Paulus predikt de rijkdom van de zonen van God

Thema: Paulus predikt de rijkdom van de zonen van God
Tekst: Galaten 3: 26
Tekstgedeelte(n): Galaten 3: 15-29
Door: Dr. W.G. de Vries († - destijds predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zwolle)
Gehouden te: Zwolle

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen:
Galaten 3: 15-29
Tekst: Galaten 3: 26

Zingen:
Ps. 147: 1
Ps. 147: 4
Ps. 147: 7
Gez. 14: 1-4
Ps. 103: 3, 5

Geliefde gemeente van onze Here Jezus Christus,

Het gaat in onze tekst over zonen van God. Die zijn er blijkbaar op aarde. En Christus wil veel zonen tot heerlijkheid leiden (Hebreeën 2: 10). Hij heeft met ons maar één ding op het oog: de verheerlijking van ons leven.
Wat een uitzicht bij zoveel ontluistering van het mensenleven. Er komt zoveel ellende op ons af. Ook via de commmicatiemiddelen. Want goed nieuws is eigenlijk geen nieuws. De gewone dingen zijn niet interessant. Daarom worden we overladen met krantenverhalen en reportages over roofmoorden, gijzelingen, verkrachtingen, oorlogsmisdaden en vreselijke natuurrampen. De mensen van de reality-tv zijn er als de kippen bij om de meest gruwelijke gebeurtenissen tot in details op het scherm te brengen. We leven in een wereld vol gruwelen. Maar Christus wil ons een heerlijke wereld geven en een heerlijk leven.
Maar de weg daarheen loopt via deze wereld en via ons huidige leven. God wist wel wat Hij deed, toen Hij in deze eeuw geboren deed worden. Ook toen hij ons ouders gaf, die ons op aarde wegwijs moeten maken. Zij hebben van de Heilige Geest de taak gekregen hun kinderen christelijk op te voeden. Dat is met het oog op Christus en zijn heerlijk doel met ons leven.
Waartoe anders hebben zij hun kinderen opgevoed? Niet maar om een goede opleiding te krijgen. Ook niet alleen om een goede baan te krijgen. Maar vooral om hen bewust te maken van hun zeer bijzondere positie op aarde. Dat zal je maar gezegd worden, dat je zoon van de levende God mag zijn. Daar zit toch alles in? Een mooiere naam ken ik niet. Zo mocht eenmaal Adam heten: de zoon van God. Dat was der heerlijkheid van zijn leven. Maar die hebben hij en wij door de val in zonde verspeeld. En die heerlijkheid wil Christus ons weer geven als kinderen van God. Door Hem in genade aangenomen. Dat werd al bij het begin van ons leven gezegd, toen we gedoopt werden. En dat wordt ons telkens weer op het hart gebonden. Dat blijkt ook uit onze tekst.
Paulus heeft deze brief geschreven aan de Galaten. Die stammen af van de Kelten. En die Kelten hebben heel lang geleden geleefd ten Westen van de Rijn. Ze zaten dus dicht in onze buurt. U vindt de resten van hen nog in Frankrijk en Engeland. Ze zijn ook terecht gekomen in het Noorden van Klein-Azië. Dat even over onze stamboom. Want ook wij wonen nog steeds ten Westen van de Rijn. En wij mogen vandaag weer bijeen zijn als zonen van God. Die geweldige achtergrond heeft deze kerkdienst.
Wat ligt dus meer voor de hand dan dat we ons bezinnen op dat zoon zijn van God?

Ik predik u:

Paulus predikt de rijkdom van de zonen van God

Die rijkdom bestaat in:

  1. Het bekleed zijn met Christus
  2. Het één zijn in Christus
  3. Het erfgenaam zijn met Christus

1. Het bekleed zijn met Christus

Paulus spreekt hier bevrijdende woorden. Hij richt zich namelijk tot mensen, die 'in verzekerde bewaring' werden gehouden. Nu, die term kennen we ook vandaag. Dieven en andere misdadigers worden in verzekerde bewaring gezet. Hoe zat dit bij de eerste lezers van deze brief?
Zij dreigden door de wet in verzekerde bewaring te worden gehouden. Joodse christenen hadden namelijk gezegd: wil je gered worden, dan moet je je onderwerpen aan alle joodse wetten en gebruiken. Daartegen verzet Paulus zich met alle macht. Wie dat leren, willen u gevangen zetten, zegt hij. Zoals gevangenismuren iemand verhinderen nog meer misdaden te plegen, zo heeft de wet dit geprobeerd. Maar dat had een averechts effect. Een effect dat we ook vandaag kennen. Helaas worden veel mensen in de gevangenis er niet beter op. Ze worden leren nog meer kwaad en worden opstandig. Zo vergelijkt Paulus de wet hier met een gevangenis, die de mensen steeds meer tot verzet prikkelt. Hoeveel gevangenis-oproeren kennen we niet?
Een gevangenis verandert de mens van binnen niet. Maar prikkelt tot verzet. Zo was het ook met de wet. Mensen steigeren daartegen in.
Is dat dan de bedoeling van Gods wet? Daarin wordt veel verboden. Maar juist verboden vruchten zijn zoet. Wel werpen gevangenisstraffen een dam op tegen het verkeerde. Maar daarmee verànderen ze de mensen niet.
Is dat nu de enige betekenis van Gods wet? Nee, zegt Paulus, diezelfde wet is een tuchtmeester. Letterlijk staat er: pedagoog. Dat woord kennen we wel. Een pedagoog is een opvoeder. En opvoeding hebben we allemaal nodig. Ouders voeden hun kinderen op. En gelovige ouders willen ze opvoeden tot het geloof. Dat is nu precies de functie van de wet, waarop Paulus doelt. Ze voedt ons namelijk op naar Christus toe. Ze hield ons wel gevangen, maar ze opende tegelijk het uitzicht op bevrijding. Niet door een onwettige uitbraak, niet om voortvluchtige gevangenen te worden. Nee, ze hield ons gevangen met het oog op het geloof. En het geloof geeft een geweldige bevrijding. Het geloof leert ons namelijk dat uit de werken van de wet niemand vrij wordt. De wet hamert er steeds in: dit moet je doen en dat mag je niet doen. Je zou er wanhopig van worden. Want het lukt je nooit geheel. Je blijft gevangen.
Wil je uit die gevangenis bevrijd worden, dan moet die bevrijding van buiten komen. Wil ze wettig zijn. En dat is gebeurd, niet maar van buiten, maar van boven! Christus zegt in Lukas 4 dat Hij gekomen is om gevangenen bevrijding te geven. Door de macht van de zonde te breken.
Een Romeinse keizer schijnt eens gezegd te hebben: Ik wilde dat al mijn vijanden maar één nek hadden. Dan zou ik ze met één slag vellen. Wel, met één slag heeft Christus alle vijanden geveld. Hij heeft namelijk de satan de kop vermorzeld, de veroorzaker van alle zonden. Als je dat gelooft, als je naar Christus vlucht, ben je vrij van zonde en schuld. En zo kom je van de wet als opvoeder af. Een opvoeder moet opvoeden tot zelfstandigheid.
Zo ook je ouders. Eerst doe je als kind iets, omdat je ouders het zeggen. Maar het moet zover komen dat je het gaat doen uit eigen wil. Dat is zelfstandigheid. Iets doen, niet omdat anderen het zeggen. Maar uit eigen keuze en wil. Zo gaat het ook bij het geloof. Je leert het van je ouders. Je gaat naar de kerk en naar de catechisatie en naar een gereformeerde school, omdat je ouders het willen. Dat hebben ze trouwens ook beloofd, toen je gedoopt werd. Dat ze je zouden opvoeden in de leer van de bijbel. Maar het moet zover komen, dat je zelfstandig 'ja' zegt tot God, de God van je leven. Daarmee verdwijnt de wet niet uit je leven. Maar het is wel allemaal anders geworden. Ze is niet langer een opvoeder naar Christus. Want Christus zelf is in je leven gekomen. We doen wat de wet vraagt niet meer gedwongen, tegen onze zin, maar van binnen uit. We leren door de Geest van Christus tegen God zeggen: Vader. Je wordt een zelfstandig kind van God.
Paulus wijst ons hier op onze doop. Gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Dopen betekent letterlijk onderdompelen. Als je iets in water onderdompelt wordt het helemaal door dat water omgeven. Zo worden wij door de doop helemaal door Christus omgeven.
Eenmaal hebben onze ouders ons bij het doopvont gebracht. Daar had je nog geen enkel besef van. Maar door je christelijke opvoeding ging je steeds meer beseffen, wat dit voor je betekent. We werden met Christus bekleed. Er werd een nieuwe kleding over je aangebracht. Christus zelf. En deze Christus heeft Gods wet volkomen gehouden. Ook de straf over onze overtreding van die wet heeft Hij aan het kruis gedragen. Als zijn kleed over ons leven ligt, ziet God ons als mensen die zijn wet helemaal houden en die geen enkele straf meer krijgen. Weg dus met de gevangenis.
Jezus, leven van ons leven! Dat betekent niet: ik wens te zijn als Jezus. Dat kan niemand. Want wie is volmaakt? Maar het betekent wel dat zijn bloed ons reinigt van alle zonden. Dat is de blijde erkenning dat Hij ons onvolkomen leven dekt met het kleed van zijn volmaaktheid. Zoals Galaten 2: 20 het zegt: Niet ik leef meer, maar Christus leeft in mij.
Zo hebben die Galaten zich gelukkig geweten. Zo gelukkig dat Paulus heel kras durft zeggen, dat ze zelfs hun ogen zouden hebben uitgerukt van blijdschap (Galaten 4: 15). Zo stapelblij waren ze met dit reddend evangelie. Zo blij waren ze met hun doop, die Gods eeuwige vrijspraak van schuld hun garandeerde. Zijn wij, gemeente, ook zo blij? We komen toch in de kerk om het evangelie te horen? En dat is een blijde tijding, bron van hartsverblijding. 'Heer, verzoener van mijn zonden, Heiland, die mij hebt gezocht'.

2. Het één zijn in Christus

Zonen van God te zijn, dat sluit niet alleen alles, maar ook allen in. Het overbrugt ook allerlei tegenstellingen en kloven, die mensen maken. Daarom zegt Paulus: Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Paulus brengt hier allerlei tegenstellingen onder woorden, die toen golden. Wat een kloof was er tussen Jood en heiden. Joden spraken over heidenen als 'die onbesnedenen'. En heidenen typeerden de Joden als een volk dat in haat leefde tegen het hele menselijk geslacht. Wat een onderscheid was er toen tussen slaven en vrijen. Slaven waren een handelsartikel en vrijen ware eigen meester en niemands knecht. Wat een kloof gaapte er ook tussen man en vrouw. In de Joodse synagogen werden vrouwen op een galerij achter tralies geplaatst, want ze mochten in de synagoge zelf niet komen. Elke dag werd zelfs dit gebed tot God opgezonden: 'Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, die mij niet als heiden hebt doen geboren worden, die mij niet als slaaf hebt doen geboren worden, die mij niet als vrouw hebt doen geboren worden'.
Door dergelijke tegenstellingen werd het leven toen verscheurd. En wie vandaag op het racisme let en de volkerenmoord in het voormalig Joegoslavië en de etnische moorden in Ruanda en Somalië, beseft dat het alleen maar erger is geworden. Maar Paulus zegt: bij wie in Christus geloven is geen sprake meer van zulke kloven. Wie met Christus zijn bekleed dragen allemaal hetzelfde kleed! Daarom mogen ze allemaal zonen, kinderen van God zijn. Ze zijn allemaal één in Christus.
Daarbij denkt hij aan de eenheid van de gemeente. Allen zijn we immers tot één lichaam gedoopt (1 Korintiërs 12: 13). Dit is geen revolutionair program van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hier staan niet mensen in het middelpunt, maar Christus. Hij heeft aan al deze schakeringen hun door God gegeven plaats gewezen. In de kerk bestaat geen 'apartheid'. Laten we eraan denken, nu de apartheid in Zuid-Afrika is opgeheven. Dat is al twintig eeuwen eerder door Paulus namens Christus gezegd. Niemand heeft vanwege ras of kleur een prae bij Christus. Wie in Christus geloven dragen één kleed: Christus. De gemeente is het huis van de kinderen van God. Ze hebben allemaal één Vader, die rijk is voor allen. Daarom zegt de bijbel ook dat we in de kerk niemand 'naar het vlees' kennen. Dat betekent: naar de positie die we op aarde in ons lichamelijk bestaan hebben. We beoordelen elkaar niet naar onze maatschappelijke positie, we meten elkaar niet af aan sociale verschillen of naar geslachtelijke verschillen. Wie in Christus geloven zijn een 'nieuwe schepping', niet een produkt van de huidige maatschappij (2 Korintiërs 5: 16). We vormen een eenheid als kinderen van de levende God. We zijn huisgenoten van God. En dat moet hier en nu beginnen. Want hoe zou het dan straks kunnen gelden? Wie hier niet met de huisgenoten van God wil samenleven en samenwerken, hoe zal hij of zij dat op de nieuwe aarde kunnen? Daarom kunnen we in de kerk elkaar nooit links laten liggen. Daarom kunnen cultuur- en leeftijdsverschillen nooit iets afdoen van het kleed dat om de schouder van ons allen hangt: Christus en zijn volmaakte werk. Daarop worden de ouderen en de jongeren hier in de kerk ook aangesproken.
De jongeren: ze zijn al kinderen van God bij hun geboorte. Maar ze treden, als het goed is, ook bewust tot de gelederen van de kerk toe door wedergeboorte. Gods Geest gaat hen hun dat toeëigenen wat ze in Christus hebben. Je kunt je iets onrechtmatig toeëigenen, iets wat niet van je is. We noemen dat diefstal. Maar we zijn in de kerk geen dieven, maar kinderen van God, die zich de erfenis rechtmatig mogen toeëigenen, want die was sinds onze geboorte voor ons bestemd. En dat gebeurt door de Geest van Christus. Want niemand kan God echt en hartelijk Vader noemen dan door de Heilige Geest. Looft de Geest, Hij zal niet wijken van de kerk, met bloed gekocht!
De ouderen: ze dienen in woord en werk een voorbeeld te zijn voor de jongeren. Niet alleen, wanneer ze kinderen hebben. Paulus had geen kinderen. Maar hij was wel een 'vader' in Christus voor de gelovigen. We leven in een wereld 'zonder vaders', is wel gezegd. Wanneer ouders en ouderen zich geen instrumenten meer weten van de Heilige Geest, is dit een ramp voor de wereld. We zien het om ons heen. Dan wijkt de Geest en de wereld wordt een chaos. Want als Gods testament, het Oude en Nieuwe Testament, niet meer gekend wordt en open gaat, dan is er hier beneden geen enkel perspectief. Dan zijn er geen erfgenamen meer en dan wordt ook het kindschap van de levende God gemist.

3. Het erfgenaam zijn met Christus

Daarom willen we er tenslotte op letten dat Gods kinderen ook erfgenamen zijn. Door hierop te wijzen bereikt Paulus een hoogtepunt. Hij bestrijdt hier namelijk de Joodse trots, dat zij bij uitstek kinderen van Abraham zouden zijn, alleen al wegens hun Joodse bloed. Daarom vaart hij hier uit tegen alle mensen die niet begrijpen dat alleen zij echte kinderen van Abraham zijn, die uit het geloof in Christus leven. Met grote nadruk zegt hij: Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham. Dan delen we ook in de erfenis van Abraham. En die omvat de hele wereld. In hem zullen immers alle mensen gezegend worden.
Zo bereikt Paulus hier zijn doel. Als we geloven zijn we erfgenamen van God, niet doordat we zo secuur de wet hebben gehouden, maar omdat we in Gods Zoon geloven. Hier gaat de schatkamer van God open. En Hij geeft ons rijkdommen die nooit vergaan. Dat staat in het Oude en in het Nieuwe Testament.
In een Testament gaat het om wat iemand krijgt. Daarom wordt in de kerk ook steeds weer gevraagd - bij elke bediening van de doop en bij de openbare geloofsbelijdenis, maar ook bij het bevestigen van ambtsdragers - of men dat Oude en Nieuwe Testament ook aanvaardt. Want het is ongelooflijk wat God ons daarin belooft. Rijk en onoverzienbaar. Ongehoorde, ongeziene en ongedachte dingen. Daarom moet me in dit verband iets van het hart, dat ik onlangs las. In een schoolklas werden bijbels uitgedeeld. Wat gebeurde ermee?
Men gooide elkaar ermee om de oren. Sommigen begonnen eruit voor te lezen en daarna gingen ze meteen vloeken. Eén leerling gaf hem terug aan de leraar. Deze gooide de bijbel meteen in de prullebak. Zo gaan velen vandaag om met Gods Testament. Ze gooien niet alleen een boek weg, maar ze hebben geen enkel belang meer bij de erfenis, die daarin beloofd wordt.
Een tweede voorbeeld. Het verhaal van een Mohammedaanse jongen, een moslem. Hij zat op een christelijke school en bewaarde zijn bijbel goed. Maar wat viel hem op? Als hij aan een Nederlander vraagt, wat Pasen betekent, weet deze het niet eens.
In de trein hoort deze moslem-jongere een meisje vragen: Wat betekent Pasen ook alweer? Iemand antwoordt: Dat heeft met de geboorte van Jezus te maken. Een ander meisje: Welnee, dat is Kerst, het gaat over het sterven van Jezus. Een ander: het is toch gewoon het begin van de lente? Toen deze jongeman op zijn werk vroeg wat Pasen betekende, zei iemand: Dat is het laatste avondmaal. Maar de opstanding van Christus kwam niet in het gezicht. Geen wonder dat deze moslem het vreemd vindt dat hij aan Nederlanders moet uitleggen wat Kerst en Pasen betekenen.
In zulk een tijd leven wij. Gelukkig mogen wij aan de catechisanten nog steeds de heilsfeiten leren. Maar het gaat erom dat ze die ook ter harte nemen. Want een erfgenaam moet toch op de hoogte zijn van de erfenis? We mogen immers mede-erfgenamen van Christus zijn (Romeinen 8: 17). En we lezen in Hebreeën 1: 2 dat God zijn Zoon tot erfgenaam van alles heeft gemaakt. Van alles. Onoverzienbaar. Zo rijk is de erfenis die aan ons in het Oude en Nieuwe Testament wordt gegeven. Het is om te duizelen. Wat gaan wij een grote toekomst tegemoet. We mogen de hele wereld ontvangen, maar dan een nieuwe wereld zonder moeite, ziekte en dood. God maakt immers alle dingen nieuw. En wie in Hem geloven horen al bij zijn nieuwe schepping.

Dat is het machtige van het geloof. Daarin nemen we maar niet 'een boek' aan, daarin delen we maar niet in een bepaalde visie, maar daardoor worden we erfgenamen van God. Van de eeuwig rijke God. En wat Hij in het Oude en Nieuwe Testament beloofd heeft, overtreft al onze verwachtingen. Deze erfenis ligt vast in het bloed van Christus, dat voor ons vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden.
Zo mogen we elkaar aanspreken: zonen van God, erfgenamen van het eeuwige leven. Op weg naar een wereld, waarin alle tranen worden afgewist, waar geen dood en geen moeite meer zullen zijn, geen verdriet en rouw.
Zonen van God. Van de levende God. Erfgenamen van het eeuwige leven, van dat leven, dat Christus voor ons verworven heeft. We zijn daarom de gelukkigsten van alle mensen. Van dat geluk willen wij getuigen en zingen: Jezus, leven van mijn leven!

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar