Christus plaatst onze tijd in de glans van zijn eeuwigheid

Thema: Christus plaatst onze tijd in de glans van zijn eeuwigheid
Tekst: Johannes 8: 58
Tekstgedeelte(n): Johannes 8: 42-59
Door: Dr. W.G. de Vries († - destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle)
Gehouden te: Zwolle

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen: Johannes 8: 42-59
Tekst: Johannes 8: 58

Zingen:
Ps. 66: 1,3
Ps. 66: 6-7
Gez. 39: 1, 3, 6
Ps. 90: 1-2, 7-8
Ps. 105: 4-5

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus, Ons leven verloopt in tijdperken. Van baby tot kleuter. Van kleuter tot 'tiener'. Van 'tiener' tot jong volwassene. Van volwassene tot oudere. Wie tijdperk zegt, beseft dat onze tijd beperkt is. Op het Gymnasium moesten we een opstel schrijven over: Het leven is gelijk een vliet, die langs steile boorden schiet, zonder ooit te keren. Wat moesten wij 'tieners' met zo'n schone spreuk? Er lag nog een heel leven vóór je.
Tijdens mijn ambtelijk werk - op een begrafenis - zag ik een grafsteen zonder naam. Daarop alleen de woorden: Geniet van het leven, het duurt maar even. En is dat niet zo? Wat is een periode van ruim veertig jaar nu in de wenteling der eeuwen? Het duurt maar even. Schiet je leven niet voorbij als een snelle stroom en is het daarom niet beter met een Latijnse spreuk te zeggen: pluk de dag? Ja, dan gaat het over elke dag van ons leven. Maar de Bijbel spreekt ook over 'de dag'. En Christus spreekt over 'Mijn dag', waarin de vader van alle gelovigen, dus ook van ons, Abraham, zich verheugd heeft. Nog sterker, Hij zei - zie onze tekst -: eer Abraham was ben Ik. Hij zegt niet: Ik was er vóór Abraham geboren werd. Dat zou al wonderlijk genoeg zijn. De Joden riepen dan ook uit: Hij is nog geen vijftig jaar en heeft Hij Abraham gezien? Tussen haakjes: daar komt ons gebruik vandaag iemand bij zijn vijftigste een 'Abraham' te geven. Maar de Joden vonden Christus' uitspraak absurd en draaiden de zaak zelfs om: Christus zei, dat Abraham zijn dag gezien heeft, zij maakten ervan, dat Hij Abraham gezien heeft. Daarop antwoordt Christus: eer Abraham was, ben Ik. Tegenwoordige tijd. Ik ben. Absoluut.
Daarmee heeft hij de tijd geplaatst in het licht van zijn eeuwigheid. Hij is gisteren en heden dezelfde, ja tot in eeuwigheid. De eeuwigheid. Is dat niet een huiveringwekkend woord? Revius heeft gedicht: en eeuwig duurt zo lang. En Johann Sebastian Bach schreef een cantate 'O Ewigkeit, du Donnerwort'!
Laten we al deze opmerkingen, gedichten en gedachten uit onze tijd nu eens laten zwijgen. Ze zouden alleen maar weemoedig of angstig kunnen maken.
Daarom is het goed, aan de voeten van Christus te zitten, onze enige Meester en Middelaar. De tijd kan niet troosten, de eeuwigheid evenmin. Alleen Hij kan het, de eeuwige Vertrooster van zijn volk.

Ik predik u:

Christus plaatst onze tijd in de glans van zijn eeuwigheid

Hij wijst ons op:

  1. Een genadig verleden
  2. Een hoopvol heden

1. Een genadig verleden

In Johannes 8 vinden we een aaneenschakeling van 'Ik-uitspraken' uit de mond van Christus. Ik ben het licht, Ik getuig van Mijzelf, Ik ben van boven, Ik ga heen, Ik heb de Vader gezien, Ik ben van God uitgegaan, Ik heb u de waarheid gezegd, Ik ken God, Ik heb zijn woord bewaard. Het culmineert in de uitspraak van onze tekst: Eer Abraham was, ben Ik. Steeds komen we het woord 'ego' -ik- tegen. Ik, ik, ik. Nu leven wij in het 'ik-tijdperk', ook op religieus gebied. U hoort dat telkens weer: maar ik voel het zo, ik zie het zo, ik ervaar het zo. Ego - leidt dit niet tot egoïsme, waarbij alles draait om onszelf? Er zijn wat ego-trippers in deze tijd. Ook op godsdienstig gebied, waar het subjectivisme welig tiert.
Dat gevaar dreigt altijd weer, dat het gaat draaien om jezelf: Dan komt je eigen persoontje in het middelpunt te staan. Ruw gezegd: ikke, ikke, en de rest kan stikken.
Draait het ook bij Christus om zijn eigen Ik? Maar dan moet u luisteren, als Hij zegt: Ik eer mijn Vader. Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets, mijn Vader is het die Mij eert (8: 54). Immers, Hij en de Vader zijn één. Hier worden geweldige woorden gesproken. Het is dan ook een proclamatie die begint met: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u...'. De woorden van onze tekst krijgen een geweldige klem, want ze formuleren een goddelijke claim. En het is meteen Gods genadeclaim op ons aller leven. Het gaat om de liefde, waarmee de Vader de Zoon liefheeft en die Hij ook in ons wil werken en leggen (17: 26). Het gaat om het unieke 'ego' van Christus, die vlak voor zijn sterven dat machtige woord gesproken heeft: Hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen (18: 37). Iemand heeft geschreven: Dit christologisch ego is tot het kernwoord geworden van een christologisch wereldbeeld. Dit betekent dat het allemaal om Christus draait in kerk en wereld beide. Het 'Ik' van Jezus is het kritische punt, waarop de golven van de wereldgeschiedenis breken. Hij stelt de mensen voor een absolute keus. Zijn pretentie is godslastering òf diepe en eeuwige waarheid, die teruggaat op de liefde van de Vader tot de Zoon en van de Zoon tot de Vader door de Heilige Geest, want Hij is de Waarheid in eigen persoon. En het gaat hierbij, gemeente, om een genadige waarheid. Er zijn mensen die elkaar ongenadig de waarheid durven zeggen. Maar het gaat bij Christus om een genadige en bevrijdende waarheid. Dat zegt Hij duidelijk tegen de Joden die zijn pretentie dat Hij het is godslasterlijk noemden. Majesteitelijk klinkt zijn proclamatie: Eer Abraham was, ben Ik.
Abraham, in die naam licht de glans van Gods genade op. Met hem heeft God een eeuwig verbond van genade gesloten. Een verbond dat voortgaat tot ons en onze kinderen en kleinkinderen. Abraham, de vriend van God. Abraham, die het wonder in zijn leven heeft beleefd dat God uit de dood het leven schiep. Uit een verstorven moederschoot deed Hij Izak geboren worden. Paulus jubelde daarover: Abraham geloofde in God, die de doden levend maakt en het nietzijnde tot aanschijn roept (Romeinen 4: 17). Abraham, die met het kind Izak op zijn arm in stille vreugde 'de dag' van Christus heeft gezien (8: 56). Want in Izak zag hij het beloofde nageslacht en zag hij het Licht rijzen dat voor heel de wereld bestemd was: Jezus Christus, Zoon van God en Zoon des mensen. Abraham die, toen hij op de proef gesteld werd om zijn enige zoon, die hij liefhad, te offeren, speciaal met de Engel des Heren in aanraking kwam, toen hij beleed dat God Zichzelf van een lam ten brandoffer zou voorzien (Genesis 22). Wonderlijk dat dan juist de Engel des Heren wordt genoemd, de Zoon van God vóór Hij mens werd.
Zo heeft Abraham 'de dag' van Christus gezien. De dag van zijn geboorte, de dag van zijn lijden en sterven, de dag van zijn opstanding en hemelvaart. Kortom de dag, dat Hij als het Lam van God de zonden der wereld weg ging nemen.
Er is veel over deze tekst nagedacht. Geen wonder, want we staan hier bij een van de hoogtepunten van het Nieuwe Testament. Abraham komt hier te staan in de glans van Christus. Hij stond bij de aanvang van het genadeverbond dat vandaag nog van kind tot kind bevestigd wordt. Bij de aanvangen van de kerk, die uit het wonder werd geboren. Het wonder van het leven uit de dood: Izak uit een verstorven moederschoot. En dit wonder is nog in de wereld. De kerk is uit het wonder geboren en de kerk leeft uit dit wonder voort. Doden worden levend door te horen naar Christus' stem. Dat wonder heb ik de jaren door mogen beleven, wanneer jonge mensen ja zeiden tot de God van hun doop. Wanneer de Heilige Geest hen toeëigende, wat zij in Christus hadden. Het moet me dan ook van het hart dat ik het een raadsel acht, wanneer recent over onze kerken is geschreven: Het woord toeëigening wordt niet gebruikt; waar gepreekt wordt, wordt het heil toegeëigend zonder meer (J.H. Velema). Zonder meer? Alsof niet alle leden van de gemeente steeds maar weer worden gewaarschuwd tegen een ongelovig hart om af te wijken van de levende God. Heel mijn ambtelijke loopbaan heb ik, met al mijn ambtgenoten, niet anders gedaan dan de gemeente op te roepen Christus door het geloof te omhelzen met de waarschuwing dat ook bondelingen kunnen verloren gaan. Maar mijn ambtelijk leven werd door wonderen omringd. Het wonder van het geloof, dat niet uit ons is, maar een gave van God. Het wonder, dat buitenkerkelijken enthousiaste belijders van de Christus werden. Het wonder dat ernstig zieken zo uit het geloof leefden dat hun omgeving er stil van werd. Het wonder dat op sterfbedden dof geworden ogen oplichtten wegens de kracht en troost van God beloften. Het wonder dat regelmatig en zonder enige ophef werd omgezien naar eenzamen en ouden van dagen. Er staat dat Abraham met verheuging de dag van Christus heeft gezien. Toen hij stierf, was hij van het leven verzadigd, lezen wij in Genesis 25: 8. Hij was niet zat van het leven. Nee, hij stond op van de maaltijd van dit leven, voldaan en verzadigd door het goede van Gods gunst. En hij ging meteen naar de maaltijd van het eeuwig leven. Dat wordt immers door Christus genoemd een aanzitten met Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen (Matteüs 8: 11). Maar daar klinkt ook zijn waarschuwing dat kinderen van het Koninkrijk buitengeworpen kunnen worden wegens hun ongeloof. In dat geweldige perspectief en ook onder de indruk van dat dreigende gevaar heb ik steeds in de prediking geworsteld om de gemeente bij Christus te houden. Hij toch is het geheim van het ontstaan en voortbestaan van zijn kerk. Zie, dat heeft Abraham in profetisch perspectief 'gezien'. Dat was de vreugde van zijn leven en het is toch ook uw vreugde, gemeente van Christus? Abraham komt in de glans van Christus te staan. Voor en na wisselen hier van plaats. Christus bepaalt en beheerst de positie van Abraham. Wie tot Abraham teruggaat, komt bij Christus uit, die er was en is, eerder dan Hij, de Eeuwige. Zijn eeuwige tegenwoordigheid reikt achter ieder begin en voorbij iedere einder. De stamvader wordt afstammeling, de voorganger volger. Dat geheimenis is groot: de zoon van Abraham blijkt zijn Vader te en zijn God te zijn. Daarom heet de Messias in Jesaja 9: 5 ook eeuwige Vader en sterke God. Ja, Hij was het die droeg ons voorgeslacht, onze vader Abraham en al zijn nakomelingen. Genadig en barmhartig. Hij draagt ook ons. Want als wij in de naam van de Zoon gedoopt worden maakt Hij ons één met zijn dood en opstanding en worden wij van onze zonden bevrijd. Dat zag Abraham in de verte, toen hij zijn zoon en zichzelf mocht besnijden. Want hij was een profeet. Zo werd zijn nageslacht bevrijd, toen het door de Rode Zee trok, waarmee de doop werd aangeduid. Zo zijn we hier nog bijeen als zijn nakomelingen, want ieder die gelooft is een kind van Abraham, en anders niet. Abraham heeft het gezien, niet pas toen hij in de hemel kwam. Jezus legt hier juist grote nadruk op de gelijktijdigheid van de historische Abraham met Hem en niet pas met de hemelse Abraham. Er was religieuze vreugde bij Abraham vanwege Gods belofte dat de zegen voor de hele wereld uit hem zou voortkomen. Hij verlustigde zich daarin, zegt Christus. Ook al heeft hij in eigen leven de vervulling niet meegemaakt. Zo mogen wij ons nog verlustigen in deze vervulde belofte. Dat is en blijft de vreugde van elke kerkdienst. Dit doorbreekt al onze denk- en tijdschema's. De horizontale lijn van de geschiedenis en al onze logische maatstaven worden hier doorbroken. Want de proclamatie 'Ik ben' ontstijgt aan onze geschiedenis. De Joden zwoeren bij de traditie en beriepen zich erop dat Abraham hun vader is, maar de zin van de traditie ontging hen en ook de zin van Abrahams leven. Abraham is alleen vanuit Christus te verstaan. En daarom ook het hele Oude Testament dat van Hem getuigt. Wie de glans van Christus, eeuwig Licht, uit het Oude Testament niet opvangt, zal het nooit verstaan. Daarom zei Christus ook tegen de Joden, die om bewijzen vroegen, dat zij een andere vader hadden, niet Abraham, maar de duivel. Ontzettende woorden, ook voor vandaag. De hele Israël-verering wordt daarmee weggevaagd. Wie niet in Christus gelooft hééft Abraham niet als vader. En wat de gevraagde bewijzen betreft, wie pas geloven wil, als alle bewijzen geleverd zijn, komt nooit tot geloof. Integendeel, wie het getuigenis van Jezus zelf niet aanneemt, en dat is het getuigenis van God, die komt zover dat hij stenen opneemt, zoals in het slot van dit verhaal, om Jezus te doden. Zo absoluut is zijn pretentie 'Ik ben'. Men buigt ervoor en roept met Thomas: mijn Heer en mijn God, of men wendt zich af en gaat met stenen werpen. De beslissende keus is ook vandaag, voor u, voor mij en ieder mens: vóór of tegen de Christus.

2. Een hoopvol heden

Met de komst en 'de dag' van Christus is de geschiedenis in een beslissend stadium gekomen. Want Hij heeft zijn lijdenstaak volbracht. Zijn verhoging aan het kruis was meteen een verhoging tot in de hemel der hemelen, naast God. Heel typerend heeft Hij in het voorgaande gezegd: wanneer Ik 'verhoogd' ben zult gij inzien, dat Ik het ben. Daar hebben we weer de machtige proclamatie: Ik ben. Hij is eeuwig tegenwoordig. En dat is, gemeente, een troostvol heden. We zeiden al: het 'ego' van Christus schept een christologisch wereldbeeld. Anders wordt het leven luchtledig en lichtledig. Geen lucht en geen licht, als Christus er niet is. Hij is alleen het licht en leven der mensen. Daarom wil Hij ook niet op één lijn geplaatst worden met andere wereldredders. Zeker, men zou Hem dulden, wanneer Hij wat licht, troost en geluk meende te brengen, maar dan als één van de velen. Wij mensen hunkeren immers naar troost en geluk. Maar dat Hij het licht is, de enige troost en het enig geluk van de mensen, dat neemt men niet. De absolute uitspraak Ik ben sluit alle andere mensen en redders uit. Heel bewust sluit Jezus zich hier aan bij Jesaja 43: 10, waar God zelf zegt: Ik, Ik ben de Here, en buiten Mij is er geen verlosser. Dat werd betrokken op de 'knecht' van de Here, de komende Messias. En dat werd meteen in het kader gezet van 'alle volken'. Het gaat dus om de universele betekenis van Christus als Verlosser. En dat is heden aan de orde.
Wanneer dan ook Herman Wiersinga in een boek durft schrijven dat wij mensen principieel en definitief gelijksoortig en gelijkwaardig zijn aan Jezus, dan acht ik dit een van de grootste Godslasteringen van deze tijd. Volgens Wiersinga is Christus niet 'de weg', maar 'een weg'. Je vindt de heilsweg ook bij godsdienststichters buiten de 'christelijke traditie', bij wijze antieken en vredestichtende humanisten
Wiersinga komt daarmee op de lijn te staan van de Joden, die volgens Christus een andere 'vader' hebben, de vader van de leugen, de duivel zelf. Ook vandaag zijn de 'laatste vragen' aan de orde: eeuwig leven of eeuwige ondergang. Want wie niet in de Zoon gelooft - God en mens in één persoon - zal verloren gaan.
Christus maakt zich inderdaad aan God gelijk en Hij duldt geen andere redders naast zich. Er is geen heil, geen redding, geen toekomst voor wie niet in Christus geloven. Hij en de reddende Vader zijn één. Het gaat hier niet om allerlei beschouwingen en abstracte speculaties, nee, het komt uit de mond van het vleesgeworden Woord, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt. Het zijn verlossende, gelukmakende woorden. Het is de verlossende waarheid en niet iets dat meer of minder binnen de waarheid valt.
In het voorgaande heeft Jezus gezegd: wie mijn woord bewaard heeft zal in eeuwigheid de dood niet aanschouwen (5: 51). De Joden vonden dit absurd en zeiden: U bent bezeten. Zelfs Abraham is gestorven en alle profeten na hem. Wilt u beweren dat u meer dan Abraham bent? Dat pareert Jezus door te zeggen: Mijn Vader is het die Mij eert, maar al zeggen jullie: 'Hij is onze God', jullie kennen Hem niet werkelijk. Maar Abraham heeft deze God wel gekend. En eer Abraham was ben Ik. Dit was voor de Joden een onbegrijpelijke taal. Waarom? Omdat de wereld waaruit Jezus sprak niet de hunne was. Zij bleven vast zitten in de lijn van de historie en fixeerden zich op Abraham. Maar zij verstonden niet dat Abraham alleen maar gezien kon worden in het licht van Christus, zijn Zoon en zijn Heer. Abraham had zich van verre op de dag van Christus verheugd, maar zij deden het niet. Daaruit blijkt dat zij geen echte kinderen van hem waren, geen geestverwanten, die door de Geest van Christus zich aan Hem verbonden wisten. Daarom begrepen zij ook niet dat wie in Christus geloven de dood niet meer vóór zich hebben, maar achter zich gelaten hebben. Abraham heeft dat wel gezien. Hij ontving Izak uit een verstorven moederschoot. De dood werd achter gelaten. En hij stierf, verzadigd van het leven en ging hèt leven tegemoet, niet zat en troosteloos, maar voldaan en vol verwachting. Hij jubelde immers over de dag van Christus, zijn grote en unieke Zoon. Hij hoort dan ook volgens Christus bij de levenden, die aanzitten aan het feestmaal in de hemel. Laat eenmaal onze dood zijn mogen als zijn dood: verzadigd van vreugde wegens Hem die heden en gisteren in zijn genade dezelfde is, ja tot in eeuwigheid. De wereld, van waaruit Jezus sprak was niet de wereld van de Joden. Daarom noemen ze Hem bezeten.
Welnu, gemeente, de wereld van waaruit wij leven is nog vreemd aan de meeste mensen van onze tijd. Maar nog steeds klinkt de prediking van de kerk. Prediking in de lijn van de heilsgeschiedenis, maar wel vanuit het eeuwig heden van Jezus Christus. In de lijn van de geschiedenis van Gods genadeverbond dat alle tijden omvat, het verbond met Abraham gesloten. Dat genadig verleden moet ons sterken voor het heden. En de jubel van Abraham moet ook onze blijdschap zijn: Hij staat in het licht van Christus. Dat geeft glans aan zijn leven en aan ons leven. Het eeuwig heden van Christus' genade bepaalt ook onze tijd. Hij heeft zichzelf geproclameerd als 'Ik ben' en overstijgt daarmee alle tijden. Bij Hem raakt een mens buiten zichzelf in aanbidding en verheerlijking: O grote Christus, eeuwig licht. Op die wereld dienen we elkaar steeds weer te wijzen en te oriënteren. De wereld van God en zijn Zoon Jezus Christus. Een wereld, waarop de Heilige Geest ons richt. De wereld dus van de drie-enige God, uit Wie en door Wie en tot Wie alle dingen zijn.
Er is gezegd dat de predikant de eerste hoorder is van zijn preek. En ik denk dat alle predikanten dat kunnen bevestigen. Het is een onnoemelijk voorrecht, zich te mogen verdiepen in Gods Woord, te worstelen met de betekenis van de gekozen tekst, zich te verdiepen in en zich te verwonderen over de diepten van Gods heil. Maar daarbij staan predikanten niet op een eenzame hoogte, want Gods Woord komt tot de hele gemeente. Alle kerkleden krijgen de zalving van Christus en mogen als mondige christenen zich richten op het heil dat nooit vergaat. In 1 Johannes 2 worden ouders en kinderen samen aangesproken. Het zal er om gaan dat de omgang met Gods Woord hun lust en hun leven is. We horen vandaag klachten over gebrek aan kennis van de bijbel en toenemende wereldgelijkvormigheid. Dat begint altijd bij gebrek aan liefde voor God en zijn Woord. Nòg zegt Christus: Zalig wie mijn Woord horen en bewaren! We zijn ook vandaag weer in de kerk gekomen om Gods Woord te horen. Maar het gaat toch niet het ene oor in en het andere uit? Zie dan toe, hòe je luistert zegt Hebreeën Dat geldt voor ons allemaal, jong en oud.
Jezus heeft gezegd: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft. In Hem komt God zelf naar ons toe. Hij vervolgt: indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek (Johannes 7: 17).
Nu, miljoenen hebben de eeuwen door mogen ondervinden dat de leer van Jezus Christus van God komt. Daarom is de kerk altijd bang geweest voor de lege schijn van 'de religie'. Praatjes op de preekstoel, verhaaltjes om mensen te behagen, prietpraat naar de 'laatste kreet'. Het goddelijk Woord geeft een spanning en inspanning aan en in je leven, die tegelijk een grote vreugde is. De jubel van Abraham, ons aller vader, komt dan ook in ons. Ja, nog meer. Want wij mochten de dag van Christus zien, zijn geboorte, zijn lijden, sterven en opstanding, waar heel het Oude en Nieuwe Testament van getuigen. Van Hem die eeuwig tegenwoordig is tot onze troost. Alle grote heilsfeiten hebben we al achter de rug. Ze geven ons ook steun in de rug. Daarom zijn op ons de einden van de eeuwen gekomen. Nog één heilsfeit staat ons te wachten: Christus' glorierijke wederkomst. De bijbel eindigt dan ook met de uitroep: Kom, Here Jezus, kom haastig.
Het troostvol en eeuwig heden van de Zoon van God doet nu al een wereld voor ons open gaan. Het is de wereld van God, de wereld van de toekomst, de wereld die eeuwig zal bestaan, de wereld in het licht van het Lam, die onze zonden op zich nam, wiens bloed ons heeft geheiligd. Daarom mogen we niet alleen op de zondag, maar ook alle dagen van de week leven in het perspectief van Hem, die in zijn eeuwig heden onze tijd bepaalt:
O grote Christus, eeuwig licht,

niets is bedekt voor uw gezicht,
die ons bestraalt waar wij ook gaan,
al schijnt geen zon, al licht geen maan.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar