De HERE toont zijn hart aan Joachaz (koning van Israël)

Thema: De HERE toont zijn hart aan Joachaz (koning van Israël)
Tekst: 2 Koningen 13: 4-5
Tekstgedeelte(n): 2 Koningen 13: 1-9
2 Koningen 13: 22-25
Door: Ds. S.W. de Boer (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Haren)
Gehouden te: Groningen-West op 4 juli 1999

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen: 2 Koningen 13: 1-9
2 Koningen 13: 22-25
Tekst: 2 Koningen 13: 4-5
Zingen: Aanvangslied:
Na de wet:
Na schriftlezing
Geloofsbelijdenis:
Na de preek:
Slotzang:
Ps. 9: 1, 7
Ps. 119: 64
Ps. 35 : 1-2, 8, 11
Gez. 4
Ps. 86: 4
Ps. 35: 13

Gemeente van onze Here Jezus Christus.

Na de scheuring (onder Rechabeam) viel Israël uiteen in 2 miniatuurrijkjes. Het héle koninkrijk Israël was al niet zo groot, maar nu worden het helemaal staatjes met Madurodam-afmetingen. Zoiets als San Marino of Liechtenstein. En u begrijpt: dan kun je je nooit zelfstandig handhaven tegenover de andere (veel grótere!) koninkrijken rondom. Tenminste, dat kan niet langer in éigen kracht... Dat kan alléén maar... als je vertrouwt op de HERE God!
Dát was hun énige mogelijkheid om staande te blijven.
Wel, en dat blijkt een hele moeilijke opgave. Voor béide rijken!

Voor wat betreft het Noordelijk rijk, de 10 stammen, vinden we dat misschien wel normaal: dat ze daar niet vertrouwden op de HERE God. Want zij gingen immers al meteen onder Jerobeam hun éigen gang, met die kalverendienst in Dan en Betel. Wij hebben, denk ik, toch wel een beetje de neiging om dat 10-stammenrijk maar meteen af te schrijven: 'zij gaan de verkeerde weg op, laat-maar-gaan, want daar komt toch niks van terecht. Zie je wel, het gaat van kwaad tot erger, maar het zat er eigenlijk al vanaf het begin in. Dat kón niet goed gaan.'

Maar zo maken we een hele stérke tegenstelling tussen Juda en Israël:

Dan is een tekst als die van vandaag goed, om onze gedachten daarover eens kritisch te bezien. Want óók het 10-stammenrijk is: volk van God!

De HERE had het kóninkrijk gesplitst, maar dat was om daardoor juist heel het vólk bij Hem te bewaren. Want álle 12 stammen bléven zijn volk. En de opdracht om alleen op Hém te vertrouwen gold voor het Noordelijk rijk nét zo goed als voor het Zuidelijk rijk!
En wát zien we nu in onze tekst? (En daarom is deze zo belangrijk!). Dat de HERE óók het 10-stammenrijk genádig is. Hij houdt van hen net zo veel als van Juda.

Zo wil ik het vanmorgen samenvatten:

De HERE toont zijn hart aan Joachaz (koning van Israël)

Want:

  1. Hij geeft gehoor
  2. Hij geeft verlossing
  3. Hij geeft vrede


1. Hij geeft gehoor

Het is een opvállende tekst, broeders en zusters, die we hier voor ons hebben. Opvallend, als je góed leest, want het zit wat 'verstopt' om zo te zeggen. Laten we maar eens kijken.
Het gaat over Joachaz, koning van Israël. We weten niet veel van hem. Eigenlijk alleen wat we gelezen hebben daarstraks. En zo op het eerste oog zijn dat de gebruikelijke mededelingen. Waaronder die opmerking, die een eentonig refrein is geworden bij alle koningen van Israël: "Hij deed wat kwaad is in de ogen van de HERE en volgde de zonden van Jerobeam na".
Alleen, bij déze koning lezen we nog wat: Hij zoekt in zijn benauwdheid de gunst van de HERE... en de HERE hóórt naar hem!
Dat is opvallend, want dit is de enige keer, dat we lezen van een koning in het 10-stammenrijk, dat hij zélf bidt tot God om hulp én... dat zijn gebed ook verhóórd wordt...

Hoe zat dat dan met deze Joachaz? Zoals ik zei, weten we niet veel van hem. Een paar dingen: hij was de zoon van Jehu. En hij regeerde ongeveer 95 jaar nadat Jerobeam gestorven was.
Maar in die kleine 100 jaar was dit inmiddels al wel de 5e dynastie die aan de macht was! Steeds was er een generaal die een staatsgreep pleegde en dan koning werd. Maar ze hielden het hooguit een paar geslachten vol. En dan kwam er weer een ander. Zelfs een keer 3 in één jaar! Het is een beetje het beeld van zo'n bananenrepubliek in Zuid-Amerika. In Juda was nog steeds de dynastie van David aan de regering, maar hier al de 5e ná Jerobeam!

Maar dat komt -let wel!- omdat ze niet doen wat de HERE zegt.
Hij straft de koningen die zijn volk op een verkéérde manier regeren. Hij neemt hun het koningschap af en laat hun geslacht uitroeien. Hij straft ook het volk, door hen in de macht te geven van vijanden die hen verdrukken. Maar, juist in die straffen blijkt al, dat Hij ze niet loslaat... Hij blíjft zich met hen bemoeien. Daarom horen we júist ook in het 10-stammenrijk steeds weer profeten oproepen tot bekering.
En ook hier is er sprake van straf. Want Israël zit onder knoet van Aram. Aram hád al het Oost-Jordaanse gebied (wat nu Jordanië is) bezet onder Jehu, de vader van Joachaz.
Maar nu komt Hazaël, de koning van Aram ook naar het grondgebied van Israël ten wésten van de Jordaan (de "Westbank") en neemt daar verschillende steden in. Ja, hij kleineert Joachaz volledig (zie vers 7): Joachaz mocht nog maar 50 ruiters, 10 strijdwagens en 10.000 man voetvolk hebben. En met name dat kortwieken van de cavalerie was smadelijk. Hij mocht nog maar net zoveel hebben als een of andere landheer met een kasteel en een flinke lap grond.
Dit was geen leger meer! (Ter vergelijking: Achab bijvoorbeeld had 2.000 strijdwagens...) Ja, Joachaz' macht was "verpulverd: als stof bij het dorsen". Hij was dan nog wel 'zelfstandig', maar verder feitelijk compleet weerloos.

En dat duurde: "al die tijd", letterlijk: al de dagen. Bedoeld zijn: al de dagen van Joachaz' regering. Zo ongeveer. Want het staat er niet exact omschreven met het aantal jaren, wat anders wel vaak gebeurt. De bedoeling is niet om precies de tijd aan te geven van de verdrukking, maar wel om te benadrukken, dat deze onderdrukking langdurig en afmattend was. Het was een zware onderdrukking. Eerst was het gebied al flink ingeperkt en nu wordt ook het overgebleven gebied beheerst. Heel de tijd van Joachaz' regering.
Die verlossing waarover wordt gesproken in vers 5 zal dan ook hebben plaatsgevonden op z'n vroegst aan het eind van Joachaz' regering en daarna. (Ik kom daar nog op terug).

Wat nu van belang is, dat Joachaz in deze grote benauwdheid de HERE zoekt in gebed. Hij "zocht de gunst van de HERE". Er wordt een speciale uitdrukking gebruikt, die letterlijk betekent: iemands gezicht zácht maken door strelen: vermurwen. Hier dus: door smeken en bidden God vermurwen, zodat zijn gezicht weer zacht en vol liefde is.
Het is roepen in de diepste nood: HERE hoor toch, alstublieft.

Het is onduidelijk of Joachaz zich echt met heel zijn hart bekeerd heeft. In zijn verdere dáden blijkt er niets van. In ieder geval heeft het vólk zich duidelijk niet bekeerd, want in Samaria bleef de 'gewijde paal' staan.
Het is dus een persoonlijk gebed van Joachaz: hij doet dit niet sámen met het volk. Daarmee wordt het niet minder waard. Integendeel: zo móest een koning in Israël optreden. Hij was geroepen om het beste te zoeken voor zijn volk. Maar dat moest hij dan wel dáár zoeken, waar het alleen maar te vinden was: bij God. Dus: de koning maakt zich klein, vertrouwt niet langer op éigen kracht, maar verwacht het alleen nog maar van de HERE.

En... de HERE hoorde naar hem!
God verhoort het gebed van deze koning, deze zondaar. Hoewel hij níets had om mee aan te komen bij God: geen grootscheepse bekering, geen rouw, geen omverhalen van gewijde palen en afgodenaltaren en dergelijke. Het is een ráádsel, dat de HERE naar deze zondaar lúistert, én zijn gebed verhoort...!
Tussen haakjes: laten we wel wezen, broeders en zusters, het is voor óns gevoel uiteindelijk altijd een raadsel, waarom God wil lúisteren naar zondaars. Dus ook naar u en mij... Want ook wíj hebben niets om mee aan te komen bij God. En tóch wil Hij ons gebed verhoren.
De enige reden, dát de HERE luisteren, ligt dan ook in God Zelf: omdat Hij het wil. En omdat Hij wél trouw blijft. Want ook Israël, het 10-stammenrijk, blíjft zijn volk! En ook zij hebben (en hóuden) een speciaal plekje in zijn hart.
We lezen namelijk, dat de HERE hoort naar dit gebed, omdat Hij had gezien hóe zwaar ze verdrukt werden door de koning van Aram. Hij zag hun nood, en dat deed Hem pijn. Pijn in zijn hárt, want Hij híeld van hen. Dus als we zo'n zinnetje lezen, dan kijken we, om zo te zeggen, zomaar récht in het hárt van God. We mogen Hem hier in zijn hárt kijken.

En dáárom kan dit gebed van deze zondaar verhoord worden. Hij zit zo diep in de benauwdheid, dat hij bijna geen adem meer kan halen. Want het duurde en het duurde maar en er was geen enkele mogelijkheid om weer ruimte te krijgen.
De verdrukking leek een beetje op een langzame verstikking. Benauwdheid kan je langzaam wurgen, omdat je al minder lucht krijgt en je al verder ingedrukt wordt. En vooral de léngte van die verdrukking maakt het zo uitzichtloos.

Wel, broeders en zusters, ooit was er Iemand, die het zó benauwd heeft gehad als geen mens ooit heeft meegemaakt (of zal meemaken). Hij kreeg het zó benauwd, dat Hij bloed zweette: het drong door zijn poriën naar buiten. U begrijpt: dat was onze Here Jezus in Getsemane. En ook Híj bad in die uiterste angst tot God. Maar Hij werd níet verhoord. Hoewel Hij álles had om mee aan te komen bij God, want Hij was zónder zonde.
Wel, juist omdat Híj later níet verhoord werd, kon deze zondaar in Israël wél verhoord worden. Omdat die Ene in zijn benauwdheid er volledig onderdoor moest gaan, kon en wilde God vélen verhoren en bevrijden.
Want de HERE is een genadig God, die wil, dat mensen tot Hem vluchten. En wie tot Hem vlucht, wie je ook bent en wat je ook hebt gedaan en hoe erg het ook is; wie tot Hem vlúcht, vindt altijd gehoor!


2. Hij geeft verlossing

We komen aan het tweede punt. De HERE toont zijn hart aan Joachaz. Want Hij geeft verlossing.
"En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen..."
God gaf een verlosser. Wíe dat was, lezen we niet. Maar het was iemand, die hen vrijer maakte van de benauwende onderdrukking door Aram.
Het staat er heel beeldend: "zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen." Je wordt neergedrukt en je dreigt te stikken, maar je kunt je er net op tijd onder uit wurmen. Dat beeld is het. Aram was namelijk doorgedrongen tot over de Jordaan en had een aantal steden ingenomen. Steden die strategisch lagen.

Je moet je de situatie namelijk zo voorstellen:
In het midden van Israël loopt een soort 'bergrug', van noord naar zuid. Er zijn drie verbindingswegen van noord naar zuid: één langs de kust in het westen, de tweede loopt door de Jordaanvallei in het oosten, en de derde loopt over die bergrug. Van oost naar west is het moeilijker, want dan moet je over die bergrug. Er lopen wel een paar passen. En u begrijpt, dat de kruispunten van die passen en de noord-zuid verbindingen strategisch heel belangrijk zijn. Als je díe steden in handen hebt, dan behéérs je het doorgaande verkeer.
Wel, dát was er aan de hand. Aram had de strategisch gelegen steden bezet. En beheerste daarmee in feite het grootste deel van het land. Er waren nog wel grote stukken land, waar de Israëlieten zich vrij konden bewegen, maar op de doorgaande routes en de strategische plaatsen kwamen ze dan de Aramese soldaten weer tegen. Ze hadden dus een beperkte bewegingsvrijheid - als in een gevangeniscel. Je kunt wel een paar passen doen, maar dan stoot je weer op een muur.

Maar nu kwam er een verlosser die hen ruimte gaf, zodat ze (bewegings-)vrijheid kregen.
Maar wie was nu die verlosser?
De meeste uitleggers denken aan Joas en/of Jerobeam II: respectievelijk de zoon en kleinzoon van Joachaz. Terecht denk ik. We worden op dat spoor gezet door het slot van het hoofdstuk: de verzen 23 en 25!
Vers 23 is bijna letterlijk gelijk aan vers 5. De HERE was hen genadig: Hij toonde hen zijn hart, want ze waren zijn volk. Hij blééf naar hen omzien.
En even later (vers 25) lezen we dan hoe Hij Israël bevrijdde van de druk van Aram: Joas, de zoon van Joachaz, heroverde de steden die Benhadad veroverd had op Joachaz.

De HERE is genadig. De HERE hoort. De HERE verlost. Dat is de doorlopende boodschap van het Oude Testament, ja, van heel de bijbel.
Maar, Hij doet dat altijd 'middellijk': door middel van mensen, situaties en dergelijke. En zo moeten we ook hier tekst met tekst vergelijken en dán krijgen we doorzicht.
De HERE verhóórt Joachaz en verlost Israël, maar Hij doet dat op zijn tijd en op zijn manier.

Als je alleen maar de feiten op een rijtje zet, dan krijg je dit:

Joachaz: heel zijn tijd onderdrukking door Aram. Hij roept tot God.
Joas: herovert de bezette steden op Aram.
Jerobeam II: een tijd van welvaart, voorspoed en vrede (in die regio).

En als je dan niet verder kijkt, dan ben je geneigd om dit oordeel te geven: Joachaz' regering was geen beste tijd. Die had pech. Maar gelukkig werd Israël onder Joas weer wat sterker. Bovendien vielen ook de Assyriërs toen het rijk van Aram aan. Dus dat was mazzel, want nu kon Joas die bezette steden weer heroveren.
Maar wie zo redeneert, loopt precies langs de kern heen en mist de clou. Want God geeft hier voorlichting en dus ook dóórlichting van de gebeurtenissen. Ook dáárom staan deze verzen in de bijbel. Om óns inzicht te geven in Góds werk in de geschiedenis. De HERE brengt Israël onder Joachaz in het nauw als straf.
Maar Hij verlost hen onder Joas als bewijs van zijn genade én... als verhoring van Joachaz' gebed!
Zeg dus niet te snel: pech of mazzel als verklaring van gebeurtenissen in de wereld of in je eigen leven. Want... GOD is aan het werk!

Hij geeft ruimte. Maar, Hij wil wel gevráágd zijn. Dat zit ook al in dat woord 'verlosser'. Want het geeft aan dat er bevrijding komt na het roepen om hulp. En na zo'n bevrijding wordt het weer leefbaar: er komt rúimte.
Maar dat komt van God. Híj leidt ons leven. En dat moeten wij léren zien! Wij kunnen dat niet meteen. Vaak kan dat pas achteraf. Als we terugkijken in ons leven: dan zien we soms hóe God ons leven heeft gestuurd.
Maar ook als we het niet meteen doorhebben, dan moeten we wel steeds weer kijken en onze ogen schérpen in het onderscheiden van Góds werk in dit leven. Oftewel: we zijn een leven lang bezig met: léren kijken.
Dat is ook geloven: léren zien hóe God werkt.
Ons leven bestaat niet uit mee- en tegenvallers: geluk en ongeluk op zich. Nee, ons leven wordt gedragen door God. Hij regeert. En Hij toont zijn hart. Vaker dan wij wel denken.

3. Hij geeft vrede

En dan nu het derde punt. De HERE toont zijn hart aan Joachaz, koning in Israël. Want Hij geeft vrede.
Israël wist zich onder het juk van Aram uit te wurmen. Want God gaf een verlosser. "En de Israëlieten konden in hun tenten wonen als tevoren" (slot van vers 5).
"Tenten" betekent hier gewoon: 'huizen'. Iedereen kon rustig wonen op z'n eigen stekkie, in z'n eigen huis, met z'n eigen erf. In alle rúst.
Je hoeft niet continu alert te zijn op een inval van de bezettende macht. Maar je kunt rústig ademhalen. Adem schéppen. In vréde: het is een beetje het beeld van zitten op een bankje voor je huis op een mooie zomeravond. Rúst! En onderschat niet hoe belangrijk dat is.
Misschien dat sommigen (jongelui misschien?) nu zeggen: 'mens, wat saai! Daar is toch niks aan, als alles zo rustig toegaat?! Een beetje spanning is juist lekker!'
Ja, dat kan, maar als spanning té hoog oploopt of te lang aanwezig is, dan kan het onrust worden. Onrust van bínnen!
Is dat ook niet in een bepaald opzicht de kwaal van deze tijd? Dat we zo jágen? Het is aldoor maar: druk, druk, druk. Met het werk, en soms lijkt het met onze ontspanning ook die kant uit te gaan. Is veel ontspanning ook niet erg gejáágd? Bij jeugd: je moet uitgaan en dan moet het vooral tot ver in de nacht. Wat doe je dan? Ontspannen of ínspannen en jezelf úitputten? Ik vraag maar. Maar voor ouderen geldt dit net zo goed. De hele week hard werken en in het weekend móet er dan ook nog weer van alles: verjaardagen en andere contacten. En hoe láát wordt het dan? Een uurtje doorbrengen in echte stílte lijkt wel bijna onmogelijk geworden...
Als het leven structureel onrustig wordt, is er geen vrede, maar dan ook geen te-vreden-heid!

Alleen als God ingrijpt ten goede, dán krijg je rust: 'van bínnen'.
En het is gebeurd, toen in Israël. Onder Joas, maar vooral onder zijn zoon Jerobeam II. Dat is wel de "gouden eeuw" van Israël genoemd. En ook dáárin toonde de HERE zijn hart: Hij gaf deze voorspoed, opdat Israël toch vooral Hém zou zoeken en Hém zou danken. Mensen, dit krijg je van Gód. Vergeet Hem dan niet: Hij heeft je verlost. En alleen Hij kan je bij die vrijheid bewaren. Dat was de boodschap voor Israël. Als verhoring op het gebed van hun koning.

Maar voor ons geldt dat nog veel meer natuurlijk.
Want wíj hebben een Koning die continu voor óns pleit bij God. Die God vermurwt, zodat zijn gezicht weer zácht wordt. En Hij met liefde voor ons zorgt.
Het is die Koning die, toen Hij voor Zichzélf bad, géén gehoor vond. Maar die daarom nú wel gehoor vindt. Altijd en zeker! Onze Heer Jezus Christus. En wie bij Hem blijft, die vindt uiteindelijk een rust die het leven in evenwicht brengt én houdt. Die vindt een vrede die óns verstand te boven gaat, maar die wel werkelijkheid is. Het is een vrede die wíj niet kunnen 'maken', maar die we wel mogen ervaren, als we Hem zoeken. Want wie zoekt víndt.

God toonde zijn hart aan Joachaz.
Maar Hij doet dat nog, elke dag, aan ieder die Hem zoekt en alles van Hem verwacht. En laten we nooit te klein denken van de grootheid van dat hart van God. En laten we nooit te klein denken van Gods geduld. Hij hééft het laten zien (onze tekst bewijst het).
Ook aan dat deel van zijn volk, dat al meer dan 100 jaar bezig was Hem te tergen en kwaad te maken en verdriet te doen. Hij bleef komen. Veel en veel langer, dan wíj het zouden hebben volgehouden.
Zíj hebben het niet willen begrijpen, zodat ze ten slotte toch verworpen werden. Maar -en houd dát vast!- dat ging niet meteen en het ging niet zomaar.

En wíj horen dat vandaag. Niet om hen te verketteren, maar om zelf opgescherpt te worden en gesterkt met nieuwe moed vérder te gaan op ónze weg. Want het hart van onze God is zó groot, dat al onze angsten en moeiten en onrust en benauwdheden erin verdwijnen...

Amen.


Eventuele gebedspunten

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar