Niet met lege handen

Thema: Als Jezus opvaart naar de hemel, zet Hij de discipelen op hun plaats, maar laat hen niet met lege handen staan! (Hemelvaart)
Tekst: Handelingen 1: 6-8
Tekstgedeelte(n): Lucas 24: 50-53
Handelingen 1: 1-13
Door: Ds. Roelof Sietsma (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Grootegast)
Gehouden te: Grootegast op 9 mei 2002

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 47: 1, 3-4
Lezen: Lucas 24: 50-53 en Handelingen 1: 1-13
Gez. 24: 1-2, 5
Tekst: Handelingen 1: 6-8
Preek
Lied 75: 7-9
Ps. 68: 10, 13
Zegen

Geliefde Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Inleiding en samenvatting

[ vooral gericht op kinderen en jongeren ]
Toen de Here Jezus was opgestaan met Pasen, is Hij daarna steeds verschenen aan zijn leerlingen. Verschenen, staat er steeds in de Bijbel. Hij trok dus niet steeds met hen op, zoals vroeger, maar Hij kwam opeens bij hen, en was ook zo ineens weer weg! Want Hij had een nieuw en perfect lichaam, en kon dus zo ergens zijn als dat nodig was, zonder erheen te lopen. Heel bijzonder. Hij kon ook zo naar binnen als de deuren dicht waren.
En dat duurde 40 dagen. Gedurende die tijd praatte Jezus veel met zijn leerlingen, en legde hen van alles uit over zijn Koninkrijk, staat er, en dat betekent: over het werk van de Kerk.
Hij vertelde hun wat zij moesten doen als Hij er niet meer zou zijn.
Want Hij zou spoedig weer weg gaan. Dat vertelde Hij ook.
Hij zou wéér weggaan. Want dat zou dan dus de tweede keer zijn.
De eerste keer was Hij gestorven, en ze dachten dat Hij toen weg was, en niet weer terug zou komen. En toen was Hij toch weer opgestaan. En ze waren helemaal in de war geweest.
Toen vertelde Hij dus, dat Hij toch weer weg zou gaan, voor de tweede keer.
En twee dingen moesten ze goed onthouden: ten eerste moesten ze wachten in Jeruzalem: ze moesten dus geduld hebben, en ten tweede zouden ze dan na korte tijd de Heilige Geest krijgen! Op die belofte moesten ze vertrouwen! Prima.
En toen stelden de discipelen een vraag. Je kunt die vraag zo samenvatten: Here, wanneer wordt u nu echt helemaal Koning?

Was dat nou een goede vraag of een slechte?
Nou, niet zo erg goed natuurlijk, omdat Christus natuurlijk allang Koning was! Hij had toch de dood overwonnen?! En de duivel! En Hij was opgestaan, Hij was de Paasvorst! Koning.
Maar toch ook weer wel een goede vraag, want de discipelen voelden ook aan, dat het nog veel en veel mooier zal worden, dat Koningschap! Namelijk als Jezus terugkomt, en alle vijanden dan definitief wegstuurt, en een nieuwe hemel en aarde maakt. Dan zal Hij echt helemaal laten zien dat Hij Koning is! En ook al zijn macht en kracht tonen!
Dus, het was toch ook niet zo'n gekke vraag.

En het antwoord?
Jezus zegt: Wannéér dat precies gebeurt, dat weet God de Vader wel. Hij weet het beste moment daarvoor. Maken jullie je daar maar niet druk om. Wachten jullie maar geduldig op de Geest, en die komt al gauw.
En ga dan maar rond op aarde, ga maar overal naar toe, en vertel het maar aan iedereen: Christus is Koning, Jezus Christus is de enige Verlosser die er bestaat, en Hij leeft. Echt!
Ook al lijkt het veel mensen toe dat Hij niet echt is, niet echt bestaat, of ver weg is: Hij leeft, ondanks de rampen die er gebeuren, Hij heeft ze voorspeld.
Ondanks het lange wachten, ook dat heeft Hij voorspeld. Hij leeft, en Hij komt.
Doe dat maar, geduldig en enthousiast, dan zorgt God voor de rest.
En nu moet je letten op die combinatie van twee dingen: geduldig wachten en toch ook enthousiast doorwerken: doorvertellen, de Boodschap. Dat geldt ook voor ons: geduldig wachten op Jezus, die terug komt, en ook enthousiast doorwerken en doorvertellen, de Boodschap van dezelfde Heer Jezus.
Ja, en toen Hij dat gezegd had, toen ging Hij opeens weg. Zouden de discipelen dat verwacht hebben? Zouden ze geweten hebben, hoe Hij zou worden weggenomen? Ik denk dat ze overdonderd waren.
Hoor maar wat ze doen, nadat Jezus weggenomen is: ze staren naar de lucht!
Ongelooflijk!
Maar met die woorden van hun Meester Jezus, konden ze vol goede moed terug naar Jeruzalem.

Dat is ook het thema van de preek vandaag:

Als Jezus opvaart naar de hemel, zet Hij de discipelen op hun plaats, maar laat hen niet met lege handen staan!

Er worden twee vragen in beantwoord:

  1. Jezus vaart op, wat betekent dat?
  2. Jezus vaart op, wat doen wij daar nu mee?

1. Jezus vaart op, wat betekent dat?

Hemelvaart, broeders en zusters, zegt het U nog wat?
En de hemel? Daar ging de Here Jezus naar toe. Het staat niet in het slot van Lucas, daar staat alleen dat Jezus van hen scheidde, maar het staat wel in het Evangelie van Marcus bijvoorbeeld, en ook hier, in Handelingen 1: 10 staat het duidelijk:
De discipelen keken naar de hemel, en dan bevestigen de engelen het:
Hij is opgenomen naar de hemel, vers 11.
Het is goed om dat even uitdrukkelijk te zien, omdat de moderne wetenschap en ook theologie dat zullen maken tot iets subjectiefs van de discipelen: Hij is verdwenen uit hun midden, en toen hebben ze dat beleefd alsof Hij werd weggerukt naar de hemel, zegt men dan. Zo hebben ze dat tegen elkaar gezegd, en later heeft iemand dat opgeschreven alsof het een objectief feit was, dat is hun mening. Zo wordt de hemelvaart een leuk verhaal, een mythe, waaruit je nog wel iets leren kunt, maar waar je niet in gelooft als een betrouwbare geschiedenis.
Nu, wij kunnen op grond van het betrouwbare Woord van God bevestigen dat de hemelvaart toch een feit is! Jezus is opgevaren naar zijn Vader in de hemel! Maar nu, wat is de hemel?

Als we in de Bijbel kijken naar het woord: 'hemel', dan kunnen we meerdere betekenissen onderscheiden.
Dat is best belangrijk, juist ook met het oog op het wetenschappelijk bezig zijn over de hemel. Dan bedoelen we die blauwe hemel, de dampkring, waarvan het blauwe de achtergrond vormt, en, ik denk ook de grens is. En daarmee zijn we dus op de eerste betekenis van het woord 'hemel' gekomen: het is de blauwe hemel, die we zien, waaruit het weer naar ons toe komt. Hagel, wind en regen. Met die hemel kun je wetenschappelijk bezig zijn. Ook als christen.
Een tweede betekenis van het woord 'hemel' is: universum. De Bijbel spreekt ook wel in het meervoud van: 'hemelen', en in die zin wordt bedoeld: heel het heelal, de ruimte waarin sterren en planeten zich bewegen. De apostel Petrus spreekt bijvoorbeeld uit dat de hemelen met gedruis voorbij zullen gaan bij de wederkomst van Christus, en de elementen door vuur vergaan zullen. Dan gaat het over de ruimte: het universum.
Een derde betekenis van 'hemel' is: de woonplaats van God.
Daar gaat het vandaag vooral om.
God woont in de hemel, en ziet neer op de aarde vanuit die woonplaats, zeggen meerdere Psalmen. Maar zelfs die hemel kan Hem niet bevatten, zegt Salomo in zijn dankgebed.
Dat betekent dat God nooit gebonden is aan een plaats. Hij overschrijdt die categorieën.
We kunnen God niet lokaliseren, omdat God geest is. Hij is niet driedimensionaal, zoals wij. De hemel als woonplaats van God, is dus ook een heel bijzonder woord. Het past bij Hem, en zoals God niet te lokaliseren is, evenmin is dat mogelijk met zijn woonplaats.
Er zijn wellicht nog meer onderscheidingen te maken tussen verschillende betekenissen van 'hemel', maar voor het begrip van onze tekst kunnen we hier eerst mee vooruit. En het is van groot belang het onderscheid te zien en te maken. Als Jezus opvaart naar de hemel, dan vaart Hij dus niet op naar de dampkring, en ook niet naar een plekje in de ruimte, misschien tussen ons zonnestelsel en een andere. Die vergissing kunnen ook volwassenen blijkbaar maken, als astronauten ooit riepen: we zijn de ruimte in geweest, en hebben God niet gezien!
Nee, mensen zullen Hem ook nooit zien, want Hij kan en mag niet gezien worden.
Als het in Handelingen 1: 10 eerst gaat over de hemel, waar de discipelen naar keken, dan betekent dit: de dampkring. De eerste betekenis. Daar keken ze naar. Omhoog, naar de lucht, want Jezus was door de lucht van hen weggenomen. En als er dan staat in vers 11, tweede helft: "Jezus is van u opgenomen naar de hemel", dan bedoelen de engelen daarmee: naar de woonplaats van God, bij God. De derde betekenis.
Nu is dit voor een menigte van mensen, ja, misschien voor het grootste deel van de moderne, westerse cultuur, wel mee een reden geweest om het geloof in God te verliezen! Als God niet zichtbaar boven de dampkring was, in die hemel, en ook niet bij ons in de buurt, in de ruimte, en ook heel de aarde op zijn kop kon staan, zoals tijdens de grote wereldoorlogen, en God niet ingreep, dan was God blijkbaar vertrokken, weggegaan, of, misschien had Hij wel nooit bestaan, waren het allemaal maar verzinsels geweest.
De weg gebaand voor postmodern levensgevoel: leegte, het was allemaal een vergissing geweest. En dan komt de vraag vandaag op ons af: wat doet het ons nu?
Hemelvaart. Kunnen wij er wat mee?
Laten we dan kijken wat het voor de discipelen betekende!

In Handelingen hebben we een boek van Lucas voor ons, dat een vervolg is op het Evangelie van Lucas. Beide boeken schreef Lucas aan een zekere Teofilus, en het is goed te zien dat Lucas in Handelingen 1: 2 spreekt over: 'opnemen'. Dat benadrukt nog eens dat het geen droom was van de discipelen of Jezus Zelf, want er was blijkbaar nog een Ander in betrokken: Hij wérd opgenomen, namelijk door zijn Vader. God Zelf neemt Hem op, en stelt een wolk tussen Jezus en zijn leerlingen. Niemand kan zien waar Hij heengaat, omdat het niet te zien is.
Maar Lucas vertelt ook wat eraan vooraf ging: veertig dagen lang heeft Jezus zich vertoond aan zijn discipelen, hen onderwezen over zijn Rijk.
Er is heel wat doorgenomen en doorgesproken.
En dat loopt dan uit op deze twee hoogtepunten: Jezus zegt dat de discipelen moeten wachten in Jeruzalem, en, ten tweede, dat ze de belofte van de Geest kunnen verwachten!
Deze hoofdzaken staan in vers 4 en 5. En dan volgt onze tekst, de verzen 6 tot 8.
En de vraag van de discipelen is dan: "Here, herstelt U nu het Koningschap voor Israël?"
En dan is misschien onze eerste reactie wel: Wat jammer! Begrijpen ze het nu nog niet? Die discipelen? Jezus had toch zo vaak en zo grondig uitgelegd, dat zijn koningschap niet van deze aarde was, en nu vragen ze Hem weer om het koningschap voor het aardse Israël?
Maar Hij was toch al koning? Het bord had toch boven zijn hoofd gehangen, aan het kruis: INRI, Koning der Joden? En Hij was toen toch opgestaan na zijn dood? Hij was toch: de Paasvorst? Koning van het geestelijke Israël! Koning van heel het volk van God, uit Joden en heidenen? Waarom dan nog die vraag?
Je zou ook kunnen denken: ja, maar misschien hebben ze toch begrepen dat het koningschap van Jezus geestelijk is, en vroegen ze hier om de doorbraak van zijn Rijk? Laten we niet vergeten dat we nog in de dagen vóór Pinksteren zijn!
Het klimaat is nog vijandig! De Joden hebben een leugen verbreid: dat zijn leerlingen het lijk van Jezus zouden hebben gestolen. En zij vergaderen achter gesloten deuren, uit angst.
Het enthousiasme, dat we zo goed kennen van de Pinksterdagen, is er nog niet.
Vanuit die begrijpelijke bangheid voor de Joden, vanuit beschroomdheid ook, omdat de Geest nog niet over hen is uitgestort, vragen de discipelen naar de doorbraak van het Rijk! Misschien vooral ook, omdat Jezus heeft aangekondigd dat Hij weg zal gaan. Dat moet ook moeilijk zijn geweest voor de discipelen: eerst was hun Meester van hen weggenomen door de dood, en nog voordat ze het verwerkt konden hebben, was Hij weer opgestaan, in hun midden geweest, en nauwelijks zijn ze over die shock heen, of Hij kondigt aan opnieuw weg te zullen gaan. Ja, natuurlijk had Jezus het allemaal al wel eerder gezegd, Johannes heeft het ons bericht, in Johannes 16: 16, dat Jezus zei: "een korte tijd en je zult me niet meer zien, en dan een korte tijd, en je zult me weer zien", maar ze hadden het nooit goed begrepen, het zich nooit zo gerealiseerd, dat het zo zou zijn!
En, zit er ook niet iets goeds in die vraag? Is het, naast onbegrip over hoe het verder zal gaan, ook niet een stuk verlangen naar echte doorbraak van het Rijk van Christus? Kennen wij dat ook niet? Het verlangen, als we om ons heen zien in de wereld: de chaos, strijd in het Midden-Oosten, en waar ook maar. Absurde politieke toestanden. Honger in grote delen van de wereld, epidemieën die moeilijk te stuiten zijn, stromen vluchtelingen over grote delen van de wereld, zou je dan ook niet uitróépen: Here, kan het dan nu niet komen? Uw volkomen Rijk?

We kunnen de vraag misschien nog wel iets aanscherpen: Is het geen kénmerk van de christen, dat die vraag ook in hun hart leeft, zoals die leefde op de lippen van de discipelen? "Here, Uw Koninkrijk moet toch komen? Dat bidden we toch altijd? Here, kan het alstublieft nu dan zijn?"
In elk geval bestraft Jezus de discipelen niet om deze vraag. Hij legt wel uit, en zet de discipelen op hun plaats. Jezus sluit daarin heel nauw aan bij wat Hij al die dagen gezegd had: Wachten in Jeruzalem, en hopen op de belofte. Dat zegt Hij ook nu weer in andere woorden: "De tijden en gelegenheden beschikt de Vader voor Zich". Het woord 'gelegenheid' duidt op: geschikt moment. Dat Jezus dit hier zo zegt, betekent dat het hier gaat om de wijsheid van God de Vader! Jullie, discipelen, kunnen wel denken dat het nu tijd is om het Rijk te voltooien, maar mijn Vader weet echt het meest geschikte moment. En daarom beslist Hij. Zo stelt Jezus de discipelen op hun plaats. Dat betekent in de eerste plaats: geduld.
Dát zullen de discipelen moeten hebben. Geduld om te wachten op de komst van de belofte van de Geest. En dan, als die belofte komt, dan zul je weten hoe het verder moet. Dat geduld zal beloond worden. Dan zul je gaan getuigen, dichtbij en ver weg, tot over heel de wereld, van Mij en mijn Rijk, en zo help je dan mee aan de komst van dat Rijk, dat jullie zo graag gerealiseerd zien! Dat is de manier van de Vader!
We hebben daar met Pasen al van gehoord. Het grote nieuws van de Opstanding: de Heer is waarlijk opgestaan, dat moet de wereld door! En dan staat er ook, bijvoorbeeld aan het slot van het Marcus-evangelie: de discipelen gingen na de hemelvaart heen, en preekten overal, en Christus werkte vanuit de hemel mee, en bevestigde die prediking door tekenen!
Jezus van Nazareth ging niet met pensioen of met de VUT, toen Hij opgenomen werd, nee, Lucas toont hetzelfde aan in Handelingen 1: 1. Hij zegt: het eerste boek, het Evangelie van Lucas, schreef ik over wat Jezus begónnen is te doen, en hij wil de zin dan afmaken, maar vergeet dat, al schrijvende, en verandert dan van zinsbouw, maar we kunnen dat wel aanvoelen.
Hij wilde schrijven: dit tweede boek gaat over wat Jezus vérder ging doen, nadat Hij was opgenomen! Dat duidt op hetzelfde: Jezus Christus droeg zijn discipelen op te prediken, en Hij bevestigde dat vanuit de hemel door zijn werk! Tekenen volgden die discipelen. Christus werkt. Vanuit zijn woonplaats bij God.

2. Jezus vaart op, wat doen wij daar nu mee?

En zo komen we op het tweede: Wat doen wij nu met de hemelvaart van Christus?
Die boodschap van Jezus' opstanding, maar ook alles wat daar dan bij hoort: zijn hemelvaart, de uitstorting van de Geest, de belofte van zijn komst, en nog meer, ook alle gevolgen die dat heeft voor het leven van de gelovige, dat Woord moet de wereld door.
Alle generaties moeten het weten. Heel de wereld moet het horen!
En, zo kunnen we ons vandaag alvast wel spiegelen aan de discipelen van Jezus. Nee, we hoeven hen niet na te apen, niet gelijk aan hen te worden, maar we mogen ons aan hen spiegelen. Allereerst wat betreft hun vraag: Here, herstelt U nu het koningschap voor Israël?
Kennen wij ook die vraag, dat verlangen: Here, is uw en ons werk nu klaar?
Weten nu alle mensen op aarde dat U God bent, en dat Jezus Christus de enige Verlosser is, en kan Hij dan komen, om de nieuwe aarde en hemel te verwerkelijken?

Leeft dat verlangen bij ons? Of denken we eigenlijk meer aan ons eigen hachje?
Denken we toch, misschien diep binnenin ons, of bijna onbewust: laat het Rijk van Christus maar kalm aandoen, we hebben het hier prima voorlopig, stel je voor, als ik er per saldo in die grote menigte van uitverkorenen iets moest inleveren? Want met de economie gaat het toch al niet zo goed. En mijn hobby dan? En mijn huis, mijn luxe?
Verlangen we wel echt naar dat heel mooie, blijde Rijk van Christus, dat meer waard is dan tien keer alles wat ik zonet opnoemde?
Ten tweede: kennen we dan ook het geduld en de bescheidenheid, die de discipelen moesten leren? Wachten, zei Jezus, op de Geest, en dan maar rustig en enthousiast aan het werk: preken en verkondigen!
Hij zegt het ook tegen ons: wacht maar, niet op de Geest, want de Geest is al uitgestort, het is Pinksteren geweest, al herdenken we het elk jaar weer. Maar nu wachten we, in de Geest, rustig doorwerkend, op de Wederkomst van Christus.
Het antwoord op die eerste vraag krijg je niet concreet.
Dat is aan de Vader om het geschikte moment vast te stellen.
En denk dus niet: 'Waarom komt Hij nu niet?', als rampen, oorlogen en misdaden zich voor onze ogen voltrekken. Denk niet: 'als ik God was, dan zou ik er snel een einde aan maken'! Want de beste gelegenheden kiest de Vader uit. Hij weet veel beter dan wij, wanneer het geschikte moment aanbreekt om dat koningschap te voltooien!
En dat vraagt ook van ons: geduld.
Veel geduld. Hebben we dat? Hebt U dat? Heb jij het?
En denkt U niet te snel: ja, ik zit rustig te wachten, dus ik heb veel geduld.
Het geduld wat God van ons vraagt is een unieke combinatie van ijver, enthousiasme en bescheidenheid. Het is niet: met de armen over elkaar op je buik, zo breed mogelijk, zitten wachten, zoals je doet in een wachtkamer. Tijdschrift erbij, en maar zitten, en zuchten, en dan zeggen tegen elkaar: 'wat moet je toch veel geduld hebben hé, voordat je aan de beurt bent!'
Nee, het geduld dat Jezus vraagt van ons, die leven na Pinksteren, is het geduld van het geloof, dat enerzijds heel actief is. Het geloof spreekt, getuigt, bemoedigt anderen, gaat uit om te troosten, en toont anderen iets van de hoop die in ons is.
Maar tegelijk laten we het aan God de Vader over om de beslissingen te nemen over de geschikte momenten. Dat geldt niet alleen als het gaat om de komst van het Rijk van Christus, maar ook als het gaat over andere zaken in ons leven: de geschikte momenten om te leven of te sterven, te huwen, een baan te krijgen of die te verliezen. Het is een levenshouding.
Actief, enthousiast geduldig. Iets heel bijzonders, dat wij, in navolging van de discipelen van de Here, mogen ervaren in ons leven, en tonen aan de wereld.
We kunnen het ook bij elkaar opmerken.
En dat is iets heel moois, als dat het geval is.
En dan mogen we, als we zo rustig werkend wachten op de Wederkomst van Christus, de discipelen ook hierin navolgen: in het verkondigen en het prediken, dichtbij en ver weg. Individueel en samen, persoonlijk of door als gemeente een evangelist of een zendingspredikant te ondersteunen. Totdat het Woord over heel de wereld verbreid is.
Die missionaire roeping komt op ons af, als we geloven in de hemelvaart van Christus. Geduldig, enthousiast en ijverig. Het komt op ons af als we ons voorbereiden op het Pinksterfeest, dat we binnenkort zullen mogen vieren: het feest van de Geest die ons gegeven is. Zullen we ons zo voorbereiden op dat feest?
Onder die twee kernwoorden, die we kunnen gebruiken voor onze houding als christenen: Geduld en Verkondigen.
Ten eerste: geduld, namelijk in de eerste plaats als we wachten op de wederkomst, maar dan ook in alles wat we van God verwachten en ontvangen.
Ten tweede: verkondigen. Enthousiast, ijverig doorvertellen: het Evangelie van Christus.
Hij leeft! Hij is in de hemel, maar ook daar zit Hij niet stil. Hij is actief bezig voor zijn kinderen. Hij is verlossend bezig. Dag aan dag! Zoals Marcus het zegt aan het slot van zijn Evangelie: de leerlingen preekten, en de Here werkte mee, en bevestigde het Woord door tekenen.
En zo doet Hij tot vandaag, op zijn wijze. Laten we het doorvertellen, uitstralen, tonen in onze levenshouding. We hebben een Verlosser, een heel persoonlijke. En er is veel over Hem te vertellen. Doet u mee?
Laten we al van Hem zingen: Lied 75: 7-9.
[ Zingen: Lied 75: 7-9 ]

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar