekering gebracht? Heeft door hem en door zijn werk het volk zich voorbereid om de Christus te ontmoeten?
En het antwoord is: ja.
Niet alleen maar omdat het hier geprofeteerd staat, maar ook de evangeliën getuigen en vertellen ervan. Vaak zijn het kleine berichtjes, waar je gemakkelijk overheen leest. Maar denk bijvoorbeeld eens aan Lucas 7, vanaf vers 27. Daar staat: "Deze, dat is: Johannes, deze is het, van wie geschreven staat: 'Zie, ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor u heen bereiden zal'." Ook Jesaja had dat gezegd, dat er iemand moest komen, die voor God uit zou gaan.
En die voorloper is Johannes, zegt Jezus Christus Zelf hier.
Hij is de heraut van God, om de weg voor God klaar te maken!
En dan volgt in vers 28 een plaatsbepaling voor Johannes: hij is de grootste tot nu toe, maar de kleinste in Gods Koninkrijk - want Gods Rijk, dat komt pas na hem, met de Christus Zelf.
En dan gaat vers 29 verder: "en toen al het volk dit hoorde, en ook de tollenaars, hebben zij God gerechtvaardigd, daar zij met de doop van Johannes gedoopt waren. Maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen voor zichzelf de raad Gods, daar zij niet door hem gedoopt waren."
Hier zien we het resultaat van de werking van Johannes!
Het volk, een grote menigte, heeft zich bekeerd! En ook de tollenaars, de mannen uit de foute hoek, van de verkeerde kant! En ze lieten zich ook dopen, en zo, als gedoopten en gelovigen prezen en rechtvaardigden ze God.
Maar de theologen niet. Zij prezen God niet, omdat ze niet geloofd hebben, en daarom ook niet gedoopt waren.
En zo mogen wij dus wel degelijk alles wat de engel Gabriël nog bijna een jaar voor de geboorte van Johannes aangekondigd heeft, herkennen. Het is vervuld in zijn verdere leven. Zo heeft Johannes het volk toegerust en klaargemaakt, door het op te roepen tot bekering.
En het volk heeft dat gedaan. Wat een blijdschap. Wat een vreugde.
Want zo kon de Christus komen, en verder gaan, en zijn werk doen, ook al zouden velen van het volk Hem later verwerpen. Dat doet hier niets vanaf.
En nu, wat zegt dit alles ons?
En dan is het goed om toch nog iets verder te kijken naar het leven en het werk van deze man: Johannes. U kent het verhaal, ook de afloop van zijn leven.
Hoe Johannes zelf, later, in de gevangenis getwijfeld heeft aan de identiteit van de Christus: bent U het nu echt, of komt er dan nog iemand na U?
En dan zijn einde, in de gevangenis: onder Herodes, de viervorst, terwille van Herodias en haar knappe dochter. Als je daaraan denkt, fronst U dan ook uw wenkbrauwen, als U Gabriël hoort spreken over enkel zoveel vreugde en blijdschap?
Was dat niet te positief?
We kunnen die vraag alleen maar ontkennend beantwoorden, en zo Gabriël in zijn vreugde bijvallen, als we zien hoe gééstelijk die vreugde en blijdschap waren. Er zou geen vreugde zijn omdat Johannes een mooi leventje zou krijgen. Maar omdat het volk naar de Verlosser toe geleid zou worden!
En dat zou Johannes zijn leven kosten. Die moed van Elia, waarmee hij later Herodes bestrafte, kostte hem later zijn kop, het leven! Vreselijk.
En zo zien we ook weer de boze, die we ook in het begin al noemden.
Ook voor Johannes gold wel dat het Kind zeker zou komen én overwinnen, maar ook dat die boze, ook wel de draak genoemd, als een woedende ziedend tekeer ging! Die boze zou het zelfs zover laten komen, dat het eigen hoofd van Johannes, die trouwe heraut, er met geweld afgehouwen zou worden! En op een schaal zouden ze 't aanbieden aan de dochter van Herodias en haar moeder. En dat betekent iets voor ons.
Het betekent dat bij het volgen van God, en het volgen van Christus, lijden hoort.
Jezus Zelf heeft geleden tot de dood aan het kruis, maar niet alleen Hij, ook zijn volgelingen. Johannes stierf de marteldood, vanwege zijn geloof! In zijn eigen joodse vaderland, nota bene! In het land en voor de ogen van het volk dat God beleed en vereerde, daar gebeurde dat grove onrecht! Hij predikte bekering ten leven, en moest het bekopen met gevangenschap en dood.
Maar in werkelijkheid was hij niet dood, ook al was hij gestorven.
Dat is het geheim van de kinderen van God.
Lijden, het hoort bij het volgen van Christus.
Voor de een meer en anders dan voor de ander. God geeft aan ieder een verschillende last.
Wij leven nu ver na de tijd van Johannes, toen hij op aarde was. Maar er is een overeenkomst: zoals de wereld toen de komst van de Verlosser verwachtte, en het volk zich daar klaar voor moest maken, zo verwachtten wij zijn Wederkomst, en maken we ons daar klaar voor.
En, zoals God voor zijn eerste komst wilde, dat de mensen zich bekeerden tot Hem, zou Hij dan nu iets anders willen? Nee, we mogen het nog krachtiger zeggen: bekering en geloof, dát is het, wat God wil! De apostel Johannes zegt het duidelijk: heel het Evangelie is geschreven, alleen maar, opdat U gelooft in Hem! Daar is het God om te doen, dat de mensen zullen geloven! En geloven is: je omkeren naar Hem, toegekeerd tot Hem leven! Met Hem leven, elke dag!
Christus Zelf toonde dat dát zijn voornaamste zorg was, toen Hij het zei: Ja, mijn Vader hoort zijn kinderen wel. Weest maar niet bang, maar de mensen dan? Zal de Christus nog het geloof op aarde vinden, als Hij terugkomt? (Lucas 18: 8). Dat was Jezus' grootste zorg. Dat de mensen zich zouden bekeren.
En laten we niet snel denken en antwoorden nu: gelukkig maar, dat wij al bekeerd zijn, in de zin van: wij geloven wel. Want dat deden de Joden ook wel, toen Johannes kwam. Maar het gaat er hier om ons te bekeren van verkeerde dingen in ons leven, zoals ook Johannes daartoe opriep. Ook verkeerde dingen in het leven van ons, gelovigen! Dat hebben we allemaal nodig. En niet één keer, maar steeds opnieuw. En dan gebeurt het dat hoe meer we daarmee bezig zijn, om ons te bekeren, dat we dan steeds beter zien hoe hard we die bekering nodig hebben. Ja, het klinkt iemand misschien vreemd in de oren, maar het is waar: hoe meer we Christus volgen, hoe meer we gaan lijken op die tollenaars, die berouw kreeg, samen met het zondige volk, in tegenstelling tot de theologen, die zich verhardden!
En als we gaan lijken op die tollenaars en het volk, dan gaan we ook bidden wat zij baden. Ook met Kerst! Ja, natuurlijk danken we voor het Kind, Jezus, dat Hij gekomen is. Dat is Kerst, en we loven en prijzen God daarom. En we bidden om vrede, meer vrede op de aarde. Maar we bidden ook wat die tollenaar bad.
Weet U het nog?
Hij bad niet van: 'o, gelukkig, dank U wel, God, dat ik er nu gelukkig ben, in tegenstelling tot die anderen, die U niet kennen, en maar aanrommelen.'
Nee, hij bad: 'o God, wees mij, zondaar genadig.'
Dan wordt het echt Kerst. Kerst in onze harten. Dan schept het berouw in onze harten een plaats om Christus te ontvangen als Redder en Verlosser. Dan vinden we geestelijke vreugde en blijdschap om alles wat Hij ons gratis geeft. Dan zijn we goed voorbereid en klaar, als Jezus Christus komt, wie weet morgen of volgende week, en vraagt: 'en jij, geloof jij in mij?' Dan komt het er zo uit: 'Ja Here, ik heb U zo nodig, U alleen kunt mij verlossen. O God, wees mij, zondaar, genadig.'
[ Eventueel: Laten we daarom ook zingen: Neem mijn leven, Heer, neem alles van mij, en laat mij U zijn toegekeerd en toegewijd. ]

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar