Daniël (Deel 6: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen)

Thema: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen
Tekst: Daniël 6
Tekstgedeelte(n): Daniël 6
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Amsterdam-Centrum op 2 december 2001
Opmerking RJCV: De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen:
Daniël - 1: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten,
Daniël - 2: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers,
Daniël - 3: Geloof overwint het geweld,
Daniël - 4: Eindelijk op de knieën gebracht...,
Daniël - 5: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen,
Daniël - 6: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen,
Daniël - 7: De Mensenzoon tegenover de beesten met hun streken,
Daniël - 8: Bidden om wat God beloofd heeft.
Extra: Inleiding op de prekenserie: Daniël.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 123: 1-2
Schuldbelijdenis en Genadeverkondiging
Ps. 65: 1, 3
Lezen: / Tekst: Daniël 6
Ps. 137: 1, 3
Preek
Ps. 34: 3
Gebed (Dankzegging en voorbeden)
Wet
Ps. 119: 29-30
Collecte
Lied 409: 1, 3, 5
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus, broeders en zusters,

Ik wéét het, het geweldige verhaal van die oude Daniël in de leeuwenkuil is een van de mooiste verhalen uit de bijbel. Het heeft duizenden steeds weer geboeid. Daniël de bidder die blééf volhouden. En door zijn gebed zelfs de muilen van de leeuwen gesloten heeft. Het verhaal van Daniël bij de leeuwen heeft óók veel vragen opgeroepen. Vooral in de tijd toen de christenen écht vervolgd werden. Ik bedoel in de eerste eeuwen, toen de volgelingen van Christus vervolgd werden en bij honderden voor de leeuwen gegooid. Ze werden niét gered zoals Daniël... Hoort God niet meer naar volhardende bidders?
Het zijn er maar weinig mensen die ontsnapt zijn aan de martelkamers en de brandstapels van de Inquisitie. De aantallen van de geredde mensen uit de concentratiekampen van de Tweede Wereldoorlog zijn minimaal vergeleken met de aantallen die niét bevrijd zijn. En tóch kunnen we niet zeggen dat er toen niet zoals Daniël gebeden is. Wij hebben geen énkele garantie dat de leeuwen uit Afrika of uit Artis nu niet meer bloeddorstig zullen zijn. Onze vervolgde broeders en zusters uit India of China krijgen géén zekerheid dat ze niét meer vervolgd zullen worden. En tóch moeten wij blíjven bidden! Omdat de God tot wie wij bidden dezelfde is als Daniëls God. Hij kan bevrijden uit de klauwen van de leeuwen.

Wát moeten wij aan met het verhaal van Daniël, die vasthoudende bidder? Is dit verhaal alleen maar een opsteker om te blijven bidden, ook als de vervolgers om ons heen zwermen? Is het alleen maar een les in bidden tijdens vervolgingen? In de oude kerk heeft men vaak het gebed voor de doden gebeden: "Here, redt mijn ziel zoals Gij Daniël hebt verlost uit de muil van de leeuw." Daaruit blijkt dat het verhaal van Daniël toen al ging in de richting van een geestelijke verklaring! De leeuwenkuil als het beeld van het graf waaruit wij eens zullen opstaan ten leven. Als dát waar is, dan krijgen we een schrale troost uit de geschiedenis van Daniël in de leeuwenkuil.

( Trouwens, wat moeten wij dan aan met die notitie tijdens de verzoeking in de woestijn dat Jezus was bij de wilde dieren en dat de engelen Hem dienden (Marcus 1: 13)? )

Wat wij wél moeten noteren uit dit historische deel van het boek Daniël is dat een kind van God als puber in ballingschap weggevoerd naar een ver land, zijn leven lang de Here heeft gediend én diverse aardse heren gediend heeft. Dat hij zijn bestuurlijke en wetenschappelijke loopbaan bij Nebukadnessar begon met bidden en als hij zeventig jaar later onder koning Kores (Cyrus) wordt geëmeriteerd, hij nóg een dagelijkse bidder is. Hij heeft met ijzeren regelmaat drie keer per dag gebeden tot God. Hij was dus een biddende hoge ambtenaar. En een biddend kind van God. Zijn vertrouwen en afhankelijkheid van God blijkt zonneklaar uit zijn gebedstrouw.

De geschiedenis van Daniël 6 laat ons echter niet alleen zien dat Daniël een trouwe bidder was. Dat is opgemerkt. Ook door zijn vijanden. Waarom Daniël zoveel vijanden had? Hoge ambtenaren krijgen altíjd veel kritiek - en worden met afgunst en jaloersheid bekeken. Onder de regering van Darius de Meder was Daniël één van de drie rijksbestuurders. En blijkens de mededeling in vers 3, was hij verantwoordelijk voor het innen van de belastingen voor de koning. Een oude man, door en door betrouwbaar gebleken in zijn positie. En een voortreffelijk mens. Door iedereen geëerd, door vriend en vijand! Zoals altijd grenst die algemene eer héél dicht tegen brede afgunst en jalousie. Zou het om zijn positie zijn dat zijn vijanden hem kapot willen maken?

Daniël is niet alleen een geëerd persoon, hij is ook een mens met een inwendig stil verdriet. Al die jaren dat hij in Babel was, lag de tempel in Jeruzalem er als een puinhoop bij. Daniël heeft er dágelijks pijn om gehad dat het gerei uit het huis van God, door Nebukadnessar weggevoerd, ál die jaren in de verkeerde tempel lag opgeslagen. En dat de dienst in het huis van God gestopt was, de offers gestaakt en de gebeden verstomd. Dat de inboedel van de tempel op bevel van Kores uiteindelijk weer teruggestuurd wordt naar de plaats waar het hoorde, Ezra 1: 7, is omdat God dat beloofd had. En omdat Daniël er onophoudelijk om gebeden heeft.
Het leven van Daniël met zijn God is dus gemarkeerd door de tempel-verwoesting én de tempel-wederopbouw. En dát blijkt de voornaamste reden te zijn dat Daniël drie keer per dag bidt met zijn gezicht naar Jeruzalem.

Als je het boek Daniël doorleest dan lijkt het erop dat het leven van Daniël grotendeels bestaan heeft uit dienstverlening en het geven van adviezen aan de koning. Hij had een machtige positie aan het hof van de koning. In Daniël 6 begrijpen wij dat het állerbelangrijkste werk van Daniël niet zijn politieke invloed is, maar zijn bidden. Zijn gebed voor het herstel van de tempel. Zijn bidden om Gods beloften voor herstel van het bedehuis voor alle volken, Jesaja 56: 7, Marcus 11: 17.
Al die jaren heeft - wat Toon Hermans noemde: dat kleine menneke - op het toneel van God drie keer per dag gebeden voor de vervulling van Gods beloften. Of het huis dat de Here gebouwd heeft om zijn Naam te vestigen, weer hersteld mag worden (1 Koningen 8; 2 Kronieken 6: 4-11; 2 Kronieken 6: 19-20) Daniël bidt de woorden die hij van koning Salomo geleerd heeft bij de inwijding van de tempel. Here, hóór dan naar de smeking van uw knecht en van uw volk Israël, die wij heden van deze plaats opzenden. Ja, Gij, gij zult horen vanuit de plaats van uw woning, vanuit de hemel, Gij zult horen en vergeven! 2 Kronieken 6: 36-39.

Als Israël dan getroffen wordt door de straf van God en verstrooid wordt onder de volken, dan zegt koning Salomo al voor wat men bidden moet: "Wanneer zij dan bidden in de richting van hun land, dat Gij aan hun vaderen gegeven hebt en van de stad die Gij verkoren hebt en van het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb, wil Gij dan vanuit de hemel, vanuit uw Vaste Woonplaats hun gebed en hun smeking horen en hun recht doen en uw volk vergeven wat zij tegen U gezondigd hebben".

Als wij onze erediensten en gebedsbijeenkomsten houden, zullen we daarom wat vaker naar deze biddende Daniël moeten kijken. Om des te intenser te beseffen dat God in het publiek erkend wil worden. Dat Hij aangeroepen wil worden door koningen en volken. Door burgers en ambtenaren.

De oude hoge ambtenaar en profeet Daniël is als bidder zó indrukwekkend. Zó eenvoudig, zó voorspelbaar, zó trouw, zó gelovig en gehoorzaam. Terwijl de politieke omwenteling van die tijd - de overgang van Babel naar het rijk van de Meden en de Perzen het normale leven op z'n kop zet, blijkt het leven van de oude Daniël onveranderd voort te gaan. Niet alleen in z'n werk, maar vooral ook in z'n gebedsleven blijkt zijn vaste patroon, zijn trouw in het gebed.
In de geschiedenis verloopt alles volgens het plan van God, zoals bekend gemaakt in de droom van Nebukadnessar. Daniël bidt dagelijks óf God dat plan wil uitvoeren. Of hij de belofte voor de tempelbouw zoals gesproken door de profeet Jeremia wil uitvoeren. Daniël houdt als staatsambtenaar zijn publieke gebed, maar wél met zijn blik op Jeruzalem. "Ik sla mijn ogen naar dé berg, vanwaar zijn hulp komt..." Psalm 121. Hij zoekt het aangezicht van zijn God in een eerbiedige houding, op z'n knieën. Hij demonstreert zijn vroomheid niet als de Farizeeën door op de hoeken van de straten te bidden om gezien te worden.

Daniël gaat niet eigenzinnig en provocerend door met zijn persoonlijke gebed. Hij roept openlijk wel de naam van de Here aan, zoals hij altijd gedaan heeft. Hij is gewoon trouw in de dienst van de Here. 's Morgens, 's middags en 's avonds, zoals het ook staat in Psalm 55: 18. Gevaar of niet, 'naar zijn gewoonte' ging hij in gebed. Terwijl álle ambtenaren in het paleis van de koning ervan wisten!! (vers 11).
Zijn gedrag áls bidder heeft verzet opgeroepen. Zijn collega's en ondergeschikten hebben zich eraan doodgeërgerd. Of het misschien ook een vermenging was van persoonlijk wrok tegen die oude staatsman, die éminence grise van het paleis in Babel, die zelfs tot de hoogste waardigheid in het Perzische rijk geroepen werd? Het is niet duidelijk. Zijn vijanden proberen hem te tackelen op zijn persoonlijke leven met zijn God. En het lijkt dat ze een gemakkelijke prooi hebben met dit slachtoffer dat uiterst consequent is in zijn dienst van God.

Treffend is het wel dat er door de vijanden van Daniël geen godsdienstoorlog of massale vervolging georganiseerd wordt. Dat zou in het Perzische rijk ook nauwelijks mogelijk zijn, men was in die tijd zó tolerant. Godsdienst was iets voor de persoonlijke levenssfeer. Daniël wordt gepakt op zijn persóónlijke geloof en zijn gebedsgewoonte.

We denken altijd dat Daniël aan het eind van het verhaal voor de leeuwen gegooid is. In werkelijkheid zijn z'n vijánden de leeuwen. De leeuwen zijn er niet alleen aan het slot van het verhaal, ze zijn er al aan het begin! Ook hierin is het Psalmwoord wáár, mijn vijanden gedragen zich als lééuwen, Psalm 35: 17; Psalm 58: 6.
Er zit dus niet alleen persoonlijke rancune achter bij de vijanden van Daniël. Er is óók diepe haat bij tegen een rechtvaardige die bidt. De satan is nergens zó bang voor als voor trouwe bidders! Hij wéét dat God hoort naar trouwe bidders. En dat dáárom zijn wereldplan door gaat!
De vijanden van Daniël zitten ondertussen niet stil. Ze gebruiken de ijdelheid van de koning om een wet tot verering van de koning er door te drammen. Dat is heel ongebruikelijk, ook in die tijd, om nog levende personen te laten vereren en in een politiek gebed aan te laten roepen. Men diende een reeks van goden en beelden van goden in allerlei soorten en maten werden vereerd, maar nooit personen. Op Daniëls werk is nooit iets aan te merken. Hij is zó evenwichtig, hij doet nóóit iets verkeerds. Terwijl iédereen - in die tijd ook al! - zijn eigen belang in het oog hield en bezig was met zakkenvullen, was Daniël niét corrupt. Om hem tóch in ongenade te laten vallen, schromen zijn vijanden niet koning Darius voor hun karretje te spannen. Op die manier proberen ze hem in z'n persoonlijke leven te pakken. Om hem te vernietigen.

Het ging de vijanden van Daniël absoluut niet om de eer van de koning, maar eerder om de leeuwenkuil! Daniël willen ze dáár in krijgen! Dat laten ze de koning echter niet merken. Die heeft er geen idee van wát die 'gelijkschakelingswet' voor gevolgen heeft in zijn rijk. "Majesteit, het is toch práchtig als iedereen al is het maar voor een maand tot dezelfde persoon zou bidden? Het zou de eenheid in het rijk ook nog ten goede komen!" De koning heeft aarzelingen, maar voelt zich tóch gevleid. En hij laat zich uiteindelijk verleiden om die onherroepelijke wet, waardoor hij een maand lang als god vereerd zal worden, te ondertekenen.

De vijanden van Daniël wéten dat hun plan sluit als een bus. Ze kénnen Daniël, ze wéten hóe hij zal reageren. Ze kénnen hem als een vent die in álles trouw is, óók in zijn persoonlijke gebedsleven. Als Daniël zich religieus zou laten gelijkschakelen, dan zou hij gered zijn. Eén maand even niet tot God bidden, maar alléén tot zijn heer de koning. Daniël is hij gered.
Wat voor een verleiding komt er op Daniël af! Hij zou zich als krypto-gelovige kunnen gedragen, als een Israëliet in het verborgene, zoals Nikodemus (Johannes 3: 2). Als Daniël in het verborgen zou bidden, dan zou men er nooit achter komen dat hij niet tot de koning bad. Zijn leven zou dan ook geen gevaar lopen. Dan zou hij in het geheim door kunnen gaan met bidden en niemand zou hem kunnen betrappen! Hij zou voor de schijn mee kunnen doen met de publieke staatsgebeden tot de koning!
Maar Daniël blijft bidder tot God. Ook al is hij in levensgevaar: hij blijft bidden. Hij heeft er zelfs geen gewetensconflict mee. Hij blijft openlijk bidden tot Gód! Hij wijst de gebeden tot zijn heer de koning af en houdt gedurende élke dag van die maand de gebedsdraad met zijn God en Vader in de hemel gespannen. Onverstoorbaar gaat Daniël door met kloppen op de hemelpoort. "Zal God zijn lievelingen (uitverkorenen) geen recht doen, die dág en nácht tot Hem bidden?" zei Jezus.
Het gebed is de adem van Gods volk. Als dát ophoudt, dan spat het leven uit elkaar als een zeepbel. Als er niet meer gebeden wordt, dan raakt de dienst van God verzwakt en uitgehold.

Toen Daniël begreep dat het voorstel tot koningsverering tot wét geworden was, ging hij naar zijn huis om te bidden. Naar zijn binnenkamer met het venster op de geliefde stad Jeruzalem. De liefde voor God is voor hem sterker dan de wetten van Meden en Perzen. Hij liep niet als een naïeveling in de geheimzinnig opgezette val. Hij wist er álles van wat dat betekende. Zó oprecht en eerlijk was Daniël dat hij er geen enkele behoefte aan had om later te kunnen zeggen: "ik heb van heel die wet helemaal niet geweten...!" of: "ik wist niet dat jullie dat zó bedoeld hebben!"
Van een gewetensconflict, van innerlijke strijd bij Daniël, lezen we niets. Hij volhardde gewoon in het gebed. Bij het open venster op Jeruzalem, biddend zoals élke dag, met open ogen. Bidden met een rustig hart, drie keer per dag. Want er liggen beloften op Jeruzalem. En Daniël deed - óndanks het bevel van de koning - niet anders dat wat Luther eens oneerbiedig, maar wel heel duidelijk noemde: 'bidden is God met zijn eigen beloften om de oren slaan!' Gewoon zoals altijd dus, elke dag op de vaste tijden voorbeden doen voor Jeruzalem en het land, voor de stad en voor het volk. Hij wílde zich daarin door niets of niemand laten tegenhouden.
Daniël volhardt in het gebed. En we weten uit Hebreeën 11: 33 dat hij door zijn geloof koninkrijken heeft onderworpen, muilen van leeuwen heeft dichtgesnoerd en de kracht van het vuur heeft gedoofd.

De biddende Daniël wás een bedreigd mens. Zijn belagers loerden op hem. En ze hebben een gemakkelijk succes! Die wet van een maand om de koningsverering, waar zijn vijanden zich vrolijk over gemaakt hebben, werd voor Daniël een regelrecht drama. Ze wisten hem héél gemakkelijk op heterdaad te betrappen. En dat was niet zo moeilijk voor hen om een trouwe bidder, biddend voor het open venster richting Jeruzalem, te grazen te nemen. Tegen de koning maken ze goede sier: "wij hebben er een gevonden die uw eigen wetten overtreden heeft!" - zoals Multatuli schreef: Barbertje moét hangen!
Ja, en dan merkt de koning waaróm zijn dienaren zich zo uitgesloofd hebben om hem bij de wet te laten vereren! Terugdraaien kan niet meer. Ook al is de koning eerder bedroefd dan boos over deze overtreding van zijn eigen wet, ook al piekert hij de héle nacht over hóe hij zijn trouwe dienaar zou kunnen redden. De koning zit nu eenmaal gevangen in zijn eigen beroemde onverbrekelijke en onherroepelijke wetten.

Zo gaat het áltijd. Wat mensen om zichzelf heen gebouwd hebben als het meest zekere, het meest vaste en duurzaamste, dat is toch altijd tegelijk hun gevangenis? Iedere wet, élke regel die zogenaamd 'waterdicht' is, gaat steeds meer op een gevangenis lijken!! De koning is zijn vrijheid kwijt, blijkt nu! En dat wilde hij nu juist voorkomen!
Terwijl Daniël de ware vrijheid zoekt en vindt in het gebed, is de koning als een vogeltje gevangen in het kooitje van zijn eigen onherroepelijke wetten. Deze koning Darius is zó tragisch, omdat hij zichzelf volledig heeft klem gezet.

Daniël wórdt inderdaad in de kuil met de leeuwen gestopt. Na een dag vol van diplomatiek overleg, moet de koning zich gewonnen geven. Hij laat Daniël arresteren en hij wordt in de leeuwenkuil geworpen.
Of de leeuwenkuil een grot was dan wel een gemetselde kooi, weten we niet. Er was een opening, bedoeld om voedsel door te gooien en die kon met een steen worden afgesloten. En Daniël verdwijnt door die opening in de kuil met leeuwen. Maar omdat mensen die niet op God vertrouwen, meestal elkáár ook niet vertrouwen, werd die steen nog verzegeld ook! Daarmee lijkt het lot van de bidder Daniël beslist.
De koning hád nog tegen Daniël gezegd: "Ik hóóp dat de God die je zo trouw vereert, je zal redden." Koning Darius wordt ons nog sympathiek in het rekening houden met de mogelijkheid dat God hem kan verlossen van de leeuwen.
(vergelijk de woorden van Nebukadnessar tegen Daniël en zijn vrienden, Daniël 3: 15: "Welke God zou jullie dan nog uit mijn macht kunnen redden?")

In deze gebeurtenis van Daniël 6 is een profetie van het lijden van onze Heer. De intrige van de valse aanklagers, de rechter die zich tegen het vonnis verzet (Pilatus: "er is geen schuld in deze mens!"), de druk van het volk: "er is een wet en volgens die wet moet hij sterven!" En de rechter die geen andere uitweg ziet dan het volk z'n zin te geven en de aangeklaagde laat terechtstellen... (Pilatus veroordeelt Jezus toch!) Let op de spotters bij het kruis: laat de God op wie Hij vertrouwt Hem nu verlossen! Rijmt dat niet op wat de koning tegen Daniël zei: "Ik hoop dat de God die je zou trouw vereert, je zal redden", Daniël 6: 17?
Er is wel een duidelijk verschil. Bij het kruis van Jezus spot het volk: als U Gods zoon bent, kom dan van het kruis af! Gods Zoon wordt tergend uitgedaagd om te bewijzen dat Hij zichzelf verlossen kan! Als Daniël in de kuil neerdaalt, heeft iedereen de hoop op redding al later varen. Wie zal hem kunnen verlossen?
Als Daniël in de kuil met de leeuwen gesloten is, blijkt hóe krachtig het gebed van de rechtvaardige is. God heeft Daniël wél in de diepte laten vallen, in de gesloten kuil mét de leeuwen. Zoals Jezus ook al aankondigde: 'In de wereld zult u verdrukking lijden.' En ook: "Ik zend u als schapen temidden van de wolven...!" "Maar zie, Ik ben met u!" Dat gold voor Daniël. God verhóórt het gebed van Daniël. Hij liet niet toe dat leeuwen het leven van zijn kind kwaad zouden doen.

De volgende morgen héél vroeg zien we de koning al bij de executieplaats. Er is dezelfde sfeer als bij de vrouwen op de Paasmorgen. Koning Darius denkt net als de vrouwen die naar het graf van Jezus gingen: Het kán niet dat Hij nog leeft. En tóch moeten ze erheen! Als de zenuwachtige koning in de leeuwenkuil kijkt, dan ziet hij dat de God die Daniël vereert de lévende God is. De God die er is, die leven gééft en leven láát!
Dezelfde stem die zo rustig en volhardend gebeden heeft, spreekt uit de diepte tot de koning: "Majesteit, ik wens u een lang leven toe! Mijn God heeft zijn engel gestuurd om de leeuwen in toom te houden. Zij hebben mij niets gedaan. God weet dat ik onschuldig ben. En u, majesteit, heb ik op geen enkele wijze benadeeld."

Binnen een mum van tijd is Daniël uit de kuil gehaald. Inderdaad wordt geconstateerd dat de leeuwen Daniël écht niets gedaan hebben. God heeft zijn engelen geboden om Daniël te behoeden temidden van de verscheurende dieren. Psalm 91 wordt ook hier vervuld. De Here verlost en spaart.
God die bij de wet van Meden en Perzen niét aangeroepen mocht worden, heeft de levens van Daniëls vijanden niét gespaard. Met hun gezinnen werden ze in de kuil geworpen. En dit laat koning Darius weten aan álle volken: De God van Daniël is de lévende God, de God die redt en bevrijdt. Want Hij heeft Daniël gered uit de klauwen van de leeuwen!

Zal God dan niet luisteren naar zijn kinderen die dág en nácht tot Hem roepen. Houden wij Hém vast, en ons geloof in God die redt en bevrijdt? Laten onze gebeden tot God ons begeleiden tot aan de dag van Christus.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar