Leef uit het geloof

Thema: Leef uit het geloof
Tekst: Genesis 22: 9-12
Tekstgedeelte(n): Genesis 22: 9-12
Genesis 22: 1-19
Door: Ds. S. de Jong (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Assen-Kloosterveen)
Gehouden te: Leeuwarden, Buitenpost, Ferwerd, Drachten, Opende, Sneek in de periode 1996-99

Aanwijzingen voor de Liturgie

Ps. 125: 1-2
Ps. 32: 5
Lezen: Genesis 22: 1-19
Ps. 34: 1, 3-4, 8
Tekst: Genesis 22: 9-12
Ps. 27: 2, 7
Gez. 30: 3, 6

Gebedspunten:


Gemeente van Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes.

Van de gelovigen die leefden in de tijd waar het Oude Testament het over heeft, wordt er in het Nieuwe Testament niemand vaker genoemd dan Abraham. Zo'n 74 keer maar liefst komen we de naam van deze beroemde aartsvader er tegen. En kijk je eens in welke context hij daar genoemd wordt, dan blijkt dat in heel veel gevallen om het 'geloof' te gaan.
Als Jezus later ziet hoe de niet-joodse hoofdman in Kafarnaüm gelooft, dan zegt hij: 'bij niemand in Israël heb Ik zo'n groot geloof gevonden'. En Hij voegt daar aan toe: 'velen zullen zo nog komen en aanliggen in het hemels Koninkrijk met onder andere... Abraham' (Matteüs 8: 11).
In Romeinen 4, het hoofdstuk dat bijna helemaal gewijd is aan het leven-uit-het-geloof, haalt Paulus Abraham naar voren die 'niet heeft getwijfeld, maar versterkt werd in zijn geloof en God de eer gaf, in de volle zekerheid, dat Hij in staat was, om wat Hij beloofd had ook te doen' (verzen 20-21).
Als Jakobus het in zijn brief over 'dood geloof' heeft wijst ook hij op Abraham: 'Aan zijn doen en laten kun je zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat zijn geloof pas volkomen werd uit de werken' (Jakobus 2: 22).
Abraham wordt in het Nieuwe Testament dus vooral naar voren geschoven als iemand met een sterk en rotsvast geloof in God. Iets waarin wij ook herhaaldelijk worden opgeroepen om hem daarin na te volgen.
Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten bijvoorbeeld: 'Kinderen van Abraham zijn zij die uit het geloof zijn' (Galaten 3). En in zijn brief aan de Romeinen heeft hij het over Abraham als de 'vader van de gelovigen'.
Willen we ons dus verbonden weten met Abraham, en ons het verbond en de beloften die aan hem en zijn nakomelingen gegeven zijn ons eigen maken, dan wordt van ons kennelijk dezelfde geloofshouding verwacht als van hem.

Maar is dat niet veelsteveel verlangd?
Kijk nou eens naar Genesis 22. Wie van ons kan dat opbrengen? Zou God ook zoiets vreselijks van ons kunnen vragen? En is het niet erg frustrerend om zo'n figuur als Abraham juist als voorbeeld voorgehouden te krijgen? Zo'n geloofsheld, die zo onwankelbaar lijkt te staan in zijn geloof? Daar kan toch niemand van ons aan tippen? Zorgt Paulus met het voorbeeld van Abraham niet juist voor het tegengestelde effect dan hij wil: in plaats van mensen op te beuren en ze te bemoedigen een gevoel bij mensen oproepen van: dat haal ik toch nooit?
Roept hij op die manier juist niet de twijfel bij mensen op?
Genoeg vragen dus bij dit bijbelgedeelte.

Ik heb de preek erover voor u samengevat onder het thema:

Leef uit het geloof

Dat wil zeggen:

  1. Je leven niet laten bepalen door het verleden of de toekomst
  2. Je leven wel laten bepalen door vertrouwen op, en door God


1. Je leven niet laten bepalen door het verleden of de toekomst

Abraham is gelukkig. Het gaat hem en zijn vrouw en kinderen op het moment voor de wind. De relatie met God is hecht.
Dat is lang niet altijd zo geweest. Integendeel, er zijn best nogal wat momenten in Abrahams leven geweest, waarin het hem zowat zwart voor de ogen werd; waarin alles hem uit handen werd geslagen en hij het verschrikkelijk moeilijk had.
Zo'n 40 jaar terug bijvoorbeeld had hij gewoon geleefd met zijn ouders, zijn opa en oma, zijn broers en zussen, zijn neefjes en nichtjes en niet te vergeten, zijn vrienden en kennissen in Mesopotamië.
Dat was - gelet op de intensieve omgang die de mensen in die tijd in het oosten met elkaar onderhielden - een tijd geweest om niet gauw te vergeten. Waarin hechte banden waren ontstaan en diepe vriendschappen gekoesterd.
In die tijd had ineens Gòd zijn weg gekruist: 'Abraham, neem afscheid van je familie en je vrienden; de meesten ervan zul je waarschijnlijk nooit meer terug zien, maak je klaar om te emigreren naar het land dat Ik je zal aanwijzen' (Genesis 12).
Reken maar dat dat voor een geweldige schok bij Abraham had gezorgd. Wat zal hij het toen moeilijk hebben gehad. Met zichzelf en met de reacties van zijn omgeving. Alles kwijt - mensen, baan, vrienden, omgeving - alles en iedereen - wat zo'n beetje de zekerheid van zijn bestaan uitmaakte - vaarwel zeggen…?
In de jaren vijftig en zestig zijn er heel wat Nederlanders geëmigreerd naar Canada en Afrika. Die moesten in een keer alle schepen achter zich verbranden. De familie die ze waarschijnlijk nooit weer zouden zien, de vrienden, de sociale zekerheid die ze hadden opgebouwd. Datzelfde was ook Abraham overkomen.
Maar bestond voor emigreren vaak een noodzaak (werk, grond), voor Abraham was dat er niet. Het enige wat hij had was de stem van God die tegen hem had gezegd dat hij zijn land en familie moest verlaten.
Maar Abraham ging. Zijn verleden achter zich latend. Uitgerekend het verleden, waar mensen zich juist zo thuis bij kunnen voelen, waar ze zo in vast kunnen zijn gaan zitten en zo aan gewend zijn geraakt.
Het verleden, waar mensen juist op terug kunnen vallen als er moeiten zijn en tegenslagen komen. Het verleden waarbij mensen juist onder barre omstandigheden tot rust kunnen komen. Dat gaf Abraham allemaal op. Weg zekerheid, weg rust, weg houvast...
... om God daarvoor in de plaats te stellen.

De Here had hem namelijk niet zomaar de terugweg naar het verleden afgesneden, maar had daar wel iets voor in de plaats gesteld: vergeet het verleden: leun maar op Mij, geloof in Mij, vertrouw maar op Mij.
En Abraham vertrouwde op God! 'Toen ging Abraham zoals de Here tot hem gesproken had'. Daar zit voor ons een geweldig inspirerend getuigenis in. Geloven is niet vastzitten aan wat wàs, wat door jou of ons in de loop van de tijd is opgebouwd, maar aan de levende God, die hier-en-nu met je meegaat.
Wat een houvast als je zaak failliet gaat, als het werk wat je graag deed en goed ligt, ineens anders ingevuld gaat worden. Als je door je familie verstoten bent. Als je inééns voor nieuwe situaties komt te staan.
Je hoeft niet vast te zitten aan wat was, omdat God op ditzelfde met je is en blijft zijn!

In de jaren die volgden op de emigratie van Abraham is dat eerste contact tussen Abraham en God veel intensiever en vertrouwelijker geworden.
Als je de hoofdstukken 13 tot en met 21 achter elkaar leest, dan treft je de intimiteit van de verbondsrelatie tussen de Here en Abraham. In Genesis 13 horen we hoe God Zich, na het vertrek van neef Lot, bemoedigend op Abraham inspreekt. Twee hoofdstukken later -in Genesis 15- horen we van een levensecht gesprek tussen God en Abraham.

God: 'wees niet bang Abraham, je loon zal straks zeer groot zijn'.
Abraham: 'maar Here, wat wilt U toch, ik heb niet eens kinderen'.
God: 'je zult een zoon krijgen en uit hem zal een volk groeien zo talrijk als de sterren buiten'.
Abraham: 'hoe weet ik dat zeker?'
God: 'breng Mij een paar dieren van drie jaar en Ik zal een verbond met je sluiten'.

Je hoort aan dit gesprek hoe vertrouwelijk inmiddels God en Abraham met elkaar omgaan: de een reageert op de ander en komt met een weerwoord.
In Genesis 17 horen we hoe Abraham, na het horen van Gods Woord, zich permitteert om ten overstaan van God hardop te lachen. Een hoofdstuk later horen we hoe God midden op de dag aan Abraham verschijnt terwijl hij voor zijn tent zit (Genesis 18: 1)
En de vertrouwelijkheid tussen God en Abraham bereikt haar hoogtepunt, als we de Here halverwege die ontmoeting hardop horen denken: 'zou Ik voor Abraham gaan verbergen wat Ik ga doen?'
Hier heeft het verbond de kleur aangenomen van vriendschap. Vrienden hebben immers geen geheimen voor elkaar. Als je je dat realiseert, begrijp je ineens wat voor een geweldige schok het gebeuren in Genesis 22 bij Abraham moet hebben gegeven.

Alles lijkt hem in een keer onder voeten te worden weggeslagen: God, met wie hij inmiddels zo vertrouwelijk omgaat, vraagt iets van hem wat hem onmogelijk schijnt: zijn enige zoon Isaak offeren. Alle vertrouwelijkheid lijkt in een keer weg.
In het begin van Genesis 22 blijft de verbondsnaam van de Here ook achterwege; Hij wordt aangeduid als 'God', de onbegrijpelijke, de afstandelijke.
Ik zei al: Gods eis komt hard aan, omdat het om Abrahams enig kind gaat. Het liefste wat hij bezit wordt er in onze tekst speciaal bij vermeld. En zeker in het oosten van toen gold het verlies van een zoon als een zware klap. Daar draaide namelijk àlles om de oudste zoon. Zoals je vandaag bij moslims dat nog tegenkomt. Het zoonbezit wordt daar als levensverzekering gezien: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.
En voor Abraham gold dat wel heel speciáál in het geval van Isaak. God had immers in Isaak zijn beloften voor de toekomst gegeven: uit hèm zal een volk geboren worden. Als Isaak er niet meer zou zijn leek daar allemaal niets van terecht te komen.
Had Abraham eerder al met zijn verleden moeten breken, nu -zo lijkt het- staat zijn toekomst op instorten. God die hem eerder zijn verleden heeft afgenomen, komt Abraham nu zijn toekomstverwachting afnemen: 'Geef Mij je zoon, lever je toekomst bij Mij in'.
Abraham moet -letterlijk- met eigen hand het hele gebouw van zijn hoop-voor-de-toekomst afbreken. Alles wat voor hem de verwezenlijking belichaamde van de Goddelijke belofte, waarop hij zoveel jaren had moeten wachten, moet hij in één moment prijsgeven.
Omdat God, die zijn verleden is, ook Abrahams toekomst wil zijn.
God wil bij Abraham naar boven halen: 'leun wat de toekomst aangaat op Mij, geloof Mij, vertrouw op Mij!

Dat mag ook voor ons vandaag gelden. We kunnen op een bepaald moment de toekomst optimistisch en vol vertrouwen tegemoet zien: we zijn dít van plan. We hebben dáárin geïnvesteerd. We willen dàt gaan ondernemen.
De toekomst kan er soms ook dreigend en somber uitzien. Hoe gaat het met onze kinderen verder? Met het werk, de relatie, de kerk, die ziekte? Maar we weten niet hoe de toekomst eruit ziet. Het kan straks wel heel anders gaan dan wij denken of willen. Daarom moeten we ons leven dáár ook niet teveel door laten bepalen.
We leven niet stràks met 'God die zal zijn', maar nú met 'God die ís'. Die met ons meegaat op weg naar de toekomst. En ons brengt waar Hij wil dat we wezen moeten.
Maar lukt ons dat? Hebben we dat geloofsvertrouwen altijd wel?

Daarmee ben ik bij punt 2 van de preek:

2. Je leven wel laten bepalen door vertrouwen op, en door God

Abraham -gehoor gevend aan de oproep van God- gaat, in gezelschap van twee knechten, op weg naar het land Moria. Hij heeft alles bij zich voor het door God verlangde brandoffer: hout, vuur, een mes... en zijn zoon Isaak. Na drie dagen reizen aangekomen bij de plek die God hem aanwijst, laat hij de twee knechten achter en loopt met Isaak naar de bewuste plaats. Die ziet wel het vuur en het hout, maar geen offerdier en vraagt daar prompt ook naar: 'vader, waar is het lam dat als brandoffer kan dienen?'.
Je voelt de spanning hier al toenemen.

Abraham kan het op dat moment nog niet tegen zijn zoon zeggen. Het antwoord dat hij in vers 8 geeft - 'God zal zichzelf voorzien van een lam als brandoffer' - is niet onwaar, maar draait wel om de hete brei heen.
'Zo gingen die beiden tezamen' staat er dan.
Deze herhaling -in vers 6 werd dat al eerder gezegd- doet ons nog eens heel scherp het aangrijpende van deze tocht voelen. Je wordt als het ware stap voor stap meegenomen om te beseffen wat die gang voor Abraham betekent. 'Zo gingen die twee tezamen'... samen bouwen ze een altaar, samen schikken ze het hout erop en dan bindt Abraham zijn zoon erop vast.
Wat zal er op die momenten in deze man allemaal zijn omgegaan? Wat zal het in hem hebben gestormd en gewoeld? 'Moet ik Isaak mijn enige zoon doden? Ik de lieveling van mijn vrouw Sara ombrengen en haar hart breken? Wat is de bedoeling van God hiermee? Waarom wil God dit? Hoe gaat het verder met mijn gezin en met het verbond?
De vragen stapelen zich op en blijven komen, zonder dat Abraham ook maar een steek verder komt.
Zoals je dat als gelovige kan overkomen. Wel vragen, geen antwoorden. Wel 'waaroms', geen 'daaroms'. Wel onrust en woelen, geen duidelijkheid.
Maar hoe het in Abraham ook stormt en woelt; hij doet wat God van hem vraagt. Hij pakt zijn mes met de bedoeling om Isaak ermee te doden. Dat was op dat moment ook ècht Abrahams bedoeling. Als God niet had ingegrepen dan had Abraham het zeker gedaan.

De schrijver van de Hebreeënbrief gunt ons later een kijkje in het binnenste van Abraham juist op dat cruciale moment voor het altaar.
'Hij wilde zijn enige zoon doden' wordt daar gezegd. En later wordt er als soort verklaring bijgevoegd: 'Abraham overwoog, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken'.
Bij al zijn vragen en moeite vertrouwt Abraham God. Als God iets zegt, dan is het goed. Ook al begrijpt hìj er niks van en kost het hèm nog zoveel moeite.

Abraham vertrouwt God blindelings.
En terecht. Als Iemand het waard is om vertrouwd te worden dan is dat God.
Als God zegt: 'in Christus zijn al u zonden vergeven', dan hoeven wij daar op geen enkele manier of moment aan te twijfelen; dan rest ons maar één ding: God op zijn woord vertrouwen!

Als God zegt: 'Je hoeft je niet bezorgd te maken over je eten en drinken, je kleding, je werk, je inkomen, je carrière, Ik zorg voor je'... dan is God daarin ons vertrouwen waard.
Als God zegt: 'als je gaat evangeliseren, hoef je niet bang te zijn dat je niet zult weten wat je moet zeggen, want Ik zal je de woorden in de mond leggen'... dan moeten we daarop ook vertrouwen.
Maar kunnen we dat? Kunnen we zó'n geloofsvertrouwen opbrengen?

'Ik weet niet of ik het straks op mijn sterfbed in het geloof wel volhoud', zegt een bejaarde zuster aarzelend.
'Ik weet niet of er nog wel geloof in me zit' zegt een jongvolwassene zuster twijfelend.

Maar zo moet je ook niet redeneren. Dan is je blikrichting verkeerd.
'Ik weet niet of ik wel zo'n sterk geloof als Abraham heb'.
Maar het gaat niet om jou en het gaat niet om Abraham. Abraham had zijn geloof ook niet van zichzelf. Hij had dat gekregen. Het vertrouwen op God - ook in moeilijke tijden - had God hem zelf gegeven. Terecht is er wel eens kritiek uitgeoefend op de term 'geloofsheld': het is de Here die Abrahams gesloten hart opent, het is God die Abrahams wil vernieuwt: van slecht in goed, van onwillig in gewillig, van weerbarstig in gehoorzaam' (Dordtse Leerregels).
Het was bij Abraham niet alleen vertrouwen òp God, maar ook vertrouwen vàn God. Zo mogen ook wij niet alleen vertrouwen òp God, maar ook vertrouwen dat we dat vertrouwen vàn God krijgen.

Of we nu jong zijn en aan het begin van het leven of oud en aan het eind van het leven. Leven in geloof is: vertrouwen op God en van God... in leven en sterven!
Door Jezus Christus. Die we ook hier in de geschiedenis van Abraham al tegenkomen. 'De Engel des Heren riep vanuit de hemel: doe hem niets' staat er in vers 11. En bij de 'Engel des Heren' gaat het om de oudtestamentische verschijning van Christus. 'Doe hem niets' klinkt het in de bergen van Moria, zoals die later weer zou klinken: 'doe de moordenaar aan het kruis niets, doe de verloren zoon niets, doe de Samaritaanse vrouw niets, doe de tollenaar niets, doe de zondige hoer niets'.
Doe ze niets aan... doe het Mij aan'!
En dan klinkt er geen stem vanuit de hemel. Dan horen we alleen de doodskreet van de stervende Jezus 'Eli, eli lama sabachtani'.
Om Isaak, Abraham en ons - van Gods toorn en de dood te bevrijden.
Halleluja, lof zij dàt lam!

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar