Zonder God geen leven (Biddag)

Thema: Zonder God geen leven (Biddag)
Tekst: Deuteronomium 8: 3b en Johannes 6: 33
Tekstgedeelte(n): Art.13 Nederlandse Geloofsbelijdenis (N.G.B.)
Deuteronomium 8: 1-10
Johannes 6: 26-35
Door: Ds. T.S. Huttenga (studentenpastor gereformeerde kerk vrijgem. classis Groningen)
Gehouden te: Groningen-West op biddag 10 maart 1999
Extra: Samenvatting van de preek

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 33: 1, 3
Lezen: Art.13 N.G.B.
Ps.33: 7-8
Lezen: Deuteronomium 8: 1-10
Ps. 105: 19
Lezen: Johannes 6: 26-35
Ps. 105: 21
Tekst: Deuteronomium 8: 3b en Johannes 6: 33
Lied 454
Ps. 147: 3, 7

Broeders en zusters, jongens en meisjes,

Je stapt zijn werkkamer binnen. Hij wordt je directe chef. Hij heeft in het bedrijf een goede baan en jij hoopt er één te krijgen. Hij is ook gereformeerd, netzo als jij. Je ogen dwalen door het vertrek. Ze worden even vastgehouden door een foto aan de wand. Een al wat oudere man, waarschijnlijk een zestiger. Een open blik, vriendelijk, toch ook een beetje ernstig. Hij raadt je gedachten. 'Zonder die man zat ik hier nu niet. Ik heb ontzettend veel aan hem te danken.' En hij vertelt. Hoe hij op zestienjarige leeftijd het spoor volledig bijster was. Hij spijbelde, ging nauwelijks meer naar school, was frequent bezoeker van een disco, meestal tot diep in de nacht, spoot, doubleerde natuurlijk op school, kreeg op een gegeven moment te horen dat hij eraf moest, ging niet meer naar de catechisatie, zelden naar de kerk, bad niet... Om kort te gaan: zijn leven was een puinhoop. De man aan de wand was zijn wijkouderling. Toen hij bij het jaarlijkse huisbezoek miste, zocht hij hem een keer op zijn kamer op. Onaangekondigd. Hij stond zomaar voor de deur. Toen hij het huis uit was, in een trainingscentrum voor kamerbewoners, bezocht hij hem daar. En hij zette door. Vaak had hij geen enkele behoefte aan die ouderling. Dat zei hij hem ook, recht in zijn gezicht. En hij stortte een heleboel kritiek over hem uit, kritiek op de kerk, op al die schijnheilige mensen, die 's zondags netjes in de kerk zaten en keurig op tijd belijdenis deden, maar die het natuurlijk achter de ellebogen hadden. De ouderling hoorde het allemaal rustig aan. Zo nu en dan zei hij zelf iets. Een woord van begrip. Soms ook een corrigerende opmerking. Die corrigerende opmerkingen namen langzamerhand toe. Soms waarschuwde hij zelfs. Behoorlijk scherp kon hij dan zijn. Toen is er langzamerhand iets veranderd in zijn leven. Hij mocht ook weer terugkomen op school. Hij heeft de school afgemaakt. Daarna heeft hij de heao gedaan en nog een kopstudie daarbovenop. Hij heeft ook belijdenis gedaan. Bij die woorden stokt hij even. Hij kijkt naar de foto. 'Ik ben hem nog elke dag dankbaar. Zonder hem was ik er niet meer geweest. Of, natuurlijk moet ik zeggen: Zonder God zat ik hier nu niet. Maar goed, je komt voor iets anders. Sorry, dat ik me even liet gaan...'

Ja, en wij zitten hier om God te bidden om zijn zegen over gewas en arbeid. Gewas, daar hoort ook koren bij. Dat moet groeien, anders hebben wij geen brood. Dat koren moet God doen groeien. Door Hem schijnt de zon, door Hem valt de regen.
Het land moet worden bewerkt, geploegd, ingezaaid, bespoten, beregend eventueel, enzovoort. Dat kost arbeid en voor die arbeid moet God de kracht geven, netzo als voor alle andere arbeid, ook in dat kantoor, achter je computer, in de winkel, onderweg, in het laboratorium, in de collegezaal.
Brood, als je het niet had, begon je niets. Brood, aardappelen, groente, rijst, vlees, macaroni, je hebt het nodig. Je kunt nog zo intelligent zijn, gouden handen hebben, kunstzinnig zijn tot en met, als je niet eet, heb je daar niets aan. Het zijn essentiële levensbehoeften, de plakken brood op de ontbijttafel, de rijst, de aardappels van het avondeten. Maar gelukkig, elke morgen en avond is het er weer. Natuurlijk is het er. Geen haar op je hoofd die eraan denkt, dat het er niet zou zijn. Maar wat voor ons natuurlijk is, is dat niet voor iedereen.
Zoals voor de Israëlieten. Het begin was goed. Ze wisten niet wat hun overkwam. De zweep van de Egyptische drijvers knalde niet meer. Die gehate Egyptenaren waren verdronken in de Rode Zee. En wat waren ze rijk! 'Ga asjeblieft gauw weg', hadden de inwoners van Egypte gezegd, en ze hadden hun sierraden meegegeven, het goud en het zilver dat ze hadden opgespaard.
Ze hadden ook leeftocht mee voor onderweg. Volle waterzakken, pakken voedsel, dieren om te slachten en op te eten. En als er ergens behoefte aan was, wel dan was er wel een karavaan met reizende kooplui. Geld genoeg om iets te kopen van deze lui.
Maar, hoe gaat dat? De voorraden raken een keer op. En een karavaan ontmoet je ook niet altijd. Hoe dieper je de woestijn intrekt, hoe zeldzamer zo'n ontmoeting.
En daar sjok je dan door de desert. Brandend zand en nergens water. En een honger dat je hebt! Het is etenstijd, maar eten is er niet. En de volgende dag wordt het weer etenstijd, maar er is nog geen eten. Dit houdt toch geen mens vol. Maar op zekere ochtend ligt de grond tussen en rondom het tentenkamp bezaaid met witte korreltjes. ' Wat is dat?' roepen de verbaasde Israëlieten, die het eerst hun tent uitstappen. Het lijkt op het zaad van de koriander. Het blijkt eetbaar. Je kunt er meel van malen en brood van bakken. En elke ochtend ligt het daar, behalve op de sabbat, maar de dag ervóór ligt er twee keer zoveel. Het hongerprobleem is opgelost. Ze trekken weer welgemoed door de woestijn. Hun maag is weer gevuld, hun spieren krijgen weer voedsel, alle moeheid is weg. Dankbaar blikken ze naar de hemel, kijken ze naar de wolk daar vooraan. Het is een wonder van God. En ze beseffen, dat je niet alleen bij brood leeft. Ja, je leeft er wel bij. Je hebt het wel nodig. Maar het brood is niet je God. Jahwe is God.
En Hij spreekt, en het is er. En als Hij niet spreekt, is het er niet. Je leeft dus bij alle woord, dat uit de mond van God uitgaat. En als er één is die dat weet, is Hij dat zelf.

"Hij weet, dat wij, uit stof aan het licht gekomen, slechts leven op de adem van zijn stem." Maar wij weten het ook. Daarom zijn we hier vandaag bij elkaar. 'Je hoeft daar toch niet om te vragen,' zegt iemand weleens, 'dat pak je toch gewoon. Daar heb jij toch recht op. Je werkt niet voor niets zo hard. Je hebt ook recht op een goed loon.' En dat is ook zo, maar het is niet de hele waarheid. Waarom zou je vragen om brood, bidden om rijst, God een verzoek doen om drinken? Het staat al op tafel, als je 's ochtends binnenkomt, of je haalt het uit de kast, koopt het in de winkel, kookt het zelf. En dat dat allemaal kan, heb je toch ook wel te danken aan het feit, dat jij verstandig met je geld omgaat, met het geld dat je verdient, met de beurs die je krijgt. Dat kan ook een stuk slechter. Als je ziet, wat anderen doen. Maar jij ontzegt jezelf dan ook weleens iets, wat je eigenlijk best wel leuk zou vinden.

En dan toch vragen of je eten mag hebben?
Ja, zegt God. Ja, zegt ook Paulus. En hij verklaart dat op de Areopagus, midden in het heidense Athene: "in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij." Zonder God zijn wij niets. "Wie kan er aarden hier beneden, als er geen open hemel is?"
Nu kan ik mij voorstellen, dat iemand zegt: 'Ja, daar heb je het weer. God is alles en wij zijn niks. Dat hoor ik al zovaak in de kerk. Moet dat nou echt zoveel keren worden gezegd?'
Ik voel daar best wat bij. De enige boodschap van de bijbel is ook echt niet, dat wij niets kunnen zonder God. Denk eens aan Psalm 8. Wat heeft God ons gaaf gemaakt. 'De mens lijkt wel goddelijk', zo staat er in die psalm. En dat is toch ook zo? Wat een capaciteiten hebben mensen. Wat is er al niet uitgedacht en wat zijn er niet schitterende kunstwerken. Dat een mens zoiets maken kan! Trouwens, ook als het om eten gaat...
Niet voor niets bidden wij ook om Gods zegen over de arbeid. Het brood valt vandaag niet uit de lucht. Daar ligt een heleboel menselijke arbeid aan ten grondslag. En je mag degene die kookt best eens een pluim geven: Je hebt een fantastische maaltijd gemaakt. Dan voelt God zich echt niet tekort gedaan. Trouwens, bij allerlei werk deel je toch ook complimenten uit. Ik moet ook denken aan wat de Heidelbergse Catechismus over de vierde bede zegt. Daar staat inderdaad, dat God de enige oorsprong van al het goede is en dat niets ons baat zonder zijn zegen. Maar daar gaat het ook over onze zorg en inspanning.

Die inspanning ziet God en die waardeert Hij. Wie kent niet de gelijkenis van de talenten? 'Goed gedaan, jij trouwe knecht,' zegt de Heer, 'over weinig ben je getrouw geweest, over veel zal ik je stellen, ga in tot het feest van je heer.' En dat weinig is dan niet denigrerend bedoeld. Het is een vergelijking. Als je denkt aan de verantwoordelijkheden die je straks ontvangt, dan is wat je hier doet maar gering. Maar het gaat om je trouw. Die trouw ziet God en die beloont Hij.
Als je daaraan denkt, kost bidden ook minder moeite. Als je doorkrijgt, dat God je naar waarde weet in te schatten, is het geen probleem meer om Hem op zijn waarde te schatten. Als je ziet, dat die grote God je absoluut niet opzij drukt, is Hij geen bedreiging meer voor je. Je vouwt je handen, sluit je ogen. Eerbied welt op uit je hart.

"Wie kan er aarden hier beneden als er geen open hemel is?"
Gelukkig is die open. En we weten allemaal wat het betekent, als je je ogen goed open hebt. Dan zie je de ander staan en je ziet het met hem of haar wel zitten. Je ontdekt iemands waarde en je vindt het van belang, dat die waarde ook blijkt.
Precies hetzelfde geldt van God. Hij ziet wie je bent. Hij heeft je toch zelf gemaakt. En Hij is bij je betrokken. Hij wil, dat het goed met je gaat. Want anders kun je niet zijn die je bent. En daarom zorgt Hij voor eten en drinken, geeft Hij je gezondheid, zorgt Hij voor goede dokters, medicijnen, goede opleidingen en goede arbeidsomstandigheden.
En in de woestijn leert Hij zijn volk afhankelijk te zijn en Hij leert het ons ook. Het is één aspect. En je moet dat aspect niet lospellen uit het geheel van je leven. God leert geen afhankelijkheid aan mensen die niets kunnen, maar aan mensen die heel veel kunnen en ook heel veel mogen blijven doen. Maar het blijft wel een belangrijk iets. Wij mogen ook de waarde van God niet vergeten. Want wie is er zoals Hij?

Het wonder van het manna werd dan ook eeuwen later nog steeds verteld. Men bleef ervan onder de indruk. Dat heb je wel meer met gebeurtenissen uit het verleden. D-day, de landing van de geallieerden in Normandië, wat een happening moet dat zijn geweest, of de slag bij Arnhem! Zoiets neemt ook legendarische vormen aan. Het is dan net alsof je al je frustraties over het heden wilt compenseren met een roemrucht verleden. De Joden, geknecht door Romeinen, hadden ook hun verleden. En Mozes speelde daarin een centrale rol. De man van de wet. De man van het wonder. Wat een mens!
En dan heb je daar Jezus van Nazaret. Hij voedt een geweldige mensenmassa, 5000 mannen, dus zeg maar zo'n 15000 mensen. Vijf broden en twee vissen heeft Hij en Hij breekt maar door. Maar, zo denken de joden, Hij weet dit absoluut niet uit te buiten. Dat is dom. Zo kom je er niet in deze wereld. Koning kan Hij worden, maar Hij wil niet. Promotiekansen, die je niet aangrijpt. Dat is van de gekken. Dat je niet al te streberig bent, oké! Maar als het geluk je in de schoot geworpen wordt!
En dan moet je ook nog in Hem geloven! In Hem meer zien dan een normaal mens. Iemand, die iets heel bijzonders met God heeft. Kom! Laat Hij dan maar eens wat tonen.
Nee, dan Mozes. Elke dag lag het manna op de grond. Dagen, maanden, jaren, ging dat door. Jezus staat in zijn schaduw. Wat verbeeldt Hij zich wel?

Maar Jezus zegt, dat Gód nog ver boven Mozes uitgaat. "Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel; want dát is het brood Gods dat uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft." En als de mensen niet begrijpen, dat Jezus het over zichzelf heeft, zegt Hij dat duidelijk: "Ik ben het brood des levens."
En dan denk je aan het avondmaal. Het brood wordt gebroken. De schaal wordt door je buurman ook aan jou gegeven. Dit is de verzoening van je zonden. Dit is jouw leven. Jezus' dood, jouw geluk.
Elke dag eten, dat is fijn. Nieuwe energie, zodat je naar school kunt, studeren, werken, of gewoon van je welverdiende rust genieten. Maar er komt ook een eind aan. Als de kwade dagen komen. Als je overal tegenop ziet en dus ook vaak bang bent dat er iets misgaat. Je hebt hier op aarde het eeuwige leven niet.

Wat stelt dan zo'n biddag voor? Stel, de komende zomer... Het liefst veel zon en niet meer regen dan echt nodig is. Geen overtollige vocht in de bodem. Dan is er dit jaar misschien een goede oogst. Maar wat is nu één jaar? En wat is een goed jaar in Nederland, als er in Afrika duizenden van de honger sterven?
En op een dag sterven wij ook, als de Here Jezus tenminste vóór die tijd nog niet weer terug is.
Maar de Here Jezus zegt: 'Wie bij Mij komt zal nooit meer honger hebben.' En als je dat gelooft, worden het leven en de gezondheid die God vandaag op het gebed geeft, voorspel van geluk dat tot in eeuwigheid niet kapot kan.

Dat gewone brood, die rijst, de macaroni, de aardappels, de groenten, ze doen je vooruit kijken naar dat geweldige feest. Anders zou God ons toch ook niet voeden, vandaag. Hij bedriegt ons niet, wekt geen valse verwachtingen. God is groot. Wat een macht heeft Hij. En toch vormt Hij geen bedreiging voor ons. Denk nog eens terug aan die man in die werkkamer met die foto aan de wand. Hij had een goede baan, maar hij wist wat dankbaarheid was. Hij voelde zich afhankelijk, maar had ook grote verantwoordelijkheden.

"Nu word ik mens, herkrijg mijn vrijheid
bij water, woord en brood en wijn,
omdat ik weet van zijn nabijheid."

Bidden, dat is tot eer van God. Tegelijk is Hij er voor u, voor jou, voor mij.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar