De harteloze Jeruzalemmers en de barmhartige Nubiër

Thema: Preek over Jeremia 38 (met name vers 12) en Jeremia 39: 15-18 (met name vers 18). De harteloze Jeruzalemmers en de barmhartige Nubiër
Tekst: Jeremia 38: 12
Jeremia 39: 18
Tekstgedeelte(n): Jeremia 38: 1-6
Jeremia 38: 7-13
Jeremia 39: 15-18
Matteüs 25: 31-46
Door: Ds. J. Hagg (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle-Zuid)
Gehouden te: Zwolle-Zuid op 17 november 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 47: 1, 3
Wet
Gebed (Schuldbelijdenis en vergeving)
Lied 423: 1-3
Lezen: Jeremia 38: 1-6
Ps. 109: 12
Lezen: Jeremia 38: 7-13
Ps. 91: 7
Tekst: Jeremia 38: 12
Preek
Lezen: Jeremia 39: 15-18 (tijdens de preek - GNV; Tekst: Jeremia 39: 18)
Lezen: Matteüs 25: 31-46 (als afsluiting van de preek)
Lied 70 [ Inleiden met: laten we zo meteen, gaan staan en heel bewust, antwoordend op de verkondiging van het evangelie, als belijdenis nazingen wat Christus ons heeft voorgezegd:
de laatsten worden de eersten,
wie knielde krijgt een troon,
de knechten mogen heersen,
de dienaar heet een zoon.
]
Gebed
Ps. 61: 3, 6 (lied van de week)
Ps. 72: 1-2, 7, 10 (verzen 2 en 7 tekens twee regels afwisselend gezongen door vrouwen en door mannen)
Zegen

Vandaag nemen we een beetje afscheid van Jeremia.
Nog eenmaal willen we hem bezoeken in de gevangenis.
Vlak voor de definitieve ondergang van Jeruzalem is het.
En nog steeds is zijn leed niet geleden: het gaat maar door...
Toch is zijn levensverhaal niet voor niets opgeschreven en bewaard.
Er valt hier opnieuw veel uit mee te nemen - ook voor ons, bijna 26 eeuwen later.
Laat ik eerst het verhaal voor zichzelf mogen laten spreken.
En dan de lijnen doortrekken naar vandaag.

1.

Denk het je maar in: we gaan op bezoek bij Jeremia in de gevangenis
Nou, die heeft het niet breed - letterlijk en figuurlijk.
Als je bedenkt dat Jeruzalem de gewoonte heeft ontwikkeld zich van zijn profeten te ontdoen door ze te stenigen als hun woorden ál te raak zijn, dan valt voor hem het ergste te vrezen.
Het is dat de Here hem van het begin af aan bescherming beloofd heeft: 'Ze zullen je bestrijden - ze zullen je niet overwinnen. Want Ik ben bij je om je te beschermen. Dat beloof Ik je!' (Jeremia 1: 19)
Daarom heeft Jeremia nog niet alle moed verloren.
Daarom blijft hij, als je bij hem op bezoek komt, je het woord van God doorgeven.
We melden ons bij de wacht en we worden toegelaten.
We staan dan wel als adjudanten in dienst van koning Sedekia, maar om wachters met sleutelbossen kun je nu eenmaal niet heen.
Jeremia is blij dat we komen: 'dan kunnen jullie het Woord van God verspreiden, nu ik niet meer kan gaan en staan waar ik wil'.
'Blijf niet in de stad!', bezweert hij ons, 'wie blijft komt om - wie zich overgeeft blijft in leven'.
Dat geeft je wel te denken: heeft het geen zin meer de stad te verdedigen?
Stel je voor: jij, adjudant van de koning, ben jij nu in de positie het op te gaan geven?
En dan je zoons - denk je bij jezelf - die als soldaat de stadsmuur moeten verdedigen?
Moeten die dan maar deserteren?
Bedoelt de profeet dat echt?
Die nacht kun je er gewoon niet van slapen.
Het brengt je in verwarring...
Nóg maar eens op bezoek
We melden ons weer bij de wacht - maar nu wordt ons verzoek ineens afgewezen.
Zonder opgaaf van reden... dat is verdacht...
Maar als je aan het hof werkt heb je zo je connecties.
Het duurt dan ook maar even of je bent via via aan de weet gekomen wie hierachter zitten:
Als je het niet dacht: 'de hofkliek' natuurlijk weer.
De beruchte 'bende van vier', áltijd eropuit de koning naar hun pijpen te laten dansen.
Het is ze weer gelukt.
Het lijkt wel of de koning níets meer zélf durft te beslissen.
Hij kan niet tegen ze op, de slappeling.
'Die landverrader brengt alleen maar onheil: hij moet en zal sterven!
Kijk eens hoe hij het moreel van de stadsverdediging ondermijnt!', zeggen ze.
En de koning is zó 'om' en geeft hen de vrije hand.
Opgetogen kunnen ze aan hun uit-de-weg-ruimings-plan beginnen.
'Ik weet een prima plek waar we die Jeremia kunnen dumpen,' zegt Pashur, de zoon van prins Malkia, 'in de diepe regenput van mijn vader! Die staat toch leeg. Alleen nog een dikke modderlaag - zakt hij vanzelf in weg! Zijn we definitief van hem af!'
Zo gezegd zo gedaan.
En daar zit hij nu, de bejaarde profeet, beschadigd door de ruwe behandeling en al tot zijn middel in de modder.
Deksel op de put en niemand die hem nog hoort jeremiëren... Zo is het gegaan.
En wat kun je doen? Niets! - machteloos sta je.
Wat zou jij nu ooit kunnen uitrichten tegen die hofkliek?
En daarbij: plicht roept.
De koning spreekt vandaag recht in de Benjaminpoort en dan heb je er maar te zijn als zijn adjudant.
Je weet: Jeremia zit in het pikkedonker in die diepe put en de modder zuigt hem naar beneden.
Tergend langzaam.
Levend begraven - wat een afschuwelijke dood...
En jij, kun jij er wat aan doen?
Je zou misschien wel willen, maar...
Ineens komt er uit de richting van het paleis een man naar voren
Je kent hem wel.
Ja, wie kent hem niet - deze vreemdeling in Jeruzalem.
Hij valt meteen op, door zijn rijzige gestalte en door zijn donkere huidskleur.
Een nubiër is hij - uit donker Afrika, uit het land waar de Nijl vandaan komt.
Waarom hij hier is?
De koning - of was het de vorige koning? - wilde een hofleven dat zich kon meten met de andere hoven van het midden-oosten.
En daar hoorde natuurlijk een harem bij.
En bij harems horen eunuchen, verantwoordelijk voor het reilen en zeilen.
En zo is deze man geïmporteerd.
Hij krijgt ook een hebreeuwse naam, of is het een functie-omschrijving?
Ebed-Melek - dat betekent 'dienaar van de koning'.
En laat nu uitgerekend deze vreemdeling beginnen over Jeremia!
Een buitenlander neemt het voor Israëls profeet op
Hoe zal dit aflopen...
Hij formuleert slim: 'Wat een domme zet van die vier! Waar is die mishandeling nu voor nodig en waarom die put? Van de honger omkomen kun je net zo goed in de gevangenis: het brood is immers op in heel de stad!'
En alwéér is de koning zó omgepraat!
Om je over te verbázen...
Maar daar krijg je de kans niet eens voor.
Want voor je het weet wijst de vinger van de koning je aan:
'Jij, jij en jij: méé met Ebed-Melek - haal Jeremia uit de put voor hij sterft'.
Kijk, dat wil hij blijkbaar toch niet op zijn eigen geweten hebben...
De tijd is kort
De modder zuigt maar verder en zo meteen is er geen redden meer aan.
In no time ben je met de andere drie van het vierpersoons reddingsteam weer in het paleis.
En je wilt al naar de binnenplaats gaan waar de put zich bevindt als Ebed-Melek je terugroept.
'Eerst het juiste reddingsmateriaal, mannen!'
Hij heeft gelijk: touwen!
'En een stapel oude lappen hebben we nodig!' zegt Ebed-Melek.
Hij heeft wéér gelijk!
Wat kan die man zich toch goed verplaatsen in de positie van het slachtoffer.
Je zult toch maar helemaal vastgezogen zitten in de modder.
Dan snijden die touwen je armen er haast af als je wordt opgehesen.
Het is echt noodzaak ze flink te omwikkelen met zachte lappen.
Een hele operatie om die oude profeet weer uit de onderwereld op te halen, maar het lukt:
Hij is ontsnapt aan de dood... Nog net op tijd.
Dit hele drama, het zet je aan het denken - en je hebt een verhaal te vertellen:
Over die bende van vier - en over dat reddingsteam van vier.

Over die éne die durfde - en die ene was uitgerekend de vreemdeling in Jeruzalem...
Over de zorgzaamheid die hij tentoonspreidde bij de reddingsoperatie.
Over die koning uit het huis van David - die ten diepste niets begreep van zijn hoge verantwoordelijkheid.
Over de HERE, die zo wonderlijk ingrijpt en jou daarbij inschakelt - en hoe Hij zijn belofte aan Jeremia waarmaakt... keer op keer op keer op keer: Hij is de Levende God...
Het lijkt wel of Ebed-Melek deze God nog beter kent dan jij...
Er valt nog heel wat te leren...
Ja: het zet je echt aan het denken - en je hebt een heel verhaal te vertellen!

2.

Een paar dingen wil ik onderstrepen en daarbij de lijnen doortrekken
Allereerst die koning.
Vergeet niet wie hij is: zoon van Josia, zoon van David.
Hij lijkt wel door Babel aangesteld als stroman, maar in feite is hij door de HERE gezalfd tot koning bij de gratie Gods over zijn eigen volk.
Opdracht: midden in die oosterse wereld van despoten en oorlogszuchtige veroveraars laten zien dat het ook radicaal ánders kan.
Dat koning-zijn, zoals God het bedoelt, inhoudt: het opnemen voor de armen, opkomen voor de onderdrukten die niemand helpt.
De grondhouding van de koning naar Gods hart, zoals bezongen in Psalm 72: je ontfermen over de zwakken in de samenleving en hen bevrijden uit hun ellende: hun onderdrukkers neerslaan!
Het recht tot bloei brengen en barmhartigheid bewijzen waar je maar kunt.
Met als effect dat anderen zullen zeggen: 'daar in Israël is het toch zo anders, zo bijzonder - wat hebben ze daar toch wat wij niet hebben...?'
Een koning van Israël draagt het Messiaans geheim met zich mee in zijn hele optreden.
Afbeelding te mogen zijn van de Messias die komt.
Maar Sedekia, zijn naam - hem N.B. door Nebukadnessar gegeven! - mag dan een geweldige betekenis hebben: 'mijn gerechtigheid is de HERE' - hij doet zijn naam alleen maar oneer aan: een aanfluiting is het.
Door hem wordt Davids koningshuis dan ook de koninklijke macht ontnomen.
Er komt niets terecht van zijn levensmissie.
Wat kan het koninkrijk van God beginnen met iemand die het alleen maar tegenwerkt?
Hij legt de levensleiding die Gods Geest hem biedt via Jeremia consequent naast zich neer.
Het loopt dan ook vreselijk met hem af: lees het maar na in Jeremia 39.
Deze 'gezalfde bij de gratie Gods' geeft me te denken.
Hoe staat het eigenlijk met mij?
Ik heet toch 'christen'?
En dat betekent toch niets anders dan 'gezalfde'?
Met dat ik christen werd roept God me ertoe het ook echt te zijn.
Een christen volgt Christus.
Christus de koning die als dienaar rondging - en ik, christen?
Christus die recht recht noemde en krom krom - en hoe staat dat met mij?
Christus die een spoor van barmhartigheid achterlaat, waar Hij ook gaat - waar is mijn spoor?
Christus die telkens verwijst naar zijn Vader in de hemel en zijn plannen - waar is mijn verwijzing?
En dan dat tegenbeeld van deze mislukte koning: de dienaar Ebed-Melek.
Ook die geeft me te denken.
Ook híj kreeg een nieuwe naam - maar híj doet zijn naam wèl eer aan.
'Dienaar van de koning'
Hoe kun je de koning beter dienen dan hem te behoeden voor zo'n rampzalige fout: Jeremia, de profeet van de HERE, levend te begraven...
Ten diepste was hij dienaar van de Koning-met-een-hoofdletter!
'Christen avant-la-lètre'.
De barmhartige Samaritaan van het oude testament: de barmhartige Nubiër.
Beeld van de Barmhartige Samaritaan van het nieuwe, waarmee de Here Jezus ten diepste Zichzelf aanduidde...
De zorgzame Redder die van 'buiten' kwam om arm Israël te redden.
Ten dode opgeschreven - gered door een vreemdeling.
Een vreemdeling die de lieden, waar het volk geestelijke leiding van mocht verwachten, beschaamd deed staan met zijn oliefles, zijn wijnfles, zijn tocht naar de herberg.
En nu deze vreemdeling, door Gods hand hier gebracht, die het hof en wie er ook maar van hoorde, beschaamd deed staan met zijn pleidooi en zijn zorgzaamheid, zijn stapel verzachtende lappen, zijn liefde en Godsvertrouwen.
Ik lees voor uit Jeremia 39: 15-18 (GNV) waar Jeremia, na de val van Jeruzalem zelf bevrijd en goed behandeld, vermeldt hoe hij eerder geprofeteerd had hoe het met Ebed-Melek af zou lopen.
[ Lezen: Jeremia 39: 15-18 ]
Het laatste woord blijft hangen:
'je zult het er levend afbrengen, omdat je op Mij hebt vertrouwd'
Is dat niet een woord met een eeuwigheidsdimensie?
Ik hoor hiervan de echo in Jezus diepe woord: 'opdat een ieder die in Mij gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft!'
Vertrouwen op God brengt eeuwig leven.
'Vertrouwen op God'.
Dat is geloof.
Echt geloof.
Een geloof dat wérkt dus.
Een geloof dat - met Gods hulp - de angst opzij zet en op tijd z'n mond durft open doen.
Een geloof met een bewogen hart voor de ander in nood.
Een geloof dat z'n hersens gebruikt en heel praktisch nadenkt: de rommelkamer induikt en er met een stapel lappen stof weer uit komt - een zorgzaam geloof.
Laat ik daar de komende dagen eens op letten: die 'doeken' van mijn geloof.
Laten we met elkaar een 'gemeente-met-doeken' willen zijn.
Een gemeente 'binnenstebuiten' en 'mét doeken'.
En dan niet 'Omdat Het Nu Eenmaal Moet', maar omdat de liefde van Christus ons nu eenmaal heeft aangestoken - het zit in ons en het komt eruit.
Laten we de Heilige Geest bidden ons opnieuw in vuur en vlam te zetten om zo te mogen zijn
Maar laten we eerst Christus Zelf laten spreken: Matteüs 25: 31-46.
[ Lezen: Matteüs 25: 31-46 ]

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar