Profetie (Deel 4: Dooft de Geest niet uit)

Thema: Dooft de Geest niet uit
Tekst: 1 Tessalonicenzen 5: 19-22
Tekstgedeelte(n): Handelingen 17: 1-11
1 Tessalonicenzen 1: 2-5
1 Tessalonicenzen 2: 13-16
1 Tessalonicenzen 5: 12-15
Door: Ds. Th.J. Havinga (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zuidlaren)
Gehouden te: Zuidlaren-Oost op 1 december 2003; Zuidlaren-West op 9 november 2003
Opmerking ThJH: De delen uit de prekenserie over Profetie kunnen in serie gelezen worden, maar ook als losse preken. De prekenserie bestaat uit:
1: Profetie 1 - Cadeaus in de kerk
2: Profetie 2 - Klein Pinksteren in de woestijn
3: Profetie 3 - God is in uw midden
4: Profetie 4 - Dooft de Geest niet uit
Extra: Inleiding op de prekenserie: Profetie.
Benodigd: Waxinelichtje + lucifers

Aanwijzingen voor de Liturgie

Votum en zegengroet
Lied 240
(Morgendienst: Wet)
(Morgendienst: Gez. 5: 3)
Lezen: Handelingen 17: 1-11; 1 Tessalonicenzen 1: 2-5; 1 Tessalonicenzen 2: 13-16; 1 Tessalonicenzen 5: 12-15
Ps. 119: 1, 7, 30, 40 (na elke schriftlezing één couplet)
Tekst: 1 Tessalonicenzen 5: 19-22
Ps. 147: 7
Preek
Ps. 12: 7
(Middagdienst: Geloofsbelijdenis)
(Middagdienst: Ps. 27: 7)
Gez. 34: 1, 4
Zegen

Broeders en zusters, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Ik heb een waxinelichtje meegenomen. Die ga ik nu aandoen. Dan brandt het. Vroeger kreeg men zo licht in huis. Met vuur. Ook in de tijd van de Bijbel. En dat vuur is in de Bijbel een beeld van Gods Geest, die werkt met zijn Woord. In het boek Samuël lees ik voordat God zijn profeet Samuël roept: het woord van God is schaars in die tijd. Er zijn niet veel visioenen. God maakt zich nauwelijks bekend. En meteen daarna staat: de lamp van God was nog niet uitgegaan. Dat betekent daar 2 dingen: het is avond, maar de lamp brandt nog. De kaars is nog niet gedoofd. En tegelijk: het is nog niet zo dat God Zich helemaal niet meer bekend maakt.
Goed, wat kun je doen met een waxinelichtje. Twee dingen. Je kunt het laten branden. Je kunt vuur zelfs aanwakkeren. Denk aan een brandend bos. Je kunt het vuur ook doven. Uitblazen. Er een vuurdover overheen doen.

Nu zegt onze tekst dat je dat ook kunt doen met Gods Geest. Hij is immers als een vuur. [ Denk aan de preek van Numeri 11 een tijdje terug. De brand aan de rand van de legerplaats in de woestijn. ] De vraag is: hoe kun je dat doen? Wat bedoelt de apostel in onze tekst. Dat willen we vandaag zien.

Eerst gaan we eens even kijken naar die kerk in Tessalonica. We bladeren terug in de brief. En we kijken naar Handelingen 17. De tweede zendingsreis van Paulus. Paulus preekt in die stad enkele zondagen in de Joodse synagoge. Sommigen gaan geloven. Anderen keren zich af. Er komt een rel in de stad. Paulus moet vluchten. Hij gaat naar Berea. Korte tijd later (ongeveer een half jaar) schrijft Paulus onze brief. Paulus ging wel weg, maar Gods Geest bleef. En het Woord bleef. Er groeit een kerk. Paulus heeft ervan gehoord. Via Timoteüs, Handelingen 17: 15, Handelingen 18: 5, 1 Tessalonicenzen 3: 6. En in deze brief kijkt Paulus terug. Hij schrijft: 'ik heb gepreekt bij jullie. En weet je wat dat inhoudt? De boodschap kwam niet alleen maar in woorden naar jullie toe. Maar in kracht en in de heilige Geest en in grote volheid, 1 Tessalonicenzen 1: 5. Wij preekten u Gods Woord, 1 Tessalonicenzen 2: 13. En u nam het aan niet als een mensenwoord, maar als Gods Woord.'

Gemeente, en naar dit begin van de brief wijst Paulus terug als hij bijna aan het eind van zijn brief is (zoals de Bijbel het veel vaker doet: begin en eind gekoppeld aan elkaar. De cirkel is rond). Gods Geest. Daar had hij het over. In relatie tot zijn eigen prediking. Hoe is het gegaan in Tessalonica, toen Paulus de stad uit moest? U weet, overal stelde Paulus oudsten aan. Maar in Tessalonica is hij daar nog niet aan toegekomen. Maar nu heeft God ervoor gezorgd, dat er best wel mensen kwamen, die leiding gingen geven. 1 Tessalonicenzen 5: 12. Wat doen die mensen? We weten er niet zoveel van, maar wel iets. Ze werken in de kerk, vers 13. Ze gebruiken hun gaven in dienst van de opbouw van de gemeente. Ze wijzen anderen de weg. Gods wil. De weg die de Geest wijst. Soms moeten ze anderen daarom vermanen, vers 12. Dingen waarover ook 1 Korintiërs 14 het heeft: vermanen, vertroosten, bemoedigen. Concreet: ze zeggen tegen de mensen. We hebben gehoord wat Paulus, de apostel ons heeft geleerd. En daar moeten we bij blijven. Ondanks de moeiten, die de Joden ons aandoen.

Kijk, en in dat verband geeft Paulus nu de opdracht: dooft de Geest niet uit. Blijkbaar is dat nodig om dat te zeggen in Tessalonica. Er zijn mensen, die het onderwijs van Paulus (Gods Woord) en de terechtwijzing, die de mensen uit vers 12 geven, naast zich neerleggen. En Paulus tilt dat uit boven het niveau van: het is maar een mening. Nee, hij koppelt het aan Gods Geest. Gods Geest maakt immers bekend wie de Here Jezus is. Hij doet ons delen in Hem. In wat Hij deed en doet. Hij wijst de weg aan u. Hij komt als een vuur naar ons toe. Zijn vuur brandt in de gemeente, Handelingen 2. Of je dat nu ziet of niet. En wilt zien of niet wilt zien. In Tessalonica waren er blijkbaar mensen, die dat niet wilden. Net als in Israël in de dagen van Samuël. De dienst in Silo ging door. Maar men maakte het los van de Here. Men koos eigenwillige wegen. Het vuur van Gods Geest was bijna gedoofd. Tot God zijn profeet Samuël gaf. Die aan het werk ging met Gods Woord: de lamp voor onze voet, Psalm 119. Het Woord van de Here Jezus: de enige naam onder de hemel door wie we gered worden.

En weet u wat Hij heeft gezegd? En dan kom ik bij het woord 'doven', 'uitdoven'. Dat woord komt niet zo vaak voor in de Bijbel. Maar heel opvallend zegt de Here Jezus daar iets over en dan wordt dat betrokken op Gods Geest. Jesaja heeft er al van geprofeteerd. Gods Geest is op Gods knecht, de Here Jezus. Hij zal het waxinelichtje, dat bijna uitgaat, niet doven. We wachten, zegt Jesaja, op zijn onderwijs. En dan komt de Here Jezus. En dan zegt Hij: kijk, dát heeft Jesaja nu van Mij gezegd. Matteüs 12: 15-21. En meteen daarna het verhaal over Beëlzebul. Satan, die het werk van de Here Jezus kapot wil maken. Waar Gods Geest werkt, wordt satan opeens heel actief. En hij kan zich ook voordoen als een engel van het licht. Paulus schrijft daar over in de tweede brief aan deze gemeente. 1 Tessalonicenzen 2: 2. Dan komen er rare ideeën over de wederkomst van de Here Jezus. En dan zegt Paulus: denk erom dat u niet heen- en weer geslingerd wordt. Door een geest of door een woord of door een brief, die ik zou hebben geschreven. Vers 15: houdt u aan wat ik, Paulus, u heb geleerd. Mondeling of schriftelijk.

En datzelfde woord (uitdoven), dat citaat uit Jesaja 42, vinden we weer in Handelingen 13: 44-49: het vuur van Gods Geest, het Licht van de Here Jezus, brandt en schijnt in de heidense wereld. En wat zegt Paulus dan? Hoe schijnt het? En dan ziet u de link met de brief aan de Tessalonicenzen: het woord wordt gepreekt. Het woord van de Here Jezus breidt zich uit in de hele streek. Door Gods Geest. Ondanks de tegenstand van de Joden.

Kijk, geliefden, en dat is nu de profetie in de kerk. 1 Tessalonicenzen is er duidelijk over. Dat betekent voor ons vandaag dat we die profetie moeten verbinden aan de verkondiging van het Woord in de gemeente. En die komt op veel manieren naar u toe. Heel concreet: de preken, die u elke zondag hoort. U mag het best profetie noemen. U kunt het ook op andere manieren benoemen. De Bijbel geeft heel wat aanduidingen. Het profetische Woord wordt uitgedeeld. Mensen met hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden proberen u de weg te wijzen van de Here Jezus. Van Gods Geest. En dat woord wordt u verkondigd in de huizen: vermanen, bemoedigend, vertroostend enz., enz, 1 Korintiërs 14. En dat woord krijgen de catechisanten te horen. Door de catecheten. En met dat woord mag u elkaar bemoedigen en vermanen en vertroosten, vlak voor onze tekst.

Wat doe je dan als je dat (zoals blijkbaar in de kerk in Tessalonica gebeurde) als mensenwoord naast je neerlegt? Bijvoorbeeld een preek, die Gods Woord naar u toebrengt. "O, dat vindt u. Ik denk er heel anders over. Die preken in de kerk, het stelt allemaal niks voor." Nee, niet als de dominee er een potje van maakt. En zijn eigen meningen op de preekstoel gaat brengen. Op dat punt mag u zijn preken en heel zijn werk toetsen. Daar zegt onze tekst ook iets over. Ik kom daar nog op. Maar nu eerst de andere kant. Als u moet erkennen: dit is de boodschap van God, die hier gepreekt wordt, dan mag u het dus niet naast je neerleggen. Want dan, zegt de apostel, ben je bezig de Geest uit te doven. Dat kan. En ik ben bang dat het vaker gebeurt dan we denken. Ik zie het in de gemeente. Hoe mensen omgaan met de boodschap van de Bijbel. Op allerlei manieren gebracht in de kerk. Op vermaanbezoeken of op kansel. Uiteindelijk dezelfde boodschap. Met alle gemak van de wereld onttrekken we ons eraan. Om een voorbeeld te noemen. Als in naam van de Here gezegd wordt dat we trouw moeten zijn op het punt van de kerkgang (Hebreeën 10: 23-25), dan lijkt dat tegenwoordig wel aan dovemansoren gezegd. Beseft u dat u als u zulk bijbels onderwijs naast u neerlegt, dat u dan bezig bent de Geest te doven? In uw eigen leven. Ik ben het vaak tegengekomen - dat het begon op het punt van kerkgang. Dat even daarna de Bijbel thuis gesloten bleef. En het gebed verschraalde. En het liep uiteindelijk uit op een onttrekking. Soms bij de volgende generatie.

Als u dat doet, bent u dus bezig de Geest uit te doven. Paulus noemt dat het verachten van profetieën. Er staat een woord dat letterlijk betekent: iets alsof het niets is aan de kant leggen. De steen, de Here Jezus, door de bouwers aan de kant gelegd. Onbruikbaar. Geminacht. Voor kennis aangenomen, maar er niks mee gedaan. En daar is de profetie in de kerk te belangrijk voor. Immers, wat zegt de Bijbel daarover? Efeziërs 2: 20: de Here Jezus is de hoeksteen van de kerk. Gods woonplaats in de Geest, vers 22. En die kerk wordt gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Dat wil zeggen: de leer van de apostelen is de basis. En profeten bouwen voort op die basis. Passen die leer praktisch toe op de situatie. Dat was het werk van profeten in het Nieuwe Testament. En die hadden in Tessalonica blijkbaar geen hoog aanzien. En daarom zegt Paulus: denk erom: doe niet alsof hun werk niets is. Het hoort immers bij het fundament van de gemeente. De boodschap van de Here Jezus wordt uitgewerkt en toegepast.

Hoe moet je daar dan mee omgaan? Toetsen, zegt Paulus. Toets alles, behoudt het goede en houdt u af van het kwade. De twee laatsten zijn een uitwerking van het eerste. Toets alles. Weet u wat dat is? Dat is wat de mensen in Berea deden. Paulus vluchtte daarheen, toen hij weg moest uit Tessalonica, Handelingen 17: 11. Paulus preekte daar. Maar de mensen namen niet alles zo maar meteen voor zoete koek aan. Nee, ze deden hun Bijbeltje open. Het Oude Testament. Om na te gaan, te beoordelen, of wat Paulus preekte waar was. Alles toetsen is dus niet alles uitproberen, zoals wij er wel eens van maken. Nee, het is: alles keuren. Johannes noemt dat: de geesten beproeven (1 Johannes 4: 1): vertrouw niet iedere geest, maar beproef de geesten of ze uit God zijn. Want veel valse profeten zijn in de wereld uitgegaan. Dat deden ze dus in Berea. Ze wilden weten of die Paulus een valse profeet was. Of dat hij Gods Woord preekte.

En zo mag u vandaag alles wat op u afkomt aan leer, aan preken, aan boodschappen, toetsen. Keur het maar. Vraag u maar af bij deze preek. Is die naar Gods Woord of niet. En doe dat elke zondag maar. Het is niet waar alleen vanwege het feit dat de dominee het zegt. Of een invloedrijke professor. U hebt zelf Gods Geest gekregen. Om te toetsen. Aan dat ene criterium: de leer van de apostelen. De Bijbel. En zo moet u doen met alles wat op u afkomt. En dat is veel. Ook in de christelijke wereld. Maar denk erom. Wat er gezegd wordt, moet wel onder die ene klem staan: dit is wat God zegt. Niet: zo voel ik het aan. Ik denk dat het zo is. Dat is geen profetie. Let maar eens op Paulus in deze brief. Als hij het heeft over zaken van het zevende gebod, dan zegt hij: dit wil God. Dat is profetie in de Bijbel. Zo zegt de Here. Als het anders is, verdient het niet de naam profetie. Dan is het hoogstens een bemoediging of een gedachte, die iemand zou kunnen hebben. Prima natuurlijk, maar noem het wat het is. Een profetie kan wel bemoedigend zijn. Maar elke bemoediging is geen profetie.

Wat doe je als je getoetst hebt. Paulus noemt twee dingen. De positieve kant en de negatieve kant: a. Behoudt het goede. En b. onthoud je van alle soort van kwaad. Denk erom: dit is dus het gevolg van uw toetsen van de dingen. Van alles. Laten we maar eens kijken wat dat betekent:

Het goede behouden. Het is opvallend dat dat woord vaak voorkomt in de Bijbel als het gaat om het vasthouden van Gods Woord. Eigenlijk geen wonder. Want profeteren is immers Gods Woord doorgeven. Als de Here Jezus de gelijkenis van de zaaier vertelt, dan zegt hij: het zaad valt in goede aarde als mensen met een goed en vroom hart het woord horen, dat vasthouden en vrucht dragen. Vasthouden. Hetzelfde woord (Lucas 8: 15). En in 1 Korintiërs: als het gaat om de opstanding, zegt Paulus: dat gepreekte woord over de opstanding, die overlevering, moet u vasthouden (1 Korintiërs 15: 1). En in Hebreeën 3 lezen we (en dan gaat het ook weer over het woord door Mozes en de Here Jezus gesproken): hou daaraan vrijmoedig vast. Doe niet als Israël: ze hoorden Gods stem, maar deden er niet naar, vers 16.

Met andere woorden: u wakkert de Geest aan, u dooft Hem niet uit, u toetst de profetie als u net als de mensen in Berea Gods Woord vasthoudt en daarin volhoudt.

En daartegenover: u dooft de Geest uit als u, zoals in Tessalonica blijkbaar dreigde te gebeuren, de profetie niet toetst, de geesten niet beproeft. U niet afhoudt van alle soort van kwaad. Een woord dat eigenlijk betekent: het stelt niks voor. Wat van Paulus' preken werd gezegd gaat juist op voor het kwaad. En ik betrek dat vanuit het verband van onze tekst op valse profetie. Dat is namelijk het onderwerp waar Paulus het over heeft. In Tessalonica zou dat betekenen dat ze Paulus brief naast zich neerleggen. Ook wat hij zegt over het zevende gebod. En de heiliging die God wil. En dat ze de wargeesten, die rare ideeën hebben over de wederkomst zouden volgen.

Weet u hoe Paulus dat in een andere brief noemt? Efeziërs 6 (een gedeelte dat wel wat lijkt op wat hij hier schrijft): u hebt het nodig om stand te houden tegenover de methode van de duivel. De vader van het kwaad in onze tekst. U hebt immers niet maar te maken met vlees en bloed, maar met boze geesten. Ook de auteurs van allerlei wind van leer. Weet u hoe u in die strijd vol kunt houden? Pak het zwaard van de Geest. Gods Woord. Gebruik dat in de strijd tegen de boze. En tegen alle soort van kwaad. En bidt in de Geest dat dat woord verder gaat, vers 18.

Geliefden, ik denk dat er werk aan de winkel is. God werkt in uw midden met zijn Geest, de Geest van de profetie. Gelukkig maar. Dat moet nu wel gevolgen hebben voor u. in uw omgang met Gods Woord, het zwaard van de Geest. In uw omgang met de profetie, de prediking van Gods Woord, op het fundament van de Bijbel (apostelen en profeten), de omgang met allerlei wind van leer. Net als in Tessalonica zijn wij er niet immuun voor. Wat voor gekke dingen je soms kunt horen. En vaak zonder een goede bijbelse basis. Ik zou zeggen; doe als de mensen in Berea. Toets wat u hoort. Deze preek. En alles wat op u afkomt. En dat is echt wat anders dan: lever je overal blindelings aan over. U hebt toch Gods Geest gekregen? Die u in de waarheid wil leiden. Bidt dat Hij u steeds meer licht geeft. Het licht van Gods Woord. Dan dooft u de Geest niet uit. Dan doet u zijn Woord open. Dan wakkert u Hem aan. En dat is goed voor uzelf. En voor de gemeente. Ik hoop dat we zo samen bezig blijven. Dit zwaard te hanteren. Ieder met zijn gaven. Tot opbouw van de gemeente hier.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar