Daniël (Deel 1: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten)

Thema: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten
Tekst: Daniël 1
Tekstgedeelte(n): Daniël 1
Door: Ds. D. Griffioen (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Amsterdam-Centrum)
Gehouden te: Amsterdam-Centrum op 1 juli 2001
Krommenie op 1 juli 2001
Katwijk op 15 juli 2001
Amstelveen op 21 oktober 2001
Loenen/Abcoude op 23 september 2001
Opmerking RJCV: De delen van deze serie kunnen ook afzonderlijk worden gelezen:
Daniël - 1: God laat Daniël als kind van Gods Koninkrijk leven tussen de machten,
Daniël - 2: Onze God de Allerhoogste heerst over astrologen en wereldheersers,
Daniël - 3: Geloof overwint het geweld,
Daniël - 4: Eindelijk op de knieën gebracht...,
Daniël - 5: Indrukwekkend beschreven en pijnlijk gewogen,
Daniël - 6: Een volhardende bidder tot God tegenover gevaarlijke leeuwen,
Daniël - 7: De Mensenzoon tegenover de beesten met hun streken,
Daniël - 8: Bidden om wat God beloofd heeft.
Extra: Inleiding op de prekenserie: Daniël.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Ps. 117
Gebed om verlichting door de Geest
Lezen: / Tekst: Daniël 1
Zingen: Ps. 5: 1, 4
Preek
Ps. 18: 6, 8
Dankgebed
Lied 285: 1-4
Zegen

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters,

We zijn de discussie over het al dan niet toestaan van hoofddoekjes nog niet voorbij. Zo'n hoofddoekje is natuurlijk niet maar een simpel hoofddoekje, voor de moslim-gelovige is het een godsdienstig symbool, een symbool van toewijding. Zo'n moslim-hoofdoekje is geen waardenvrij kledingstuk, maar zeer beslist een religieus symbool. Niet alleen een teken om zich te onderscheiden. De vraag is of je zo'n symbool kunt toestaan in de rechtszaal. In onze maatschappij is iedereen ervan overtuigd dat je religie en de rechtszaal gescheiden moet houden.
Natuurlijk wij weten sinds Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper dat juist hij die denkt en werkt vanuit zijn geloof pas écht onpartijdig kan zijn! In onze dagen houden we persoonlijk geloof (religie) en werk gescheiden. Wij geloven dat je zeer beslist godsdienstig kunt zijn, én tegelijk onpartijdig.
In ons publieke leven verlangt 'men' van ons dat wij neutraal zijn. Maar kom daar eens om in de tijd van Nebukadnessar! Toen was álles in het leven godsdienst, álles was religieus gekleurd en iédereen liet zijn leven door de goden van Babel bepalen. Iedereen was door en door godsdienstig en alles was doortrokken van de goden. Wij kunnen er geen benul van hebben hóe eenzaam en vreemd Daniël en zijn vrienden zich gevoeld hebben in de stadscultuur van Babel.
Maar wat móet je nu met zo'n verhaal uit een heel andere cultuur en die antieke godsdienst van eeuwen geleden? We zullen op zoek moeten gaan wat de relevantie is van deze geschiedenis voor ons in deze tijd. Je kunt er ook bij oppervlakkige lezing veel uithalen. Je kunt het verhaal van Daniël 1 lezen als een voorbeeld voor een bepaalde levensstijl. Versta het optreden van Daniël als een voorschrift om je op een bepaalde manier te onderscheiden van de rest. Maar is dat het nu? Het is waar, geloof in God brengt een bepaalde stijl met zich mee. Als je Daniël 1 leest als een aanbeveling voor een vegetarisch dieet, mis je het punt van dit hoofdstuk. Je kunt ook de andere kant op gaan. Als een opdracht om altijd assertief te reageren op anderen. Als een stimulans om je in je levensstijl te onderscheiden van anderen. Met als extraatje dat je dan wel door de Here gezegend zult worden. Maar geldt als gelovige dat je om 'gezond' te zijn je moet onderscheiden? En is het principe van het onderscheid wel zo'n goed middel om zonder compromissen te kunnen leven?
Ik denk dat we dan het verhaal van Daniël als prins en balling in het paleis in Babylonië dan degenereren tot een opwekking om je als christen niet te laten assimileren in de boze wereld. De bedoeling van de Geest reikt echter véél verder.
We hebben in het boek Daniël óók geen spannend jongensboek, maar een uiterst betrouwbaar bekendmaking over hóe de komende Christus aan het werk zal gaan. Hóe zijn Rijk zal komen. God maakt aanspraak op de wereld, Zijn wereld. In die gebroken wereld wil Hij zijn Rijk oprichten. Maar de tegenstander is er ook nog! En hij is actief. De satan doet van álles. God laat heel veel toe, maar geeft zijn plan niet op. God maakt de gegijzelde prins Daniël tot een profeet die mag onthullen hóe het Rijk van God komt. En het volk van God mag verzekeren dát het Rijk van God zal overwinnen.

Het thema van de preek geef ik u hierbij:

God laat Daniël en zijn vrienden als kinderen van Gods Koninkrijk leven tussen de machten

De punten zijn:

  1. Wie bepaalt hoe zij zullen heten
  2. Wie bepaalt wat ze zullen eten
  3. Wie bepaalt wat zij zullen weten

1. Wie bepaalt hoe zij zullen heten

Herinnert u zich nog de geschiedenis van die wonderlijke genezing van koning Hizkia uit Jesaja 38? In het vervolg, in Jesaja 39 wordt beschreven wat erna gebeurde. (Vergelijk wat vermeld staat in 2 Koningen 20) We lezen van een gezantschap uit Babel dat in Jeruzalem komt. Hizkia liet aan dat gezantschap ál zijn rijkdom en macht zien. Zijn paleis- en zijn tempelschatten. En dat is een oosterse manier om vrienden te maken. Kennelijk heeft Hizkia zich toen door middel van een bondgenootschap verbonden met de opkomende wereldmacht Babel. Om tegen het agressief aanvallende rijk van Assyrië sterk te kunnen staan.
Door de profeet Jesaja liet God toen aan koning Hizkia weten, dat alle schatten die hij heeft laten zien aan de gezanten van Babel uit Jeruzalem weggevoerd zou worden door de koning van Babel. "En van uw zonen die uit u voortkomen zullen zij nemen om hoveling te zijn in het paleis van de koning van Babel..." 2 Koningen 20: 18.
Wat er in Daniël 1 beschreven staat, is de vervulling van die profetie. Het verhaal van Daniël valt eigenlijk meteen met de vervulling van de profetie van Jesaja in huis. De Here God gaf de stad en het paleis en de tempel in de macht van de koning van Babel. En de kleinzoon van Hizkia, Daniël, werd toen ook weggevoerd naar Babel. Een jongen van nog maar net veertien jaar oud.

Dus het is geen 'toevallig' verhaaltje over 'er was eens', geen persoonlijke kroniek of een spannende levensbeschrijving van een gegijzelde prins uit Jeruzalem. God wordt hier en in het hele boek Daniël genoemd met de naam Heer. Dat is de Koning en de Gebieder van de volken. (Behalve in het gebed van Daniël, Daniël 9, wordt God met zijn Verbondsnaam, Jahwe, genoemd, in onze bijbelvertaling geschreven als HEERE). De God van hemel en aarde, de heer van alle heren, is de God van zijn volk Israël, maar óók van alle volken. Híj beveelt dat Nebukadnessar naar Jeruzalem trekt om een charge uit te voeren, de buit uit de tempel en het paleis te roven en de prinsen te gijzelen. De Here God laat dat actief toe! Volgens de duiding van de profeet Jesaja is er dus een element van straf in, omdat de koning en het volk van Israël niet op de Here God hebben vertrouwd.
Eén van de strekkingen van deze geschiedenis nu is dat de Here God óók de God is die aan Daniël genade en barmhartigheid schenkt tegenover de overste van het hof. Aan de vier jonge knapen gaf God wetenschap en verstand, aan Daniël gaf hij inzicht in allerlei gezichten en dromen.

Maar terug naar het verhaal. We moeten van die eerste wegvoering, waarbij niet geplunderd werd en ook de stad Jeruzalem nog niet werd verwoest, geen romantische voorstelling maken. De koning heeft wél een buit meegenomen uit het paleis en de tempel. Hij plaatste de kostbare dingen uit de tempel in Jeruzalem in de tempel van zijn éigen god. Dat is het gebaar van de koning om zijn dankbaarheid voor zijn overwinning te laten blijken tegenover zijn god. De god van Sinear (= de oude naam voor Babel) had immers een overwinning behaald op de God van de Judeeërs!

Daniël en zijn vrienden gaan niet op een stage, zoals studenten dat in onze tijd ook wel doen, als ze grenzen willen verleggen en buitenlandse ervaring op willen doen. Ze worden in gijzeling genomen. Gedeporteerd, en ook als slaven behandeld. Ze waren eigendom van de koning van Babel en ze hadden absoluut geen vrijheid meer. De koning, keizer, Nebukadnessar van het machtige rijk van Babel had áltijd personeel nodig. Ook knappe koppen en prinsen om hem te helpen zijn rijk te besturen.
Vandaar ook dat deze Nebukadnessar, of eigenlijk zijn chef van het paleis, zich het recht toeeigent om de namen van die adellijke knapen uit Jeruzalem te veranderen.

Het wordt ons niét meegedeeld als een interessant detail. Nebukadnessar wil aan iedereen laten voelen dat híj de wereldheerser is. En dat niet de Heer, de Almachtige, de gebieder van de volken is, maar híj! En dat geeft een geweldige spanning aan het leven van Daniël en zijn vrienden. Aan ál de ballingen uit Juda. Zo'n streven van een heidense koning zet het leven van ál Gods kinderen onder ondragelijke druk.
Dat de koning van Babel de namen van de jongens uit Jeruzalem liet veranderen is een teken van zijn macht. Gods naam mág niet langer vernoemd worden in de omgeving waar beweerd wordt dat de naam van Bel en de andere goden van Babel het voor het zeggen hebben.
Daniël betekent: Mijn GOD is rechter. Het wordt: Beltesassar, Bel, bescherm het leven van de koning.

Chananja, De HERE is genadig, of: De HERE heeft zich genadig betoond (vergelijk Johannes, God is genadig). Het wordt veranderd in Sadrak, dienaar van Mardoek. (Mardoek is een van de grote goden van Babel).
Misaël, Wie en wat God is. Het wordt Mesak, Wie is als Agu? (Agu is een van de goden van Babel)
Azarja, De Here helpt, of de Here heeft geholpen. Het wordt veranderd in Abednego, de dienaar van Nego.

Dus die vier jongens uit Jeruzalem worden gebabyloniseerd. De verandering van de namen is het begin van een groots inburgeringsprogramma. Ze moeten omgevormd worden naar de cultuur van de Babyloniërs. Voor de jongens betekent dit dat ze om te overleven zich moeten aanpassen aan de Babylonische cultuur. Wordt Babyloniër of sterf...
Maar kan men volledig Babyloniër worden en tegelijk Israëliet blijven in hart en nieren? Kan men God dienen én Mardoek/Bel? Je dient de Here, óf je dient Mardoek. Voelt u de intense druk die op die pubers gelegd wordt?

Denk niet dat de kwestie als de verandering van een naam iets onnozels is. Wat wij zien op de zendingsvelden waar heidenen (dus mensen die God niet kennen) tot geloof komen en zich voegen bij de kerk van Christus, is dat ze bijna altijd een andere naam willen hebben, een doopnaam. Een christelijke naam - om aan te geven dat ze niet meer horen bij hun vroegere (stam)godsdienst. Bij Daniël en zijn vrienden zien we het omgekeerde. Hun besnijdenisnaam (zeg maar hun 'doopnaam') moeten ze inruilen voor een heidense naam. Is daarmee het leven met God van deze jongens nu voorbij? Nee dat niet. De vier jongens komen wél in een zware beproeving. Ze kunnen met geen mogelijkheid onder de dienst van de koning van Babel uit. Ze moeten gewoon die heidense naam accepteren, of ze willen of niet.
En het lijkt erop dat in de eerste slag tussen het rijk van de satan en het Rijk van God, de eerste de overwinnaar is. Maar de Here God van Daniël, Chananja, Misaël en Azarja laat zijn kinderen niet los. Het blijkt dat ze hun naamsverandering accepteren, maar niet bereid zijn hun geloof, zeg maar hun identiteit op te geven. Hun God geeft ze zóveel kracht en genade dat niet de koning van Babel, maar Hij bepaalt wie ze zijn en hóe ze moeten leven.

2. Wie bepaalt wat ze zullen eten?

De koning van Babel, je kunt van álles van hem zeggen, maar niet dat hij niet wijs was. Hij wist wie hij kiezen moest om zijn naaste medewerkers te worden. Hij liet daarom ál zijn slaven, de gijzelaars en ballingen dus, een strenge test ondergaan. En de genomineerden voor een ambtenaren baan kregen een staatsopvoeding aan één van de tempelscholen. Zij moesten de toekomstige elite worden in zijn rijksbestuur. Zij zouden volledig ingezet worden voor het welzijn en de glorie van het rijk van Nebukadnessar. Daniël en zijn vrienden werkten aan alles mee. Ze kwamen door de toelatingstoetsen en werden aangenomen op de staatsschool.

We moeten het ons voorstellen dat de vier vrienden in een soort tempel-internaat werden ondergebracht. Wat opvalt is dat opvoeding van de knapen vooreerst blijkt te bestaan uit voeding. Ze moesten eten wat de koning het beste vond. Dat is niet alleen het beste van het beste en het duurste van het duurste, maar vóór alles het voedsel dat aan de goden geofferd was. Dat was zo de regel in het hemelse paleis van Nebukadnessar. Geen schaal met voedsel kwam op zijn tafel of het moest éérst aan de goden geofferd zijn. Deze godenzoon wil uitsluitend eten wat aan de goden geofferd is! En daarom claimt Nebukadnessar óók het recht om de spijswetten voor zijn onderdanen (en lijfeigenen) vast te mogen stellen.
Daniël wíst dat er met dat voedsel dat door de koning geselecteerd is iets mis was. Besmet voedsel. Als zij dát voedsel zouden eten, dan zou dat een buiging zijn voor de goden van Babel. Ze zouden bovendien de wetten van Israëls God met voeten treden. Ze bleven trouw aan hun eigen God. Ze wilden niet tegen hem zondigen door 'onrein' voedsel te eten.
Dat is voor ons ook iets ondenkbaars. Wij kennen eigenlijk geen religieus besmet voedsel. In de eerste brief aan de Korintiërs (1 Korintiërs 8-10) heeft Paulus het uitvoerig over het eten van offervlees. Is het dan een onschuldige kwestie? Nee, eten is nooit iets neutraals. Krijg je je eten nu van God óf van de goden? Als je vlees eet dat aan de goden geofferd is, word je als christen daar niet minder van en bega je daar geen zonde mee, maar de ánder moet er geen bezwaard geweten door krijgen!

In het geval van het geofferde voedsel voor Daniël en zijn vrienden wéét hij dat Nebukadnessar gelooft dat zij gehoorzamen aan de goden van Babel als ze geofferd voedsel eten! Daniël wéét dat zijn God de God is die leeft en dat de goden van Babel maar 'ijdelheden' zijn. Hij wil omwille van de koning geen 'besmet' voedsel eten.
Er is nóg iets. Eten en drinken aan de tafel van de koning, wie zou dat niet willen meemaken? Daniël wil dat als het even kan niet doen, omdat hij gelooft dat het in dat geval hetzelfde is als het dienen van de afgoden. Hij wil zuiver voor zijn God staan.
Daniël uit Jeruzalem neemt het voortouw om de voedselkwestie aan de orde te stellen. Het eten uit de keuken van de koning is voor de vier vrienden een gewetenszaak geworden. Ze beseffen dat ze dan eigenlijk zullen eten aan de tafel van de goden van Babel. En dat willen ze niet.

Daniël heeft diep in zijn hart voorgenomen zich daar niet mee te verontreinigen, staat er. Het is zijn stellige overtuiging. Daar stáát hij voor! Het klinkt ook heel moedig voor een jongen van pakweg veertien jaar om als woordvoerder van zijn vrienden te zeggen: "nee, dat doen we niet!" Het is geweldig om zo'n ferm en duidelijk standpunt in te nemen als het om diepe geloofsovertuigingen gaat. Riskant eigenlijk ook wel. Tegen Nebukadnessar, de machtigste koning ter wereld ingaan! Nee zeggen tegen een absoluut heersend vorst, een potentaat, is levensgevaarlijk! "Wij hebben geen gemeenschap met de goden van Babel!" Zo iets is regelrechte zelfmoord.
Natuurlijk hebben Daniël en zijn vrienden een andere keus. Ze zouden légio verontschuldigingen kunnen aandragen. We zijn hier te gast bij de koning, híj maakt nu toch de dienst uit? Het is toch beleefd om je aan te passen aan je gastheer? We zijn nu eenmaal niet in Jeruzalem, hier gelden andere wetten. We passen ons aan bij de lokale gebruiken van het volk. Of gewoon de simpele oplossing: och, wat maakt het nu uit of dat eten nu aan de afgoden geofferd is of niet. De vrienden nemen het hoog op. Ze gáán heel consequent voor hun eigen religieuze principes.

En Daniël nam zich voor in zijn hart (Statenvertaling). Het is dus een heilig voornemen. Een echte geloofsbeslissing. De Here God heeft beslag gelegd op zijn hart, nu wil hij niéts anders dan zijn hart alleen aan Hém geven. In totale afhankelijkheid van zijn God, nam hij een besluit. In zijn hart woont de Geest en daar woont het gebod van zijn God. Hij heeft Hem lief. En dáárom durft hij de confrontatie aan. De Here God vraagt erom. Wij moeten daar ook eens over nadenken. Dat wij in zo'n geval óók als een Daniël willen zijn, dat wij alléén durven te staan!

Het is niet gemakkelijk. De beproeving waar Daniël en zijn vrienden blootgesteld zijn, is zondermeer dramatisch te noemen. Als ze zouden struikelen in hun geloof, zou de kracht van de wet van hun God, de God die leeft, in het hart van heidense land gebroken zijn. Dan zou de naam van de God van hemel en aarde, gesmaad worden. Achter die schijnbare simpele kwestie van of je nu wel of geen geofferd vlees mag eten, zit hier de hele kwestie van de strijd om de macht op aarde vast. Overwint de heidense koning van Babel met zijn goden, óf overwint de God van Israël?
De strijd om de macht speelt zich af in het gewone leven van vier gegijzelde jongens die overigens voortreffelijk hun best doen om er wat van te maken in de slavendienst van de vijand. Hun námen hebben ze opgeven. Maar de kwestie van het eten van geofferd voedsel is voor hen een kwestie van leven of dood zijn voor God.
Je vraagt je af, hóe houden zij zoiets vol? Door het sluiten van de rijen, als de vier musketiers? Eén voor allen, allen voor één? Door een handige overlevingstactiek toe te passen? Nee, door een wonder van Gods genade. Want een wónder is het, dat Daniël een open en vertrouwelijke verhouding heeft met Aspenaz, de chef van het paleispersoneel. Zeker, Daniël is voorbeeldig zeer beleefd en hoffelijk. Hij weigert niet bot om nog verder te eten. Hij vlucht niet in het stil protest van een hongerstaker. Hij laat innerlijke beschaving zien. Hij brengt zijn bezwaren ter sprake. Zijn verzoek is of hij en zijn vrienden ánder eten mogen gebruiken. Het verzoek ís hachelijk, dat is zeker. Want in die tijd was één verkeerde vraag, of één misplaatste opmerking in het paleis of de tempel genoeg om je te laten ruimen.

En bovendien, het verzoek dat Daniël doet, gaat rechtstreeks tegen het besluit van de koning in. Hij vraagt heel beleefd aan zijn chef: "Mogen wij ánder voedsel dan het vlees en de wijn van de koning?"
De overste van de hofhouding is eerlijk, maar ook duidelijk. Ik zou het wel willen, maar als... nu na verloop van tijd blijkt dat jullie er minder welvarend uit zien dan de rest van jullie groep, dan krijg ík de schuld! Daniël doet daarop een voorstel om een proef van tien dagen uit te voeren. Tien dagen op plantaardig voedsel en water! En bekijk het dan. Dat experiment wordt uitgevoerd. Tien dagen alleen maar plantaardig voedsel en water in plaats van vlees en wijn.

Het blijkt na tien dagen dat God niet alleen beschermt, maar óók zegent. Dát is pure genade! In die tien dagen tijd zien ze er gezonder en sterker uit dan de anderen die zich te goed gedaan hebben aan de overvloed van de koning. Het laat zien dat de Here God óók eenvoudig plantaardig voedsel kan zegen. Denk niet dat wij dus allemaal wel gezegend zullen worden als we in plaats van dierlijk (en veel en vet!) eten nu maar op de vegetarische toer gaan. Er is niets mis met vegetarisch voedsel. De Here kan ons daarmee óók zegenen! We mogen - met mate! - óók echt wel genieten van vlees en wijn! God heeft dat óók gegeven om met dankbaarheid te gebruiken! Maar Gods zegen gaat boven onze menukaart uit! Het schaarse, het eenvoudige kan Hij evengoed zegenen als overvloed. In de zegen op het plantaardige voedsel van Daniël en zijn vrienden zien we dat God de goden van Babel overwint. Wij leren er uit dat onze God ook óns kan zegenen met ander voedsel. Als we maar trouw aan Hem zijn en zijn geboden bewaren. Wij moeten trouw zijn aan ónze God, in álle dingen, ook bij de samenstelling van ons menu.
Maar nu dat laatste punt.

3. Wie bepaalt wat ze zullen weten?

Zoals Mozes eeuwen te voren als 'uit het water gehaalde' Hebreeuwse jongen, als aangenomen zoon van de dochter van de Farao aan het Egyptische hof een vorstelijke opleiding kreeg, zo moesten Daniël en zijn vrienden in de tempels en paleizen van Babel van de geleerden, de priesters en de astrologen de wetenschap van Babel zich eigen maken. Het begon met het leren van het spijkerschrift. Daarnaast moesten ze álle kennis en wetenschap van Babel in zich opnemen.

De derde zegen die God aan Daniël en zijn vrienden geeft, is de zegen over hun verstand en hun opleiding. De vier jongens leerden keihard op school, maar ze hebben zich niet boven de anderen uitgewerkt. Ze kregen tijdens hun opleiding wel iets heel bijzonders als zegen van God mee: ze werden de knapste jongens van de klas. Ze waren wat je nu zult noemen: echte christen-geleerden. Dat vraagt God ook van ons. God vraagt van een christen-student (al is het aan een universiteit of hogeschool waar de naam van God niet genoemd wordt en Hij totaal genegeerd wordt, dat je een goed student bent! Je moet je uiterste best doen in je studie. Je moet je gaven en talenten optimaal benutten. De zegen op die inspanning krijg je als geschenk. Het wordt je gegeven.

Moet je alles maar slikken tijdens je studie? Alles meemaken en alles ondergaan? Tijdens hun studie kwamen de vier vrienden met álle soorten van heidendom in aanraking. Ze leerden álles. Maar ze zijn niet gestruikeld. Ze zijn gelegd op het altaar van de heidense kennis, maar ze hebben de wijsheid gekregen om alles te doorzien. Ze leerden alles van wetenschap van die tijd, maar ze hielden hun geloof, hun eigen identiteit zuiver. Hoe je dat doet?
Er wordt vandaag de dag vaak geroepen dat je vooral moet getuigen van je geloof, op je werk, of in de collegezaal. Ik geloof ook wel dat je als het er op aankomt je duidelijk moet zijn over wat je bezig houdt en wat je gelooft. Ik krijg echter niet de indruk dat Daniël en zijn vrienden 'getuigende' studenten waren. Ze hebben óveral kennis van genomen. En tóch bleven ze trouw aan hun God. Ze werden niet alleen uitmuntende geleerden. Ze bléven ook standvastige gelovigen. Niet door talent, niet door een handige levensstijl van betrokkenheid en afstand houden, door je op de vlakte te houden en nooit je kop boven het maaiveld uit te steken. Nee, alléén maar door als student te vertrouwen op God.

Ze beseffen grondig dat wat ze zullen weten en waar het op aankomt, niet door Babel bepaald wordt, maar door God. Ze blijven geloven in God. Trouw in zijn dienst.
Als je hart voor God op de goede plaats zit, dan kun je onderscheiden tussen kennis van het hoofd en kennis van het hart.

Er wordt ook vertelt dat Daniël iets bijzonders had. Hij kreeg de gave het leven te schouwen. Hij heeft het heidendom door en door gepeild. Hij onderzocht de aanwijzingen van de sterren wel en de tekens van de dierenriem, zoals dat in die tijd héél populair was, maar hij weet dat de kennis, de wijsheid van God komt. God moet het bekendmaken in profetieën en gezichten. De Here God gééft het ook aan hen die Hem vrezen. De vreze des Heren is het begin van de wijsheid. Daniël had álles door. God gaf het hem te 'zien'. God gaf hem - heel letterlijk - de geheimen van het leven 'te zien'. God geeft ook aan Daniël de gave, het geschenk om gezichten (openbaringsdromen) te kunnen uitleggen.
Daniël kreeg bijvoorbeeld ook te zien hoe de komende strijd tussen het Rijk van God en het rijk van de satan gevoerd zou worden. Daniël kreeg te zien de komende strijd tussen het Rijk van God en het rijk van de satan gevoerd zou worden. Hoe de 'Oude van Dagen' actief optreedt in de wereldgeschiedenis. Hij mag dus even een kijkje nemen in de plannen van God hoe het zijn Rijk op aarde gevestigd zal worden, als God alles zal zijn in allen. In het boek Openbaring lezen we de profetie over ónze toekomst. Daniël mocht in zijn tijd iets zien over de komst van de Messias. Hoe Hij te werk zou gaan en wat er zou gebeuren. Men kon dus precies weten waar men naar uit moest kijken. Wat de Openbaring is voor onze toekomst, dat was het boek Daniël voor het Israël dat wachtte op de komst van de Messias.

Door deze geschiedenis begrijpen we iets van Gods werk in mensen die eenzaam en geïsoleerd leven in een gevaarlijke omgeving. God houdt zulke mensen staande. Hij zorgt voor ze, Hij zegent ze. Op die manier werkt God aan de komst van zijn Rijk. Op die manier houdt Hij ook het rijk van de tegenstander op een afstand.
We zeggen daarom tegen jongeren en ouderen die leven en studeren in een kwetsbare, gevaarlijke heidense omgeving, niet: daar hóór je niet thuis. We wijzen ze wel op hóe ze in die wereldse en verleidelijke omgeving staan. Wát wil je weten?
Alles wat de wetenschappers en de machthebbers belangrijk vinden? Nee toch?
Wij willen de Here God kennen, de heerser over alles.
Wat wil je dan nog weten? Heeft Jezus niet zelf gezegd: "Wie de Zoon heeft, heeft het leven, maar wie de Zoon van God ongehoorzaam is, zal het leven niet zien." Gehoorzaamheid aan Gods Zoon is dus hét middel om het leven te zien, te doorschouwen. Alles dóór te hebben. Dat is het leven 'zien'.

Nebukadnessar dacht, als ík de jeugd heb, heb ik de toekomst. De jeugd van ónze tijd denkt: als ik álles van de wereld weet, laat dan de kat maar komen! De Here God zegt: geloof je in mijn Zoon, zoals Daniël op God vertrouwde, door dik en dun? Dán heb je de toekomst.
Het laatste vers van hoofdstuk 1 onderstreept het. Hij bleef aan het hof in Babel tot aan het eerste jaar van de Perzische koning Kores (Cyrus) die de boedel van Babel overnam. Vijfenzestig jaar heeft Daniël aan dat heidense hof geleefd. Al die tijd vreesde hij de HERE. Hij begon er heel bewust mee als 14-jarige jongen. Hij is er bijna tachtig mee geworden. Ook al zit je in een puur heidense omgeving, je kunt daar goed werk doen. Oud kun je worden in de dienst van God. Dat is het échte leven van burgers van het nieuwe Jeruzalem. Zit het met uw hart wel goed? Weet u hoe u heet, wat u eten mag, en wat u weten moet?

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar