Hij die de dood overwon overwon die dood voor ons

Thema: Hij die de dood overwon overwon die dood voor ons (Pasen)
Tekst: Johannes 20: 16-17
Tekstgedeelte(n): Johannes 20: 1-18
Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op 14 april 1995

Aanwijzingen voor de Liturgie

Gez. 21 of Ps. 21: 1-3
Lezen: Johannes 20: 1-18
Ps. 116: 4-5 of Gez. 20
Tekst: Johannes 20: 16-17
Geloofsbelijdenis: Gez. 4
Gez. 19

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

Als je 's zondags in de kerk zit te luisteren naar de preek, is het soms net alsof er twee werelden langs elkaar heenschuiven, de wereld waarin de dominee en een aantal serieuze kerkleden leven én die waarin de rest van de gemeente zich bevindt. Dat zijn voor ons gevoel dan vaak ook echt twee werelden.
Het is wel mooi wat de dominee zegt en zo zou het ook moeten zijn, maar zo werkt het eenvoudig niet.
Het wordt dan ook tijd dat de dominee en die andere mensen eens wat meer kennis nemen van wat er in die andere wereld allemaal gebeurt.
Misschien worden ze dan wat realistischer.
'Ja,' zeggen de anderen, 'maar jullie passen de boodschap van de bijbel veel te veel aan.'
En wie heeft nu gelijk?
Daar wil ik in deze Paaspreek graag iets over zeggen.
En de boodschap van de preek vat ik zo voor u samen:

Hij die de dood overwon overwon die dood voor ons

  1. Hij kwam van God bij ons
  2. Hij ging van ons naar God

1. Hij kwam van God bij ons

Die andere wereld, daar werd bv. Maria van Magdala heel duidelijk mee geconfronteerd.
Zij was een rijke vrouw. Lukas noemt haar in hoofdstuk 8 naast Johanna, de vrouw van de rentmeester van Herodes, zeg maar de vrouw van zijn minister van financiën.
Maar rijkdom maakt niet altijd gelukkig. Zeker Maria van Magdala werd daar niet gelukkig van. Want zij had zeven duivels in zich. En als u weet dat één duivel iemand al helemaal gek kan maken of blind en stom tegelijk, kunt u zich vast wel voorstellen dat die rijke vrouw uit Magdala niet meer dan een klein hoopje ellende was. Een hopeloos geval voor de knapste Joodse dokters en zelfs de Farizeese geestenbezweerders kregen die zeven duivels er bij haar niet uit.
De berichten over Jezus van Nazaret bereikten haar.
Zij heeft Hem opgezocht en Hij heeft die zeven duivelse geesten er bij haar uitgejaagd. Toen voelde ze zich een ander mens. Ze was gezond! Ze kon weer alles. Nu kon ze genieten van haar rijkdom. Maar die rijkdom was voor haar Redder!

U bent ziek. U gaat naar de huisarts en van de huisarts naar de specialist. Die specialist doet onderzoeken en gaat u daarna behandelen. Hij probeert van alles uit. Uiteindelijk roept hij u bij zich. Hij kan u niet helpen. Dat is een klap in uw gezicht.
Kort daarna hoort u over een heel deskundige dokter elders in het land, die bijzondere resultaten boekt. U brengt een bezoek aan hem. Hij onderzoekt u en behandelt u. En wonder boven wonder wordt u beter. U weet niet wat u overkomt. En u roemt die dokter tegenover al uw vrienden en familieleden.

Maria uit Magdala is natuurlijk ontzettend goed over Jezus te spreken. Maar dat niet alleen. Zij heeft ook door waar Jezus mee bezig is. Zij ontdekt in Hem de Messias van God, die de Israëlieten met woord en daad voorbereidt op het beloofde Koninkrijk.
Zij ziet het belang daarvan in. En zij sponsort Hem. Evenals Johanna, de vrouw van Chusas, een zekere Susanna en nog veel meer vermogende vrouwen.
Deze vrouwen reizen voortaan ook met Jezus mee. In welke stad of dorp de Here Jezus en zijn discipelen ook verschijnen, zij zijn erbij.

Maria van Magdala werd heel duidelijk met die andere wereld geconfronteerd. Die wereld waar God domineert, waar je zijn macht ervaart en waar je dingen voor Hem doet, die je anders niet voor mogelijk had gehouden.

Maar op die zondag is de wereld van God voor haar weer opnieuw een vreemde wereld.
Heel vroeg in de morgen, terwijl het nog donker is, komt zij bij het graf in de grote tuin van Jozef van Arimatea. Tot haar verbazing is de platte ronde steen van voor de opening weggehaald. Zij kijkt in een donker gat en concludeert meteen, dat de overledene is weggehaald. 'Kunnen ze Hem nu nog niet met rust laten?'
Ze holt direkt naar het huis waar Petrus verblijft en daarna naar de woning waar Johannes is.
Die lopen meteen de deur uit, zo snel ze kunnen naar het graf. Johannes is er het eerst, maar hij wacht op Petrus en laat hem voorgaan. Dan gaat Petrus naar binnen en neemt alles nauwkeurig in ogenschouw.
In de halfdonkere grafkamer ziet hij achterin in de nis het omhulsel liggen. Maar bij nader inzien ontbreekt de zweetdoek. Die ligt op een andere plek. Petrus roept Johannes en hij kruipt door de opening ook de donkere grafkamer in.
Hij ziet hetzelfde als wat Petrus zag en hij gelooft. En toch gaat hij daarna weer netzo als Petrus naar zijn verblijfplaats in de stad.
Maar Maria is er nog. Zij volgde Petrus en Johannes op enige afstand naar het graf. Nu lopen de beide discipelen haar voorbij.
Maria huilt. Wat zou u doen, als het graf van iemand van wie u heel veel gehouden hebt geschonden bleek en zelfs leeg? Maria huilt. Maar zij bukt zich nu ook en kruipt door de opening naar binnen. Daar ziet zij hetzelfde als wat Petrus en Johannes hebben gezien, maar nu nog eens extra gemarkeerd door twee schitterend witte gestalten, de één aan het hoofdeinde en de ander aan het voeteneinde.
Wat betekent dit? Wat wil het zeggen als u in een cel een paar gebroken handboeien ziet liggen, terwijl de deur van de cel wijd open staat? Dan is de vogel gevlogen.
Waarom ontbreekt bij het hoofdeinde vlak naast die ene blinkende gedaante de zweetdoek? Waarom is het omhulsel er nog wel? Zijn hier grafrovers aan het werk geweest?
Maria denkt nog steeds van wel. En als de engelen haar vragen wat er is, zegt ze dat ook, dat de overledene is weggehaald en dat ze daardoor van streek is.
Dan keert ze zich om. Die beide mannen weten het ook al niet. Door de opening ziet ze buiten het graf Jezus staan. Ze denkt, dat het de vaste verzorger van de tuin is.
Nu ziet hij haar ook. Hij vraagt haar wat er is en waarom ze huilt. 'Wie zoekt u?' zegt hij.
Zou hij misschien de meester hebben weggehaald? Ze vraagt het hem.

Wat werkelijkheid is voor God is het voor Maria niet. Hoe komt dat?
Dat komt door Jezus' kruis. Door zijn terechtstelling op het Schedelveld, midden tussen misdadigers. Dat Jezus daar machteloos hing en niets deed, misschien toch niets kon doen?
Het heeft haar diep ontnuchterd. Haar genegenheid is gebleven, maar van haar verwachting is de bodem ingeslagen.
Jezus uit Nazaret is voor haar de Messias niet meer. En als dat eenmaal in iemands hoofd zit, krijg je het er niet gemakkelijk meer uit.

'Als iemand voor mijn fouten moet opdraaien, doe ik het liever zelf'. Dat hoor je wel eens zeggen. Daar schrik je dan van. Maar hoe zijn wijzelf?
Hoe komt het dat het ook ons soms zo weinig zegt in de kerk, terwijl toch alles wat daar gebeurt om de verzoening van onze zonden door het kruis van Jezus Christus draait?
Ja wellicht komt het juist daardoor. 'Zijn wij dan werkelijk zo slecht?'
Als we ook maar ergens een beschuldiging in horen, verdedigen we ons meteen. Waar je niet aanwilt, dat zie je ook niet. Het is niet voor niets, dat die beide werelden voortdurend langs elkaar heenschuiven. Onze realiteit van de zelfredzaamheid en de eigen eer en de realiteit die God voor Zich ziet. Wat een verschil!

Maar Jezus maakt de verbinding tussen die beide werelden.
'Maria', zegt Hij.
Dat zou u ook hebben gezegd, als u een bekende vrouw had ontmoet die u zo'n vreemde vraag stelt en zich dan meteen teleurgesteld afwendt omdat toch wel geen antwoord krijgen zal. 'Maria!' En dat maakt iets bij haar los. Gewoon het feit dat Hij haar naam noemt.
Gewoon? Wat zou u ervan vinden, als de Zoon van God u met een gewone menselijke stem van een man van midden dertig bij uw naam noemde? Maar Maria was dat natuurlijk gewend.
Intussen is er echter wel wat gebeurd. Jezus heeft voor haar en voor heel veel anderen tussen de misdadigers van het Schedelveld gehangen. Maar het heeft Hem niet van haar verwijderd. Daardoor overbrugt Hij nu ook de afstand. Hij liet zich ook voor haar onbegrip straffen en voor haar gebrek aan schuldbesef. Daarvoor dat het voor haar niet hoefde, terwijl het wel degelijk moest.
'Maria', het klinkt nog netzo als altijd. Hij kent haar nog en wil daarvoor uitkomen ook. Zij herkent Hem niet maar Hij kent haar wel. Hoe kan dat?
Dat is de onbegrijpelijke liefde van God. Een liefde voor mensen die met het kruis voor ogen nog netzo hoogmoedig zijn als bij die zonde in het paradijs. 'Voor ons hoeft het niet.' Hoe bestaat het? 'Maria!' Als er dan niet iets in je breekt?

Soms is het net alsof de woorden die vanaf de preekstoel klinken uit een andere wereld komen. Ze raken je niet echt. De één heeft daar vaak last van. De ander vooral, als dat grote verdriet hem of haar weer overvalt.
Maar misschien voel je je toch opeens getroffen. Het lijkt er dan even op, dat je je naam hoort noemen: 'Yvonne, Annemieke, Janny, Peter, Hans, Jan.'
Is dat niet de Here Jezus? Hij kent je blijkbaar en wil het weten ook. Zo'n ervaring kun je hebben als je na een preek of een gesprek of een huisbezoek nog wat na-mediteert.
'Hoe kijkt de Here Jezus naar mij?'

En zo breekt die andere wereld dan binnen in de wereld waarin u en jij zich bevinden. U ziet Hem opeens. Jezus, het Lam van God dat uw zonden op zich nam. Zoals Maria Hem zag. Ze vertelde het kort daarna aan de discipelen: 'Ik heb de Here gezien.' Dat heeft dus kennelijk alles met geloof te maken, een gekregen geloof. Zien en zien is twee.

Jezus Christus overwon de dood. Kijkt u in gedachten maar naar dat open graf en let u dan op het omhulsel waaraan de zweetdoek ontbreekt. Maar Hij overwon die dood voor Maria en voor Petrus en Johannes en voor u en jou en mij. Om dat te doen kwam Hij van God bij hen, werd Hij hun menselijke vriend en de onze en zorgde Hij ervoor dat Hij ook na zijn dood nog steeds die vriend zou zijn.
Hij kwam van God bij ons, maar Hij ging ook van ons naar God.

2. Hij ging van ons naar God

Maria herkent Jezus en wil Hem meteen vastpakken.
Ja zo doe je dat, als je iemand ziet van wie je gedacht had dat hij er niet meer was. Zo pakt het meisje haar vriend die terugkeert uit een ver land in de hal van Schiphol stevig vast. In het Oosten is het nog veel gewoner om dat te doen. Denkt u er maar niets verkeerds bij, als Maria haar handen naar Jezus uitstrekt.

Maar Jezus maakt haar duidelijk dat Hij dit niet wil. Dat doet Hij ongetwijfeld taktisch, maar wel beslist. 'Doe het maar niet, want Ik ben nog niet naar mijn Vader gegaan.'
Dat gaat netzo als bij iemand bij wie je op bezoek wilt. Hij doet de deur voor je open, maar verontschuldigt zich meteen. Hij is nog bezig met een werkopdracht en die moet echt eerst af. Overmorgen mag je weer terugkomen.
De Here Jezus is ook nog met iets anders bezig. Dat heeft op dit moment voorrang.

'Ik moet nog naar boven, naar mijn Vader,' zegt Jezus tegen Maria. Daar heeft Hij het op donderdagavond met zijn discipelen nog uitgebreid over gehad. Hij nam toen afscheid van hen.
Maar niet als iemand die sterft, als iemand die vertrekt!
'Ik ga naar de Vader.'
De Here Jezus heeft dat in die donkere nacht vlak na de Paasmaaltijd herhaaldelijk gezegd. Zijn dood en opstanding zijn dan ook slechts een tussenstation.

Maria weet daar misschien wel iets van. Maar de discipelen zeker. Naar hen moet Maria toe. En dan moet ze van Jezus dit tegen hen zeggen: 'Ik ga naar boven, naar mijn Vader en jullie Vader.'
We lezen hier bij Johannes voor het eerst, dat Jezus tegenover zijn discipelen God hun Vader noemt.
Over die Vader heeft de Here Jezus het ten aanhoren van zijn discipelen vaak gehad, over de Vader die Hem gestuurd heeft, over de Vader die Hem een bijzondere opdracht heeft gegeven, die ook achter Hem staat. Ze hebben Hem zelfs met die Vader horen praten. Dat moest dan ook wel heel iets bijzonders zijn, die verhouding tussen de meester en zijn Vader boven.
Maar nu mogen ze daarin delen. Ze mogen Hem ook Vader noemen. Jezus heeft hun God als de zijne beschouwd. Hij heeft zich aan Hem onderworpen. Hij heeft Hem gegeven wat Hij als mens aan Hem schuldig was en zelfs wat alle mensen Hem schuldig waren. Zo is God zijn Vader gebleven en de hunne geworden.
En nu moet Jezus naar zijn Vader toe om zijn werk af te maken, om ervoor te zorgen dat God straks bij hen wonen kan en dat zij eenmaal bij God kunnen wonen. Dat is op dat moment veel belang-rijker dan dat Maria Jezus weer gevonden heeft.

Het is van groot belang dat je weet, dat Jezus Christus er is in je leven. Dat de wereld van God jouw wereld binnendringt. Onze wereld is zovaak een gesloten wereld: 'wij leven zo'n 80 jaar, wij leven hier en wij leven zelf.' Die gedachte klopt niet, omdat God daar geen rol in speelt.
En toch zijn wij die gedachte niet zomaar kwijt, zelfs niet als wij echt in de Here Jezus geloven. Zodoende kapselen wij Jezus Christus in in onze eigen gedachtenpatronen, voordat wij dat zelf in de gaten hebben. Wij zwaaien dan met de termen christelijk en on-christelijk alsof wij de gedachten van onze Heiland kunnen lezen. Natuurlijk doen we dat niet altijd. Onze manier van spreken is ook wel eens goed.
Maar we hebben heel goed door, dat we de aanduiding christelijk of on-christelijk ook als een machtswoord kunnen gebruiken. En wat dacht u: dat we van die zonde nooit last hebben? Was het maar waar.
Maar vergeet u dan nooit wat het meest essentiële is: in uw leven, in andermans leven, in dit land, in deze wereld.
Dat is dat Jezus Christus de relatie tussen God en deze wereld herstelt.
'Ik ga naar boven, naar mijn Vader,' zegt Jezus. Straks komt Hij bij u en u komt bij Hem. En de hele wereld moet weten, dat God Mij gestuurd heeft. Zoveel hield Hij van de wereld, dat Hij Mij, zijn enige, daarnaartoe liet gaan, met de uiteindelijke bedoeling dat ieder die in Mij gelooft het echte geluk zou krijgen.
Het is niet voor niets dat Jezus Maria naar zijn discipelen stuurt. Die discipelen moeten aan de hele wereld vertellen, dat er bij de Jood Jezus uit Nazaret redding is. Dat hij, als je dat vraagt, voor je pleiten wil bij God.
En als je daaraan denkt, dan worden veel dingen betrekkelijk.
Zelfs dingen waar je je ontzettend over kunt opwinden.
Wat hebben Maria van Magdala en Petrus en Johannnes gerend om het lichaam van de overledene weer netjes in het graf te krijgen, zoals het bij een overledene immers hoort. Zij liep van het graf naar Petrus en toen naar Johannes en toen liepen de beide discipelen weer naar het graf.
Intussen was Jezus allang weer levend.
Maar lacht u ze niet te hard uit. Alsof ónze drukte altijd zo vruchtbaar is! Die drukte kan het werk van Jezus Christus soms een heleboel schade berokkenen.

Het lijkt wel eens alsof de wereld van God en die van ons langs elkaar heenschuiven. Dat gebeurt zelfs, wanneer we dat niet in de gaten hebben.
Als Maria Jezus wil vastpakken, is dat, om het zo eens te zeggen, haar realiteit en niet die van God.
Maar waarom gaat Jezus daar dan voor die opening van het rotsgraf staan, net op het moment dat zij er weer uit wil lopen? Als Hij toch straks weer van haar af wil nemen wat Hij haar eerst geeft?
Omdat Hij haar in de herstelde relatie met zijn Vader wil doen delen én door haar zijn discipelen én door die discipelen ons.

Hij die de dood overwon, overwon die dood voor ons.
Dat maakt Hijzelf aan ons duidelijk.
Daartoe breekt Hij binnen in onze gesloten wereld.
En dan pakken wij niet Hem vast, maar Hij grijpt ons vast.
Gelukkig maar.
Hij maakt ons geloten leven open naar God.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar