1 Samuël 1-7 (Deel 4: Bekering geeft toekomst)

Thema: Bekering geeft toekomst
Tekst: 1 Samuël 7: 2-4
Tekstgedeelte(n):

1 Samuël 6: 10-7: 1
1 Samuël 7: 2-4

Door: Ds. Th.J. Havinga (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Zuidlaren)
Gehouden te:

Loppersum-Westeremden op 16 juli 2000

Opmerking RJCV:

De delen van de prekenserie 1 Samuël 1-7 kunnen afzonderlijk van elkaar gelezen worden. De prekenserie bestaat uit:
1: 1Sa01v11 - Bidden in oorlogstijd
2: 1Sa03v01 - God gaat weer spreken in de kerk
3: 1Sa04v01b - Is God altijd met ons?
4: 1Sa07v02 - Bekering geeft toekomst
5: 1Sa07v12 - Eben-Haëzer: de steen die omhoog wijst

Extra: Inleiding op de prekenserie: 1Samuël 1-7.

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen:
1 Samuël 6: 10-7: 1
Tekst: 1 Samuël 7: 2-4

Zingen:
Gez. 39: 1-2, 6
Gez. 17: 1, 3
Ps. 115: 1, 5-6
Lied 444
Gez. 40

Gebed

Aanbidding:
God van genade. God die roept tot leven, bekering, leven in Christus.
Dankzegging kerkdienst: plek waar we horen, zingen, belijden, Bijbel lezen. gebed om hulp bij de dienst.
Schuldbelijdenis: erkenning van schuld en gebed om vergeving en bekering.

Voorbede:
Zieken.
Eenzamen.

Preek

Broeders en zusters, gemeente van onze Here Jezus Christus,

Nog even en heel veel mensen gaan weer op vakantie. Een paar weken eruit. De één gaat ergens in Nederland vakantie houden. Op een camping. Of op het water. De ander zoekt het verder weg. In het buitenland. Stel u voor, dat u op vakantie gaat naar Spanje. Voor het eerst. U bent er nog nooit eerder geweest. U kent de weg erheen dus ook niet. Goed, u gaat op weg. De auto volgepakt. Een caravan erachter. Rijden maar. Maar ergens in Frankrijk gaat het mis. U hebt een afslag gemist. Eerst merkt u het niet eens. Maar opeens ontdekt u dat u op de verkeerde weg zit. Wat doet u dan? Nou, als u verder gaat op die weg, waar komt u dan uit? In elk geval niet op de plek waar u moet zijn. Waar u uw vakantie wilt houden. U komt dan ergens waar u niet wilt zijn. U komt verkeerd uit. Wat moet u dan doen? Wel, u moet terug. Naar dat punt waar u verkeerd bent gereden. Waar u de afslag hebt gemist. En dan moet u de goede weg nemen. Als u dat doet, komt u in Spanje. Op de plaats waar u vakantie wilt houden.

Broeders en zusters, het gaat vandaag in de preek natuurlijk niet over een vakantie in Spanje. Maar toch heeft het er wel wat mee te maken. Want het gaat wel over een goede en een verkeerde weg. Immers, wat er met een vakantieganger kan gebeuren, kan ook voorkomen in ons leven met God. Namelijk dat we op de verkeerde weg zitten. Helaas komt dat voor. Ook bij kerkmensen. Bij kinderen van God. We kunnen zomaar op een verkeerde weg zitten. Een zondige weg. Dan zijn we net als iemand die op vakantie gaat. Maar de goede weg kwijtraakt. Kijk, zo moet u vandaag maar naar de preek luisteren. Met in uw achterhoofd de vraag: hoe gaat het eigenlijk met mij? Heel persoonlijk. In mijn leven met de Here. Als kind van God. Als ik naar mijn leven van elke dag kijk, wat moet ik dan concluderen? Zijn er misschien dingen in mijn leven die de relatie tussen de Here en mij verstoren? Is er zonde in mijn leven, die de verhouding met God kapot maakt? Hoe leef ik voor God? Ga ik op de goede weg? Of moet ik tegen mezelf zeggen: het is niet goed zoals ik leef voor God. Nou, die vraag moeten we allemaal maar eens stellen vandaag. Ieder aan zichzelf. U. Ik. En jullie, jongelui. Ja, en dat kan ook. U kunt er voor uzelf best een antwoord op geven. Dat is helemaal niet moeilijk. U kent uzelf toch? En waar het dan om gaat is dit: wat doe je als je tot de conclusie moet komen: het zit niet goed tussen de Here en mij. Er zijn dingen in mijn leven, die tussen God en mij instaan. Zonden. Wat moet je dan doen? Nou, wat doet een vakantieganger als hij fout is gereden? Hij gaat terug. Omkeren geblazen. En daarna neemt hij de goede weg. Weet u hoe we dat noemen in het leven met de Here? Je bekeren. Daar gaat het over in 1 Samuël 7.

Gemeente, laten we maar eens kijken naar de situatie in het begin van dit hoofdstuk. Hoe staat het er voor met de kerk? Met Gods volk? Met Israël? Goed? Nee hoor. Een kind kan het zien. Het staat er ronduit slecht voor. Ja, dat komt meteen al naar voren in die eerste woorden van onze tekst. Daar gaat het over de ark. U weet nog wat de ark is, nietwaar? De ark is de troon van God. Het is het teken dat God bij Zijn volk wil zijn. Maar moet u eens kijken waar de ark is. Is hij in Silo? In de tabernakel? In het huis van God? Waar hij hoort? Nee hoor. De ark is in Kirjat-Jearim. Een dorpje elders in Israël. Hoe komt Gods troon daar terecht? Wel, kijk maar even terug. Naar de lange tocht die de ark heeft gemaakt. Dan komt u er achter hoe het er voorstaat met Gods volk. U weet het nog wel: 1 Samuël 4: de ark wordt uit Silo gehaald. Naar het slagveld toe. God zal dan wel helpen in de strijd tegen de Filistijnen. Maar wat gebeurt er? God helpt helemaal niet. De vijanden veroveren de ark. En ze brengen de ark naar hun eigen land. En dan begint een zwerftocht van de ark door het land van de Filistijnen. Want de ark brengt hen alleen maar ongeluk. God slaat de Filistijnen. En uiteindelijk sturen ze de ark terug naar Israël. Weg met die ark. Het is veel te gevaarlijk om de ark bij ons te hebben. We willen die ark van Israëls God hier niet meer houden. Terug ermee. Met dat gevaarlijke ding. En daar gaat de ark. Terug naar Israël. Maar wat gebeurt daar? In Beth-Semes? Waar de ark terecht komt? Een slachting. 70 doden. Verschrikkelijk. En de reactie van de mensen: wie kan bestaan voor de Here, de heilige God. Dichtbij de ark zijn is blijkbaar levensgevaarlijk. Daarom: weg met die ark. Opbergen dat gevaarlijke ding. Kijk, en daarom gaat de ark naar Kirjat-Jearim. Ik kan het wel zo zeggen: de ark, de troon van God, wordt netjes opgeborgen. Zodat ie geen kwaad meer kan doen. Men is doodsbang geworden na het drama in Beth-Semes.

Kijk, broeders en zusters, dat is het eerste wat opvalt in onze tekst. De ark is in Kirjat-jearim. Dat wil zeggen: de ark verdwijnt een poosje van het toneel. Een poosje? Een hele lange tijd. En dat omdat de mensen denken: als ie weg is, kunnen we ons er ook niet aan branden. Nou, dat typeert de situatie in die tijd. Eigenlijk kan ik het wel zo zeggen: de mensen in Israël proberen God een tijd lang op te bergen. De ark laat immers zien dat God wil wonen bij Zijn volk. Maar dat is veel te gevaarlijk. Daarom: weg ermee. Opbergen op een veilige plek.

Weet u waar me dat aan doet denken? Aan iemand die uit angst voor God de Bijbel maar dichtlaat. En niet naar de kerk gaat. Hij weet: de Bijbel is Gods Woord. Daar moet je niet mee spotten. Je kunt je aan God branden. Aan Zijn toorn over de zonde. Nou, dan moet je zorgen dat je God ver bij je vandaan houdt. Dan kunnen er ook geen ongelukken gebeuren. Alsof dat zou kunnen. Maar zo denkt Israël in die tijd: zorg ervoor dat de ark geen kwaad kan doen. Zorg ervoor dat God geen kwaad kan doen. Daarom de ark zover mogelijk uit de buurt houden.

En verder? Hoe staat het ervoor met Gods kinderen? Kijk maar wat er staat in onze tekst. Er wordt gesproken over vreemde goden en Astartes, ook een afgod. Ja, ja, in de kerk worden afgoden gediend. Over de hele linie. Weet u het nog: ieder doet wat goed is in zijn ogen. Er is nog niks veranderd. Wat betekent dat? Is God helemaal aan de kant geschoven? Denken ze alleen nog maar aan die vreemde goden? Aan die Astartes? O nee, hoor. Natuurlijk niet. God heeft ook wel een plekje in het leven van Israël. Ze zijn toch Gods volk. Ze zetten God niet helemaal op een zijspoor. Natuurlijk niet. Dat doe je niet als kerkmensen. Ja, de ark, die moet maar een beetje uit de buurt blijven. Maar verder heeft God best wel een plaatsje in hun leven hoor. Ze brengen echt nog wel offers aan God. En ze bidden ook nog wel. Maar tegelijk: in elk huis is wel een vreemde god. En een Astarte. Want die kunnen ook wel wat. Als je vooruit wilt gaan in je leven, daar moet je bij die goden zijn. Die kunnen je wel helpen. Die zorgen ervoor dat je vooruit komt in je leven.

Weet u, gemeente, waar me dat aan doet denken? Aan iemand die op zondag wel naar de kerk gaat. En hij leest nog wel geregeld uit de Bijbel. En hij bidt nog wel. Maar voor de rest verwacht hij het niet van de Here. Maar van andere dingen. Van eigen inspanning. Of van de moderne afgoden van deze tijd. Hij heeft zijn hart netjes verdeeld. Fifty-fifty: God een plekje. Voor de helft. En andere goden hun plek. God moet een deel van Zijn plaats afstaan aan andere goden. Niet helemaal, natuurlijk. Je bent toch christen. Kerklid. Maar wel voor een deel. Het is net als met een man, die er twee vrouwen op nahoudt. Allebei een deel van zijn leven. Hij leeft met een gedeeld hart.

Kijk, geliefden, zo staat het ervoor met de kerk in 1 Samuël 7. Niet maar met een enkeling. Maar met iedereen. Samengevat: men wil het gevaar buiten de deur houden. De ark opgeborgen. En God moet Zijn plaats delen met andere goden. Weet u nog hoe we naar de preek moeten luisteren? Is het met u of met jou of met mij misschien ook zo in ons leven met de Here? Moet God het doen met een deel van ons hart? Stel uzelf die vraag maar eens.

Broeders en zusters, doen ze in Israël dan niks met God? Jawel hoor. Kijk maar. Het hele huis van Israël achtervolgt de Here met zijn klachten, lezen we. Waarom? Wel, het gaat ook uiterlijk gezien niet goed met Israël. De Filistijnen zijn de baas. Al heel lang. Wat een ellende. En de mensen weten het best: daar heeft God wel wat mee te maken. We moeten bij God zijn met onze klachten. Want ze weten best dat God daar iets aan kan doen. Daarom zoeken ze God op met hun klacht.

Nou, daar zit best iets moois in. Als het slecht gaat in je leven, moet je bij God zijn. Hij is het goede adres. Dat is waar. Dat is het positieve in het klagen van Israël. Maar toch moet ik meer zeggen: want de Here achtervolgen met klachten is iets anders dan Hem dienen met heel je hart. Immers, waarom gaat het niet goed met Israël? Wat is de oorzaak van de ellende? Waarom zijn de Filistijnen de baas in het land? Wel, dat komt juist omdat Israël God is vergeten. Omdat ze Hem niet met heel hun hart dienen. Omdat ze er naast God afgoden op nahouden. Omdat ieder doet wat goed is in zijn ogen.

Broeders en zusters, laten we ons dat maar voor gezegd houden. Wat gebeurt er als u of ik de Here vergeet? Als bepaalde zonden in ons leven de baas worden? Wat gebeurt er als er iets tussen God en u instaat? Een concrete zonde? In 1 Samuël 7 zonde tegen het eerste gebod. Afgoderij. Maar het kan ook een andere zonde zijn. Wel, dat kan heel veel narigheid in je leven veroorzaken. Denk erom: dat moet u niet omdraaien. U moet niet zeggen: ik heb met tegenspoed te maken in mijn leven. Dat zal dan wel komen door een bepaalde zonde. Nee, zo is het niet. Denk maar aan Job. Hij werd wel beproefd, maar dat kwam niet door een zonde. Maar andersom is wel waar: als u in zonde leeft, dan moet u niet verbaasd kijken als het niet goed gaat in uw leven. In heel gewone dingen. Als u de Here vergeet of op een bepaald niet met Hem rekent, dan loopt het wel spaak in uw leven. Als u een weg gaat, die God niet goed vindt, dan kunt u maar één ding verwachten: dat het misgaat in uw leven. Dan komt u God tegen. Ik wil u dat met klem voorhouden. En ook mijzelf. En ook jullie, jongelui. Op de weg van de zonde kom je echt niet goed uit. Daar is de Bijbel vol van. Denk maar aan koning David. Toen hij overspel pleegde met Batseba, liep hij helemaal vast. En dat zie je ook in onze tekst: Israël vergeet God, dient afgoden. En de Filistijnen zijn de baas. Geen wonder. Op zonde kun je geen zegen verwachten.

En intussen klagen ze tegen God. Ze achtervolgen God met hun klachten. Het is net als een klein kind. Het loopt de hele dag achter zijn moeder aan. Met zijn vragen. Prima dat ze naar God gaan. Maar tegelijk moeten we zeggen: ze hadden eerst naar hun eigen gedrag moeten kijken. Niet klagen over hun situatie, maar over hun zonde. De oorzaak van de ellende.

En God? God lijkt Zich wel doof te houden. 20 jaar lang. God laat Israël eerst maar eens aan zijn lot over. De Filistijnen. Het lijkt wel of God niet hoort.

Broeders en zusters, dat kan! God kan een mens aan zijn lot overlaten. Als u in zonde leeft, moet u er niet op rekenen dat God u wel helpt als u Hem erom vraagt. Nee, God kan iemand ook loslaten. Dat is heel griezelig, maar wel waar. Als u God loslaat, kan het zover komen dat God u loslaat. Als de zonde u gaat regeren, kan God u laten stikken in uw zonde. Dan komt het nooit meer goed. Is dat wat er gebeurt in onze tekst? Israël klaagt en God antwoordt niet?

Nee, gelukkig niet. God zoekt Zijn volk op. Waar u dat aan kunt zien? Wel, aan de naam Samuël. Er is een profeet in Israël. God spreekt via hem. God heeft de deur naar Zijn volk nog niet dichtgegooid. Nee, Hij is juist bezig een nieuw begin te maken. Kijk, geliefden, dat is nou genade. Genade. Inderdaad. God zou de deur kunnen dichtslaan. In 1 Samuël 7: u dient afgoden. Goed, dan houdt het op. Zoek het maar uit. Ik wil nooit meer iets met u te maken hebben. Ik ga met een enkeling verder. Dan zou God ook wel Zijn doel bereiken: de komst van Christus. Maar God doet het niet. Dat is genade. Hij stuurt Samuël.

Gemeente, beseft u dat goed? God kan de deur dichtdoen, als u of ik de zonde de baas laat zijn in ons leven. Het is genade als Hij het niet doet. Als Hij u de goede weg wijst. En gelukkig doet God dat. Hij klopt bij u op de deur. Op de deur van uw hart. Hij wil binnenkomen. Gelukkig maar. Anders was er weinig hoop voor ons.

Kijk maar wat er gebeurt in onze tekst: God stuurt Samuël. En wat zegt die? Mensen, jullie kunnen wel klagen over je situatie. Maar u moet iets anders doen: bekeer u. Net als een auto met vakantiegangers, die fout is gereden. Omkeren. En de goede weg nemen. Dat moet Israël doen: mensen, u moet terug. Naar God. U omkeren. U bekeren. Ja, geliefden, dat is de enige weg als er zonde is in uw of mijn leven. Terug. De zonde wegdoen. Zo was het bij koning David. Hoe werd het weer goed met God? Toen David zijn schuld beleed en zich bekeerde van zijn zonde. Hou dat voor gezegd: als het niet goed zit tussen God en u, wat moet u dan doen? Dan moet u tot uzelf komen. Net als die verloren zoon uit Lucas 15. Hij ging terug naar vader. En vader ontving hem met open armen.

Eigenlijk is het prachtig wat we lezen in onze tekst: God laat Zich in het hart kijken. Hij komt met Zijn genade. Hij wijst de goede weg: bekering. Als u dat doet, zegt Samuël, dan komt het goed. Dan zal God u redden van de vijanden. God zegent alleen in de weg van bekering.

Kijk, en het mooie is dat Israël luistert. Samuëls preek draagt vrucht. Er wordt grote schoonmaak gehouden. De vreemde goden en de Astartes gaan de deur uit. Dat is bekering. Heel concreet wordt de zonde weggedaan. Hoort u het? Staat er iets tussen God en u in? Dat weet u zelf het best. Dan is er maar één oplossing: dat wegdoen. Die concrete zonde. Bij Israël waren dat de afgoden. Ze doen ze weg en geven hun hele hart aan God. Er wordt zelfs een vergadering belegd waarop schuld wordt beleden. Wij hebben tegen de Here gezondigd. Is dat niet mooi? Zo'n ommekeer. Dat is echte bekering. En nu staat de weg naar de toekomst weer open. Samen met God. Want alleen dan ben je goed uit. En kom je goed uit. Gelukkig wel.

Broeders en zusters, u en ik, we kunnen veel leren uit onze tekst. Ik vat samen:
1. De weg van de zonde loopt echt vast. Vergeet u dat nooit?
2. Gelukkig wijst God u de goede weg. Ook vandaag. Voor uw leven. God komt naar u toe. Hij wil uw ondergang niet. Hij wil uw redding.
3. Alleen bekering geeft toekomst. Heel concreet. Vraag aan uzelf maar of er iets tussen God en u instaat. En doe het dan weg. Daar rust Gods zegen op.
4. Wees niet als vakantiegangers die verkeerd rijden, maar toch niet omkeren. Wees als mensen die dan omkeren. En de goede weg gaan. Geve God dat aan ons allen.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar