Daniël (Deel 2: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers)

Thema: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers
Tekst: Daniël 2: 28a
Tekstgedeelte(n): Daniël 2: 1-49
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Amsterdam-Centrum op 15 juli 2001
Loenen/Abcoude op 4 november 2001
Opmerking RJCV: De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen:
Daniël - 1: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten,
Daniël - 2: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers,
Daniël - 3: Geloof overwint het geweld,
Daniël - 4: Eindelijk op de knieën gebracht...,
Daniël - 5: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen,
Daniël - 6: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen,
Daniël - 7: De Mensenzoon tegenover de beesten met hun streken,
Daniël - 8: Bidden om wat God beloofd heeft.
Benodigd:

Schematisch overzicht van het boek Daniël is met vriendelijke toestemming overgenomen uit: Tj. Boersma, 1977. De bijbel is geen puzzelboek. J. Boersma B.V., Enschede (p. 171).

Klik om te vergroten [ printen op sheet van A4-formaat ]

Extra: Inleiding op de prekenserie: Daniël.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 98: 1-2
Wet
Ps. 98: 4
Lezen: Daniël 2: 1-49
Ps. 2: 1, 4
Tekst: Daniël 2: 28a
Preek
Lied 284
Ps. 9: 1, 3, 5-7, 16
Zegen

Gemeente van onze Here Jezus Christus,
Heeft u óók wel eens een droom waarvan u denkt: wat moét ik dáár nu mee? Is het maar een droom, of gaat het tóch over míjn werkelijkheid? We leven in een wereld waarin van álle kanten wordt beweerd dat wat hiér gebeurt, al in de sterren staat te lezen. Wij worden dan óók vaak die kant op getrokken: zou God hierdoor niet iets willen zeggen tegen mij? Hoe kunnen wij op dat gebied beoordelen of het echt is of niet? Met ander woorden: als het over de toekomst gaat, mijn toekomst, hoe kan ik dan uitmaken of het tussen mijn oren zit, of het in de sterren staat te lezen óf dat het van God komt?
Deze preek laat ons zien hóe God het plan met zijn wereld bekendmaakt. Het thema zou ik zo willen formuleren:

Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers

  1. Gods openbaring overwint de waarzeggers
  2. Gods openbaring overwint de imperialisten

1. Gods openbaring overwint de waarzeggers

Na een woelige nacht waarin je waanzinnig gedroomd hebt, kunnen wij tegen elkaar zeggen: 'ach, het is maar een droom'. Nebukadnessar is zich te pletter geschrokken van zijn droom. Hij voelt aan dat die droom te maken heeft met zijn eigen toekomst. God heeft tot hem gesproken, en hij beseft het niet dat het van Gód komt. Hij voelt wel dat het om hém gaat, en dat de goden van Babel er achter zitten. Maar wat móet hij ermee!! Als het niet goed met ons gaat, piekeren we over hoe het verder zal gaan. Als het allemaal goed gaat, vragen we ons af of het altijd zo zal blijven. Het is zó menselijk. Nebukadnessar heeft alle reden om wakker te liggen en te woelen in z'n bed. Het komt door z'n eigen geloof. Hij die waarzinnig trotse koning, die zich verbeeldde dat de goden van Babel in hem woonden, werd gek van angst na een droom. Hij wíst dat het geen gewone droom was. De goden van Babel wilden hem iets zeggen, zo dacht hij. Maar wát?!

Een boodschap, maar onduidelijk voor hem. Zouden zijn raadsheren het hem kunnen vertellen? Maar zijn die wel te vertrouwen? De argwaan van de koning van Babel is even groot als zijn macht. Machtswaan brengt altijd achterdocht met zich mee. Het zit bij machtige mensen gewoon ingebakken. Elk streven naar onsterfelijkheid heeft als bijwerking vertwijfeling. Daar houden álle wereldheersers zich mee bezig: hóe maak ik mezelf onsterfelijk! Dat is de vraag die Nebukadnessar de hele dag bezig houdt. Hoe maakt ik mijn dynastie als een eeuwig monument? Machthebbers zijn áltijd beducht dat hun adviseurs de poten van de troon doorzagen. Vandaar dat de koning besluit om de wijsheid van zijn adviseurs op de proef te stellen. Hij vraagt het college van de Chaldeeuwse wijzen en sterrenkijkers om hem de droom én de uitleg bekend te maken!

De wijzen en geleerden staan met de mond vol tanden. "Koning, leef in eeuwigheid!, maar zeg ons eerst de droom, dan kunnen wij die wel duiden!" De koning houdt voet bij stuk: "als jullie mij de droom niet kunnen vertellen, zal ik je laten ruimen!" Met andere woorden: als jullie niet weten wat ik gedroomd hebt, is dat voor mij het bewijs dat de goden van Babel niet in jullie wonen. Dan heb ik niets aan jullie en weet ik nóg niet hoe het met mij in de toekomst zal aflopen!

De koning van Babel denkt en voelt echt als een Babyloniër. Hij gaat ervan uit dat de goden achter zijn droom zitten en dat zijn geleerden en astrologen het óók wel moeten weten. Dat het in werkelijkheid de Here is die zich bedient van een droom als openbaringsmiddel, weet Nebukadnessar niet. God spreekt soms in hun eigen taal en gedachtewereld in dromen tot mensen die Hem niet kennen.
Denk aan de Farao in de dagen van Jozef. Aan Bileam, een de Midianitische soldaat in de dagen van Gideon. Aan de wijzen uit het Oosten en de vrouw van Pilatus in de dagen van Jezus op aarde. God die leeft, God die in de hemel woont, geeft aan de heerser van het wereldrijk Babel antwoord op zijn bezorgde vragen over zijn toekomst. Het is uiteindelijk de lankmoedigheid van God, waardoor God nog tot hem spreekt. Dat God hem nog niet afrekent op zijn slechte daden.

Koning Nebukadnessar is wél erg onrustig en onzeker, maar hij voelt het signaal van Psalm 2 nog niet: "nu dan, koning, wordt verstandig, dient de Here en kust de Zoon!" Ondertussen laat God zijn volk in ballingschap niet in de steek. Hij ís er, midden tussen de volken en Hij openbaart zich dit keer niét aan zijn profeten, maar aan de koning die op dat moment de machtigste man van de wereld van het Midden-Oosten is. En deze koning is in paniek door die indrukwekkende droom.

De koning haalt wel heel stoer uit naar zijn eigen geleerden en adviseurs: "als jullie mij de droom niet kunnen vertellen, maak ik jullie allemaal een kopje kleiner!" Is het niet meer dan ordinaire bravoure, omdat hij wel voelt dat hij God de Allerhoogste niet meer kan ontlopen? Echter, door dat dreigende machtswoord van Nebukadnessar lopen Daniël en zijn vrienden wél gevaar. Ook al horen zij niet bij die bonte verzameling van religieuzen, geleerden, sterrenwichelaars, beoefenaars van zwarte kunsten, wetenschappers, etc. van Babel, omdat zij niet geloven in de goden van Babel, maar in de God van hemel en aarde - ze worden tot bij die categorie gerekend! Ze zullen gedood worden als zij de koning niet kunnen vertellen wat hij gedroomd heeft!

Er zijn een paar dingen die opvallen. Dat de wijzen van Babel eerlijk toegeven dat zij maar gewone mensen zijn. Ze hebben altijd vol gehouden dat zij rechtstreeks contact met de goden hebben, dat zij daardoor alle kennis bezitten en macht hebben over mensen; nu moeten zij erkennen dat zij echt niet zo bijzonder zijn..., ze zijn óók maar mensen... (Psalm 9: 21). In vers 11 geven ze toe dat ze niét in verbinding staan met de goden...
Tussen haakjes: dat is wel van groot belang voor ons in deze tijd, waarin new-agers, schrijvers van horoscopen, occultisten, enz. pretenderen antwoorden te hebben op álle vragen van mensen over hun toekomst. We moeten er duidelijk uit leren verstaan dat dé waarheid niet uit de sterren komt, en ook niet bij de goden gehaald moet worden. Alleen God de Allerhoogste kan ons de waarheid bekendmaken.

Natuurlijk proberen de wijzen en geleerden van Babel tijd te rekken. En het is ook wel aandoenlijk hoe bescheiden ze uiteindelijk zijn in hun hoffelijke weerwoord aan de koning dat het eigenlijk onredelijk is wat hij vraagt. Aan die eis kan toch geen mens voldoen? Je kunt er om glimlachen dat zelfs de profeten van de goden van Babel moeten toegeven dat zij het ook niet meer weten...
"Als u de droom geeft, komen wij met de uitleg," proberen de adviseurs van de koning nog een keer. Maar de koning is niet om te praten: hij wil de droom én de uitleg, anders worden alle geleerden geruimd. En juist als dát gegeven boven komt, onderneemt Daniël op heel verstandige wijze actie. Daniël wéét dat de Geest van de ware wijsheid in hem woont. Hij richt zich heel verstandig en eerbiedig tot de chef van de lijfwacht, Arjok, om hem te vragen nog even te wachten met de uitvoering van het bevel tot ruiming van de wijzen en geleerden. En dat lúkt ook nog! Vol zelfvertrouwen én vol geloofszekerheid stapt Daniël dan éérst naar de koning en verzoekt hem enige tijd te geven, zodat hij de droom en de uitlegging aan de koning kan geven, vers 16. Dat verzoek wordt toegestaan.

In vers 17v zien we hóe het geloof bij Daniël en zijn vrienden functioneert. Hij slooft zich niet uit om van alle kanten informatie te vergaren. Hij roept zijn vrienden ook niet bij elkaar om een crisisvergadering te beleggen om een strategie te ontwerpen. Hij belegt geen conferentie om de crisis te bespreken. Nee, hij gaat naar huis, naar zijn binnenkamer. Hij vertrouwt op God en gaat bidden. En hij vraagt ook zijn vrienden om met hem mee te bidden. Zoek de barmhartigheid van God. Of God wat verborgen is óók aan hén wil duidelijk maken! Opdat zij niet tegelijk met ál de wijzen en geleerden van Babel zouden sterven. Na zijn gebed gaat Daniël rustig slapen. Hoe dat kon? Omdat hij wíst dat God hem inzicht gegeven had in allerlei dromen en gezichten. Een kind van God kán rustig slapen, omdat hij weet dat God het zijn beminden geeft in de slaap, Psalm 4: 9; Psalm 127: 2

Toen werd aan Daniël in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard. Dat valt op. Wat Nebukadnessar kreeg in een droom, ontving Daniël in een visioen. En dat is meer. Het werd hem niet alleen bekendgemaakt wat verborgen was, hij mocht het ook zien. Er is nóg iets dat opvalt. God geeft het dus niét aan zijn vrienden, maar alleen aan Daniël. God geeft dromen en visioenen niet aan iedereen. Hij kiest en bepaalt wie het zien mag wat er in de toekomst gebeurt.

Indrukwekkend is het ook dat het eerste wat Daniël doet als God zijn gebed verhoord heeft: is danken. Hij looft God. Hij dankt Hem uitbundig voor zijn genade. Hij vergeet de aanbidding en de lofprijzing niet. Het is een aangrijpend moment. Dat Daniël en zijn vrienden die nog met hun doodvonnis op zak rondliepen, alle tijd nemen om God te prijzen als de Almachtige, de Alwijze, en de Algoede! 'Breng dank aan God, nu en altijd, want wijsheid en macht behoren hem toe. Hij verandert perioden en tijden, koningen brengt Hij op de troon en zet ze weer af. Wijzen danken aan hem hun wijsheid, verstandigen aan hem hun inzicht. Hij onthult wat diep verborgen ligt, Hij weet wat in duisternis is gehuld, bij hem is alles licht! God van mijn voorouders, u roem ik, u prijs ik. Wijsheid en kracht hebt U mij gegeven. Ons gebed hebt u verhoord: wat de koning heeft gevraagd, hebt u ons bekendgemaakt.' (Daniël 2: 20-23, GNB)

Dan wordt Daniël bij de koning gebracht. De bevelhebber van de lijfwacht probeert nog bij de koning met de eer te strijken. "Ik heb onder die gijzelaars uit Juda een knaap gevonden die u de droom kan vertellen." Het eerste wat Daniël doet als hij bij de koning komt, is duidelijk maken dat wat de koning vraagt voor mensen onmogelijk is. We lezen wéér een bewijs van het levende geloof van Daniël: "Niet ík kan u bekendmaken wat verborgen is, maar er is een God in de hemel, die kan het wél!" Dat is het geheim van Daniël, dat is zijn geloof. Dat is het wat áltijd het onderscheid maakt tussen mensen die op zichzelf of op weet ik wat vertrouwen, én mensen die op God vertrouwen in álle omstandigheden

Er is een God in de hemel die geheimen onthult. Tijdens uw slaap kreeg u een droom, het ene beeld na het andere trok aan u voorbij. Op uw bed dacht u hierover na. Welnu, de God die geheimen onthult, heeft u door die droom willen bekendmaken wat er in de toekomst zal gebeuren. (vers 28-29)
En wéér maakt de vrome Daniël van de gelegenheid gebruik om vanzelf af te wijzen, naar God. In één keer had hij zijn reputatie als wijze en geleerde kunnen vestigen, met één gebaar had hij zichzelf goddelijke eer en roem kunnen verwerven. Maar hij deed het niet. "Ik bezit geen bovenmenselijke wijsheid, zodat ik de droom en de uitleg kan bekendmaken, want geen mens heeft dat van nature. Er is een God in de hemel die verborgenheden bekendmaakt." Er is geen openbaring in de sterren, de wijzen en de geleerden hébben geen contact met de goden. Er is in Babel geen wijsheid in goden van steen en in hoofden van mensen. Daniël belijdt openlijk dat alleen God de geheimen van de wereld bezit en dat Hij alleen dat kan bekendmaken aan wie Hij wil.

Daniël vertrouwt op dié God. Denk aan de woorden van Psalm 25: 12-14 (GNB): De Heer wijst de juiste weg aan wie voor hem ontzag heeft. Hem zal het goed gaan, zijn land zal overgaan op zijn zonen. De Heer vertrouwt hem zijn geheimen toe en maakt hem zijn verbond bekend. Niet de mensen die zeggen nauwe relaties te onderhouden met de goden, of die weten wat uit de stand van zon, maan en sterren is af te leiden, maar aan de mensen die Hem vrezen, maakt God zijn plan bekend. God maakt de droom én de uitleg bekend. God spreekt tegen profeten en apostelen. Dát is de weg waarlangs wij Gods wil en Gods plan kunnen leren. De Schriften, de opgeschreven woorden de woorden van profeten en apostelen. Dat is de wijsheid van God.

2. Gods openbaring overwint de imperialisten

In Psalm 2 wordt gesproken van God in de hemel die lacht. God moet gelachen hebben toen Nebukadnessar liet blijken niet bij voorbaat te geloven wat zijn eigen geleerden en astrologen weten en ze op de proef stelde. Stel daar eens even tegenover wat je in onze dagen meemaakt dat er christenen zijn die voetstoots geloven dat God ook via de sterren zijn plan openbaart. Of dat een horoscoop best wel waarheid kan bevatten. Niet de hemellichamen verklaren de geheimen van de geschiedenis, maar de God van de hemel en de aarde schrijft geschiedenis op aarde...

In het tweede deel van Daniël 2 zien we hóe God de valse profeten van het heidendom aan de kaak stelt. En hóe Hij de geheime plannen van zijn wereldregering onthult. Het is een grote blijk van Gods barmhartigheid en geduld dat Hij het eerst aan Nebukadnessar en daarna aan Daniël onthult hoe de geschiedenis van de wereld zal verlopen.
Daniël begint ermee te vertellen hóe God aan de koning zijn plan bekend gemaakt heeft. Hij tekent hoe de koning een beeld gezien heeft. Groot en schitterend tegelijk. Indrukwekkend en huiveringwekkend tegelijk. Heel begrijpelijk dus, dat de koning geweldig schrok van dat beeld. Het beeld is wonderlijk samengesteld. Hoofd van goud, borst en armen van zilver, buik en dijen van koper en voeten van leem en ijzer. Zonder toedoen van mensenhanden raakte er een steen los en trof het beeld bij de voeten en tegelijk werd het complete beeld verpulverd tot stof. En de steen werd als een berg zo groot en vervulde de gehele aarde. Het is een curieus beeld hoe van boven naar beneden de glans van het beeld afneemt, maar de hardheid toeneemt. Goud, zilver, brons, ijzer en... aardewerk. En de steen die alles verbrijzelt. Dit is de openbaring van de God van de hemel. Dit is het plan van God met de koningen van de aarde!

Toen begon Daniël aan de uitleg. Eerst het hoofd van het beeld. Dat was het gemakkelijkste deel voor Daniël: "Het gouden hoofd, dat bent u, o koning!" En heel fijntjes zegt hij er bij: "U bent de grote koning aan wie de God van de hemel het koningschap, de macht, eer en sterkte gegeven geeft."
En meteen gaat hij verder met het afgeven van de boodschap. "Koning Nebukadnessar, God is de koning en de heer van alle volken, Psalm 67, er is geen mens die Hem kan narekenen of becijferen. Hij zet koningen af en stelt koningen aan. De hele wereld wordt bestuurd door zijn hand. De droom van de koning is een beeld van de strijd van de God van de hemel tegen de koninkrijken van de aarde."
Dit is wat opvalt in de uitleg van Daniël. Het hoofd, het eerste rijk is van goud, maar het moet plaatsmaken voor een ander rijk. En dat moet op zijn beurt ook weer plaatsmaken voor een ander rijk.
De vier opeenvolgende wereldmachten1 vormen een eenheid, één geheel. Het is één beeld. Overweldigend en dreigend. Zó zijn de opeenvolgende rijken aanwezig in de wereld. Bij álle verschillen in macht en cultuur, vormen ze één beeld. De rijken van toen die afgebeeld zijn en tegelijk ook aangekondigd worden, laten zich állemaal leiden door één geest. En dat is de geest van het imperialisme. De droom van de wereldheerschappij, die droom van de wereldwijze opstand tegen God. Alle ambitieuze vorsten van de wereld liggen daarvan wakker. Om de hele mensheid in één machtig rijk te kunnen omvatten. Het is de geest van het oude Babel, in de vlakte van Sinear, Genesis 11. Het is het voorbeeld van de ontembare machtswellust, het plaatje van het politieke en maatschappelijke leven dat beheerst wordt door één streven: samen sterk tégen God. Deze afgebeelde rijken zijn schuivende panelen op het toneel van God. De eenheid van die opeenvolgende rijken zit in de samengebalde macht. Het is de oeroude droom die werkelijkheid moet worden: één staat, één religie. Elke tijd laat dit streven duidelijk zien.
De vier opeenvolgden rijken1 van Babel, de Meden en de Perzen en de Grieken en Romeinen kunnen nog één alomvattend wereldrijk genoemd worden. In de vijfde periode is sprake van een verdeeld rijk dat twee gezichten vertoont. Vers 44: voeten van ijzer vermengd met leem. Aan de ene kant spijkerhard, maar aan de andere kant boterzacht. En dat vermengd. Er is áltijd het streven naar eenheid en wereldheerschappij, door politieke huwelijken van vorsten koningshuizen, maar er is gebrek aan kracht en eenheid. Ook die politieke acties kunnen de volken en culturen niet echt vermengen. Aan de ene kant liet men mensen vrij in hun godsdienst: verdraagzaam en toegeeflijk. Maar dat rijk kon óók ongenadig toeslaan in vervolgingen: met ijzeren vuist.

Zo indrukwekkend als het beeld in de droom is, de meeste indruk maakt de steen die losgemaakt wordt, zonder toedoen van een mensenhand, vers 34. Een kleine steen die losgemaakt wordt en aan komt rollen. Een steen die langzamerhand het héle beeld vult. De groeiende steen die de voeten van het beeld verbrijzelt, een berg wordt en de aarde vervult. De God van de hemel zal een koninkrijk oprichten dat in eeuwigheid niet zal wankelen. Een rijk dat álles op aarde zal overheersen. De aarde wordt vól van Gods rijk. Niemand kan het ontlopen. Voel je het nu, koning Nebukadnessar?
God heeft bekend gemaakt wat er vanaf gebeuren zal. "De droom is waarheid, koning Nebukadnessar, en de uitlegging is betrouwbaar..."

Heb je het begrepen, koning Nebukadnessar, dat je rijk te gronde zal gaan? Dat rijk waarvan jij de indruk hebt dat het een eeuwig rijk is. Als dominostenen zullen ook de andere rijken vallen, één voor één. Tegen het Rijk van God is niets bestand.
De losgeraakte steen is er niet alleen voor om de vroegere rijken te vernietigen. Er schuilt een ontembare groeikracht in het rijk van God. Het rijk van God zál overwinnen! De rijken zullen verpulverd worden. De gemeente van Christus kan alleen maar gerust en dankbaar zijn: wij gaan ten hemel in en erven hét koninkrijk!

Bij ieder rijk in de geest en de kracht van het Babylonische rijk dat opkomt kunnen wij nu weten: óók die háált het niet! Het rijk van God is één natie, van één volk, universeel en internationaal. Dat is het bijzondere, het geheim van het volk van God. Dat spreekt de taal van het geloof. Dat bidt in één Geest. En daar moet op ook op uitlopen dat álle mensen, inclusief de machthebbers van deze aarde, zeggen en erkennen wat Nebukadnessar erkende: "Uw God is de God der goden en de Heer van alle koningen, Hij openbaart verborgenheden." Zeggen wij het ook na wat gevraagd wordt in Psalm 2: "en nu, koningen, hoort!"? Maar ook voor ons, gelovigen, geldt: hoort het woord van God, Hij heeft verborgenheden geopenbaard. De toekomst is in zijn openbaringsdromen ontvouwd, én in zijn Zoon.

Amen.

1 Voor de nadere uitwerking verwijs ik naar het schema uit het boek van ds Tj. Boersma, De bijbel is geen puzzelboek, p. 177.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar