Wachten op Gods heil

Thema: Wachten op Gods heil
Tekst: Genesis 49: 18
Tekstgedeelte(n): Genesis 49: 1-28
Door: Ds. H. van Veen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Neede)
Gehouden te: Neede op 19 maart 2000

Aanwijzingen voor de Liturgie

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Een mooie tekst voor onze oudere broeders en zusters. Voor als je in de avond van je leven gekomen bent, en van zorg en strijden moe, steeds meer gaat verlangen met de HERE te zijn. Fijn als je dan dat nazeggen kunt: op uw heil wacht ik, o HERE. Een tekst zeg maar voor de ouderdom en voor op het sterfbed. Nou, zeker ook dan is dit een sterke tekst. Een hele troost. Je mag zeker weten dat het goed is, als Vader je thuishaalt. En wie achterblijven, zijn wel verdrietig maar niet ontroostbaar. Verdrietig maar niet hopeloos en reddeloos. Wat hebben we dat steeds weer nodig! Trek u eraan op!

Toch moeten we wat Jakob hier zegt, maar niet voor ons uitschuiven tot de ouderdom. Het is niet alleen en zelfs niet allereerst een tekst voor de stervensfase. Het is net zo goed een tekst bijvoorbeeld voor een doopdienst. Evangelie voor jong en oud! Het is zelfs de vraag of Jakob met dat 'heil' waar hij naar verlangt, het oog heeft op de komende zaligheid in de hemel. We weten niet eens wat hij daarvan wist. Wat hij zich daar concreet bij voorstelde. Maar belangrijker nog: gezien het hele verband van dit hoofdstuk keek hij verder dan zijn eigen naderende afscheid van het leven. "Op uw heil, wacht ik, o HERE", dat kan ook worden vertaald als: "op uw verlossing, op uw bevrijding, wacht ik, o HERE".
Kijk, en dat krijgt kleur en inhoud vanuit heel dit hoofdstuk. Een hoofdstuk over de beloften van God voor Jakobs zonen, als concrete uitwerking van de beloften aan Abraham en zijn nageslacht. Beloften van een eigen land, van overwinning op de vijanden, en bovenal van de komende Redder, de koning uit de stam van Juda. Naar Hem kijkt vader Jakob vooral uit, en naar de beloofde volkomen verlossing voor Israël en de volken. Ook van Jakob mocht gelden dat hij verwachtte de stad waarvan God de architect en de bouwer is. De toekomst die ook ons en onze kinderen in het vooruitzicht is gesteld. En dat geeft het leven -dat soms best grauw kan zijn en uitzichtloos- dwars door alles heen kleur en zin. Je kunt vol verwachting en met goede moed je kinderen laten dopen, en die kinderen groot brengen en opvoeden. Ook al blijft het een harde werkelijkheid dat het leven bedreigd wordt, we leven niet om te sterven, maar we sterven om te leven. Als we dit leven vroeg of laat moeten verlaten, mogen we dat doen met de troost van Gods beloften. En dat geeft moed en mag maken dat niet de dood altijd dreigt maar het leven ons toelacht.

Wachten op Gods heil

  1. afzien van jezelf
  2. opzien tot God
  3. uitzien naar Christus

1. Wachten op Gods heil - afzien van jezelf

Wachten op Gods heil. Van de HERE je redding verwachten, en ook de toekomst voor jezelf en je kinderen. Hoopvol. Gelovig. Dat allemaal ligt in die paar woorden van Jakob - onze tekst. Maar als we dan terugkijken en Jakobs levensloop volgen, dan ontdekken we dat hij dat door schade en schande heen heeft moeten leren. We kennen Jakob als een gelovig man. Hij diende de HERE, vanaf dat hij jong was. Hij geloofde Gods beloften. Maar wat we op verschillende momenten zien gebeuren in Jakobs leven, dat is dat hij zo heel moeilijk wachten kon tot de HERE deed wat Hij had beloofd. Jakob dacht dat hij God een handje moest helpen. Greep zelfs naar zondige middelen als list en bedrog.
God had Jakob beloofd dat hij de erfgenaam zou zijn - en de voorvader van de Here Jezus - maar Jakob durfde het eigenlijk niet aan de HERE over te laten. Zeker niet toen hij merkte dat vader Izaäk een zwak had voor Ezau, die sterke beer die zo goed jagen kon. En toen het ernaar uitzag dat Ezau aangewezen zou worden als erfgenaam van niet alleen Izaäks bezit maar ook van Gods zegen. Jakob dacht dat hij daar alvast maar een stokje voor moest steken. Gebruik makend van Ezau's vermoeidheid en honger, en vooral van zijn ongeïnteresseerdheid als het ging om de zegen en de dienst van de HERE, kocht hij voor een bord soep de erfrechten van Ezau van hem weg. En toen het later toch nog mis dreigde te gaan, liet hij zich door moeder Rebekka zelfs overhalen om door bedrog de grote zegen naar zich toe te trekken. Weer later paste hij vreemde trucjes toe om zijn kudden al maar groter te maken, ten koste van oom Laban. Het is een opvallend trekje in het doen en laten van Jakob: juist niet kunnen wachten op wat God beloofd had, maar ongeduldig daarop vooruitgrijpen en denken dat je zelf handig moet zijn en slim en sterk. Omdat je bang bent dat het anders niet goed komt. God heeft het wel beloofd, maar de werkelijkheid is zo anders. En dus moet opkomen voor jezelf...

Gemeente, de HERE had er een lang leven voor nodig om Jakob dat af te leren. Hij is heel wat keren vastgelopen door eigen schuld: halsoverkop weggevlucht voor Ezau, bijna oorlog met Laban, Jozef zijn lievelingszoontje dood, naar hij dacht... En aan het eind van zijn leven was hij wel rijk, met zonen en kleinkinderen, en veel bezittingen, maar hij moest sterven ver van het land dat hem was beloofd, als asielzoeker in Egypte... Kijk, maar dan blijft ook alleen dat ene over: op uw heil wacht ik, HERE; ik verwacht de redding echt alleen maar van U. Jakob heeft het dwars door alles heen geleerd dat hij zichzelf niet redden kon en dat hij de HERE niet hoefde te helpen. Dat is de les die ook wij steeds weer moeten leren, de les die we trekken mogen uit Jakobs levensgang en uit dit levenseinde. Dat we, als het van onszelf moet komen, steeds dieper wegzakken in het moeras van schuld en onmacht en hopeloosheid. Dat het onszelf ook niet lukt het goed te houden goed te krijgen thuis en om ons heen. We komen daar elke keer weer pijnlijk achter dat we niet op mensen moeten bouwen, en dat we in ons vertrouwen beschaamd worden als we ons heil van mensen - anderen of onszelf - verwachten. Wat zijn we hardleers! Wat moet je dat - jong al en oud nog - steeds weer leren opbrengen. Afleren het zelf te willen redden en regelen. Leren je handen op te houden bij God en uit te steken naar de Here Jezus. En je hoofd te buigen: alleen red ik het nooit!

Mag ik u en jullie vragen: zegt u Jakob dat na: op uw heil wacht ik, o HERE? Durft u het aan de HERE over te laten? Het met Hem te wagen, zeker van de zegen? We moeten maar eerlijk bekennen dat we als Jakob zo vaak ongeduldig zijn. Dat we twijfelen of wat ons beloofd is, wel komt. Dat we ons proberen in te dekken tegen alle mogelijke risico's. Dat we denken toch ook zelf ook wat te moeten doen. Dat we denken dat het van ons afhangt of het goed komt met onze kinderen: als wij ze maar goed opvoeden! Dat we ongeduldig en zelfs opstandig worden als het anders loopt dan we verwacht hadden en gevraagd hadden. Als onze gebeden - zeggen we dan - toch niet verhoord worden. Ons geloof is nog zwak. Het is moeilijk ons onvoorwaardelijk aan de HERE toe te vertrouwen. Hoe slecht we kunnen wachten. Daarom komt de HERE naar ons toe met zijn woorden van bemoediging en vertroosting, maar ook met dat zichtbare garantiebewijs van de doop: 'jij, u, bent mijn kind.' Zegt de HERE: 'Ik zorg voor je, Ik ga met je mee,' en Hij zal al het kwaad afweren óf laten meewerken ten goede voor ons en onze kinderen. Durft u, durf jij, het daarmee te wagen?

2. Wachten op Gods heil - opzien tot God

Jakob weet dat zijn lange leven bijna voorbij is. Hoofdstuk 48 vertelt dat hij ziek was. Hij was op, zeg maar, afgeleefd. Zijn ogen waren dof van ouderdom, hij kon niet meer zien, ook dat wordt ons verteld in het vorige hoofdstuk. Maar de HERE maakte die stokoude zieke man met zijn uitgebluste ogen nog één keer sterk en vitaal en helderziende. Hoofdstuk 49 begint ermee dat Jakob al zijn zonen bij elkaar roept om hen te vertellen wat hen in de toekomst te wachten staat. Hij kijkt ver uit over zijn eigen aanstaande sterven en begrafenis, tot ver in de toekomst van zijn familie die volk van God mocht zijn. En dan geloven we dat God hem dat vergezicht gaf. Dat Jakob hier woorden en beloften - en ook dreiging - van God doorgeeft aan zijn zoons en in hen aan het volk dat komt. Dat de HERE vader Jakob maakte tot een profeet, die niet maar z'n eigen goede wensen meegaf aan zijn kinderen, maar een boodschap van God voor hen had: ieder een eigen persoonlijke zegen. Ja, ieder een eigen zegen. Goede dingen voor de toekomst. Maar als je nauwkeurig leest wat elk van die zonen te horen kreeg, dan was dat zeker niet allemaal en alleen rozengeur en maneschijn. Ook veel narigheid, strijd en zorgen stonden de stammen van Israël te wachten. Je zult als vader dat maar moeten zeggen tegen je kinderen. Ook dat is afzien van jezelf. Jakob moest ook dingen zeggen die hij veel liever niet had gezegd. Die hij zo graag anders had gezien. Die hem verdriet gedaan zullen hebben. Waarover hij als vader veel zorg had. Een paar voorbeelden. Ruben was de oudste. De erfgenaam dus, zou je verwachten. Jakob was ook best trots op zijn oudste: mijn sterkte, de voornaamste in hoogheid en in vermogen. En toch: jij zult de voornaamste niet zijn... Daar was een reden voor: 'je sliep met de bijvrouw van je vader, je hebt mijn bed onteerd.' Wat een schande voor z'n vader! Wat een zonde tegenover God! Simeon en Levi hadden ook heel wat op hun kerfstok; onrecht, geweld, doodslag. Zelfs zo dat het meeweegt bij hoe het later hun stam zal vergaan: ik zal hun gebied verdelen, hen verspreiden over Israël. En ook als veel zegen wordt meegegeven, dan nog komt die door veel strijd en gevaren heen.

Kijk, en daarom roept Jakob ineens uit, midden tussen de persoonlijke woorden die elk van zijn zonen meekrijgt in: "op uw heil wacht ik, o HERE". Jakob beseft dat de redding niet komen kan van zijn zonen en van het volk dat uit hen zal voortkomen, hoe sterk ook en hoe veelbelovend. En bij alles dat hij in de toekomst ziet gebeuren, trekt hij zich op aan God en aan de beloften van God. Alleen de HERE kan ervoor zorgen dat toch de beloofde redding doorgaat. Alleen de HERE is machtig om wat al aan Abraham is beloofd, in vervulling te laten gaan. Om hen ook weer op zijn tijd vanuit dit Egypte te brengen in het eigen land. Ja, en ook om hemzelf, nu het sterven wordt, op te vangen en te bewaren voor de grote toekomst: 'ik wacht op uw heil, o HERE.'

Gemeente, niet voor niets noemt Jakob zijn God zo: HERE. Dat is die verbondsnaam: Jahwe. De God die later aan Mozes zijn naam zal verklaren als "Ik ben die Ik ben". Of ook: Ik ben en blijf Mezelf trouw, en dus houd Ik mij aan mijn woord. Op zo'n God kun je aan, als mensen het af laten weten. Als je zelf aan het eind bent, en je kinderen het ook niet redden. Als je hopeloos bent vastgelopen en geen uitweg meer ziet. Als je de ene teleurstelling na de andere klap hebt opgelopen. Als je zelfs in broeders en zusters bent teleurgesteld. Als je niet weet hoe het verder moet met deze wereld, met zoveel haat en geweld, oorlog en vernieling. Als het ongeloof sterk wordt. Kijk dan naar boven. Doe een beroep op de goedheid en de macht van de HERE. Bidt Hem om te geven wat Hij beloofd heeft. Om in je leven te tonen dat Hij is die eeuwige sterke God, de God van Abraham en van Izaäk en van Jakob, de Vader van Christus. En om Jezus ook uw, jouw trouwe liefhebbende Vader.

3. Wachten op Gods heil - uitzien naar Christus

Kun je dat al zeggen van Jakob? Dat hij Christus verwachtte? Leg je dan niet in onze tekst wat je er eerst hebt ingestopt, bijvoorbeeld vanuit het Nieuwe Testament? Is dat niet te veel gezegd? De naam Jezus komen we niet tegen in Genesis 49. Toch had Abraham al de belofte gekregen dat in en door hem alle volken Gods zegen ontvangen zouden. Daar zat de belofte in van de Beloofde, die zou komen om de volken te redden. En als Jakob hier Gods zegen meegeeft aan zijn zonen, dan valt iets bijzonders op, namelijk de zegen die aan Juda wordt gegeven. Juda, van wie we weten dat uit die stam David is geboren en vele eeuwen later de Here Jezus Christus. Nou, van Juda zegt Jakob hier al dat hij het zal wezen. Letterlijk staat het er zo: Juda, jij bent het. Juda krijgt zeg maar de Messiaanse zegen. Deze stam wordt de koningsstam voor altijd: Juda zal de koningsscepter niet verliezen, de staf waarmee hij voor altijd regeert. Totdat Silo komt, staat erbij, aan wie alle volken gehoorzaam zullen zijn. Of Jakob zelf precies heeft begrepen wat hij zei? Hoe ver zijn woorden strekten? Wie 'Silo' was? We weten het niet. Het was voor hem en zovele andere profeten vaak ook een zoeken en tasten, schrijft Petrus later, en ze wisten het ook niet altijd precies "op welke tijden en gelegenheden de Geest van God in hen doelde". Maar, Jakob zegt het hier dan toch maar: ik wacht op uw heil, ik hoop op uw verlossing. En ook van hem wordt later gezegd dat hij mede-erfgenaam was van de belofte, en de stad met fundamenten verwachtte, de stad van God. Dat hij leefde uit het geloof in Gods beloften. Jakob heeft uitgekeken naar de Christus. Op uw heil wacht ik: op de Verlosser.

Gemeente, Jakob heeft dat allemaal niet mogen beleven. In Hebreeën 11 staat ook over hem dat hij het beloofde niet heeft verkregen, omdat God niet wilde dat de gelovigen van het oude verbond zonder ons de volmaaktheid zouden bereiken. God liet hen wachten, omdat Hij wachtte op ons. Op u. Op jou. Alle reden dus voor ons blij en dankbaar te zijn voor zoveel meer dat de HERE ons geeft en vertelt. En ons leert geloven: wij met onze kinderen zijn op weg naar de dag dat we met alle gelovigen voorgoed onze God zullen ontmoeten en zullen loven. God heeft Hem doen komen naar wie Jakob al verlangde. Jezus vervulde al zoveel eeuwenoude beloften. Des te betrouwbaarder zijn de beloften die nog niet zijn ingelost. We kijken uit naar de definitieve redding van de wereld. En we hebben alle hoop voor onszelf: op uw heil wacht ik, HERE. Elke dag, en zelfs in het uur van onze dood. Bid maar. Geloof maar. Voed maar op. Doe je werk maar. In blijde verwachting.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar