Kerk-zijn is wijzen naar God

Thema: Kerk-zijn is wijzen naar God
Tekst: 1 Petrus 2: 9
Tekstgedeelte(n): 1 Petrus 2: 1-12
Door: Dr. J.R. Douma (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Haarlem)
Gehouden te: Beverwijk, Krommenie, en IJmuiden in november 1998
Extra: Meer preken van ds. Jos Douma vindt u op: www.josdouma.nl/preken/

Aanwijzingen voor de Liturgie

  1. Votum en zegengroet
  2. Ps. 27: 1, 3-4
  3. Schuldbelijdenis: Almachtige, eeuwige God en Vader. Wij erkennen dat wij geboren zondaars zijn en daarom van nature niet in staat het goede te doen. Wij belijden dat wij door uw geboden te overtreden in onze daden, woorden en gedachten uw oordeel hebben verdiend en schuldig staan tegenover onze naasten. Wij hebben berouw over onze overtredingen. Wij willen breken met de zonde. Wij verlangen hartelijk naar een nieuw leven, een leven van gehoorzaamheid. Met een beroep op uw genade en uw trouw smeken wij: Ontferm u over ons, barmhartige God en Vader, en spreek ons vrij, was ons schoon in het bloed van Jezus Christus, onze Here. Herschep ons door de kracht van uw Heilige Geest naar het beeld van uw Zoon, zodat wij met vreugde leven tot eer van uw Naam. Amen.
  4. Ps. 85:1
  5. Genadeverkondiging: Als u oprecht uw schuld belijdt en in vertrouwen een beroep doet op het lijden en sterven van de Here Jezus Christus, mag u erop rekenen dat al uw zonden u door God werkelijk vergeven zijn. De Vader in de hemel geeft immers overvloedig zijn genade aan allen die Hem daarom vragen. Als u werkelijk bereid bent met uw zonde te breken en oprecht de hulp van de Geest verlangt om voortaan God en uw naaste lief te hebben, mag u verhoring verwachten. Want de hemelse Vader geeft beslist zijn Geest aan wie Hem vragen om nieuwe gehoorzaamheid. Dat verzeker ik u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
  6. Ps. 85: 3-4
  7. Lezen: 1 Petrus 2: 1-12
  8. Ps. 118: 1, 8, 10
  9. Tekst: 1 Petrus 2: 9
  10. Preek
  11. Ps. 106: 1, 2, 22
  12. Wet
  13. Gez. 1: 13
  14. Gebed
  15. Collecte
  16. Gez. 31
  17. Zegen

Kent u het volgende spelletje? Je zit met een groep bij elkaar, op zondagavond met het hele gezin in de huiskamer bijvoorbeeld. En dan moet om de beurt iemand een beroep uitbeelden. De rest van de groep mag raden. Zo zou je bijvoorbeeld de timmerman kunnen uitbeelden. Dat doe je door de gebaren te maken die typisch voor een timmerman zijn: in de linkerhand een spijker, in de rechterhand een hamer, en met die hamer sla je de spijker op z'n kop. Je kunt ook de vrachtwagenchauffeur uitbeelden: linkerarm uit het raam, rechterhand aan het stuur en meegalmen met de radio. En zo zou je ook een professor, of een voetballer, of een typiste, of een verpleegster, of een boer kunnen uitbeelden. Als je maar steeds die gebaren maakt die typisch voor dat beroep zijn. Best wel een leuk spelletje.

Maar waarom vertel ik dat nu? Omdat je je ook kunt afvragen welk gebaar nu typisch voor de kerk is. Als je nu eens niet een beroep wilt uitbeelden, maar iets anders, in dit geval: de kerk, hoe zou je dat doen?

Daar moet u maar eens over nadenken.
Welk gebaar is nu typisch voor de kerk...?

Je zou dit gebaar kunnen maken (opgeheven wijsvinger). Een opgeheven wijsvinger: dit mag niet, en dat mag niet, als je dat doet gaat het mis: Pas op! Veel mensen kijken zo tegen de kerk aan: van de kerk mag niks en moet alles. Ik denk niet dat dit gebaar (opgeheven wijsvinger) typisch is voor de kerk. Het kan best zijn dat de kerk wel eens zo overkomt. Maar dat kan in elk geval nooit de bedoeling zijn, omdat de kerk juist een blíjde boodschap heeft. Ook Gods geboden zijn geen last, maar een goede weg om te gaan aan de hand van Vader. Het is fijn om bij de kerk te horen, en geen zware, drukkende last. De opgeheven wijsvinger is dus niet echt týpisch voor de kerk.

Een ander gebaar (handen gevouwen, ogen dicht). Ik denk dat dat al wat dichter in de buurt komt. Maar of het nu echt týpisch voor de kerk is, dat weet ik zo net nog niet. Want dat dóen we wel in de kerk: bidden. Maar daar doen we ook nog wel andere dingen: we zingen er, lezen er uit de bijbel, collecteren, preken, luisteren, zitten, staan. Als je dit gebaar (handen gevouwen, ogen dicht) eruit zou pikken, zou dat wel een beetje eenzijdig zijn. Ook dit gebaar is dus niet echt typisch voor de kerk.

Maar welk gebaar is nu dan wel typisch voor de kerk? Dat lezen we in de tekst voor deze preek: "U bent een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom om de grote daden van God te verkondigen." Dít is dus het gebaar dat typisch is voor de kerk (met de wijsvinger omhoog wijzen): wijzen naar God: moet je eens horen wat Híj gedaan heeft!

En daarover gaat deze preek.

Het thema is:

Kerk-zijn is wijzen naar God!

Hoe kan het nu toch dat er mensen zijn die de waarschuwende wijsvinger typisch voor de kerk vinden? Zeggen we dan echt alleen maar dat dit niet mag, en dat niet mag, en dat het zus moet en niet zo en dat je anders naar de hel gaat? Ik denk dat er ook wel mensen zijn die de gebalde vuisten typisch voor de kerk vinden: 'Die mensen in de kerk hebben altijd ruzie. Ze gaan altijd maar weer met elkaar op de vuist. Moet je eens zien hoevéél kerken er wel niet zijn. En hoeveel groepen er binnen de kerk zijn, die maar weinig van elkaar moeten hebben.'

De waarschuwende wijsvinger en de gebalde vuisten: dat is voor veel mensen de kerk.

"Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom", staat er in de tekst. Maar veel mensen zeggen: 'Gij zijt een waarschuwende zwartkijkersclub, gij zijt een vechtende bende, gij zijt een ontoegankelijk bolwerk.' En het zijn echt niet alleen de mensen die nog nooit een kerk van binnen hebben gezien die dat zeggen. Hebben ze gelijk?

Dat is wel een gevoelige vraag. Want als ze gelijk hebben, dan zijn we als kerk wel heel verkeerd bezig. En dan worden we daar nu met de neus bovenop gedrukt. 'Een waarschuwende zwartkijkersclub, een vechtende bende, een ontoegankelijk bolwerk.'

Nu is dat denk ik wel een karikatuur. Een karikatuur van de kerk. En het eigene van een karikatuur is dat maar één bepaald aspect van iets naar voren wordt gehaald. En als het ware wordt uitvergroot. Denk maar aan die karikatuurtekeningen die je in de kranten wel tegenkomt, van politici bijvoorbeeld. Een bepaald kenmerk van iemands gezicht, een flinke neus bijvoorbeeld, wordt dan sterk overdreven en flink uitvergroot. Vaak om zo iemand een beetje belachelijk te maken. Daar is een karikatuurtekening voor.

En zo is het denk ik ook met die waarschuwende wijsvinger en die gebalde vuisten: dat is een karikatuur van de kerk. Maar daarmee zeggen we dus tegelijk dat er wel een kern van waarheid in zit: we liggen nogal eens met elkaar overhoop, en je krijgt inderdaad wel eens het idee dat alles moet en niks mag. Dat is erg, want dat is niet de bedoeling van de kerk. Dat heeft te maken met een stuk onmacht. Waarom lukt het niet om over te brengen dat het evangelie een blíjde boodschap is? Waarom lukt het niet vrede met elkaar te houden? Waarom lukt het niet om een open huis te zijn?

Want die onmacht om echt kérk te zijn zoals het hoort (en wie wil dat nu niet?), die onmacht heeft wel als gevolg dat veel mensen afknappen op de kerk en het voor gezien houden. Zij zeggen 'dag' met hun hand en zijn verdwenen. Ze zeggen 'dag' tegen de kerk die volgens hen alleen maar op regeltjes wijst. Ze zeggen 'dag' tegen een kerk die weinig warmte lijkt te bieden. En dat is heel erg, want tegelijk zeggen ze zo 'dag' tegen de kerk die hun intussen wel naar God wijst, hoe gebrekkig misschien ook. En daarom kun je niet zonder de kerk. Want de kerk wijst je naar God. Want kerk-zijn ís wijzen naar God.


Laten we nu eerst eens wat beter naar de tekst kijken. Daar wordt nogal wat gezegd over de kerk. Dat is niet niks. Vier eretitels krijgt de kerk hier. Vier erenamen die er wezen mogen. Petrus, de schrijver van deze brief, is niet kinderachtig met zijn uitspraken over de kerk. Vier éretitels. Er zijn een vier dingen die aan deze titels opvallen.

1. Allereerst valt op dat het alle vier titels zijn voor een geheel: de kerk, de gemeente als geheel, is een uitverkoren geslácht, een koninklijke príesterschap, een heilige nátie, een vólk God ten eigendom. Geslacht, priesterschap, natie, volk. Kérk, dat ben je sámen, wil daarmee gezegd zijn. Het is niet zo dat een broeder X een onderscheiding krijgt: ridder in de orde van het koninklijke priesterschap. Of dat een zuster Y, wegens haar vele verdiensten, een lintje krijgt: een vrouwe God ten eigendom. Nee, de kerk als geheel krijgt deze eretitels. Kerk, dat ben je sámen.

2. Een tweede wat opvalt, is dat het geen zelfverzonnen namen zijn. Petrus heeft niet zelf wat zitten nadenken, zodat na verloop van tijd deze vier titels eruit rolden. Nee, hij heeft zitten bladeren in het Oude Testament. En daar vond hij deze vier titels. Hij vond er twee in Jesaja 43: 20 (uitverkoren geslacht, eigendomsvolk). En twee in Exodus 19: 6 (koninkrijk van priesters, heilig volk). Vier oudtestamentische titels van Israël gebruikt voor een nieuwtestamentische christelijke gemeente. Daarmee maakt Petrus duidelijk dat Gods werk dóórgaat. De verkiezende liefde van God is nu ook voor de heidenen. God is niet langer alleen met Israël op weg, maar met alle volken. En daarom zijn Israëls namen nu ook de namen voor christenen uit alle volken. Oudtestamentische titels zijn nu van toepassing op de nieuwtestamentische kerk. En daarmee ook op de gemeente hier. Vier oudtestamentische éretitels, voor ú.

3. Wat ook opvallend is, het derde, is de maníer van spreken van Petrus. "U bént een uitverkoren geslacht." Hij zegt niet zoiets als: u móet een uitverkoren geslacht worden, of: u kúnt een uitverkoren geslacht worden. Maar: U bént het. "U bént een uitverkoren geslacht." Het is niet zo dat de kerk die titels zelf verdiend heeft. De kerk heeft die eretitels gekrégen, van Christus. Hij is het fundament van de kerk, de Hoeksteen. En door het werk van Christus kríjgt de kerk deze eretitels. De kerk van Christus ís "een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom".

4. En het vierde wat opvalt is ook dat in elk van de vier titels doorklinkt dat het namen zijn voor een aparte groep. De kerk wordt hier onderscheiden van de ongelovigen, van wat we wel 'de wereld' noemen. Daarover ging het in de verzen 7 en 8: de ongelovigen zijn de mensen die zich ergeren aan Christus. Voor hen is Christus een steen des aanstoots en een rots der ergernis. Zij zijn er toe bestemd om in hun ongehoorzaamheid zich aan Christus te stoten. Zij moeten van God niks hebben.

Maar de gemeente van Christus, de kerk, is een uitverkoren geslacht. Dat betekent: uitgekozen tot Gods familie, tot Gods huisgezin in deze wereld. Met zorg door God bijeen gebracht, kinderen van één Vader.

De kerk is een koninklijke priesterschap. Eigenlijk klinken er in die naam twee titels door: koningen en priesters, dat zijn de kerkleden. Als koningen komen ze op voor de naam van de grote Koning, de Here God. En zoals priesters in het Oude Testament in rechtstreeks contact stonden met de Here, zo is het nu de kerk die direct in relatie staat met God. Via de kerk leren mensen God kennen.

De kerk is een heilige natie. Dat betekent: een door God apart gezet volk, gereserveerd om Hem te dienen en ook om naar Hem te wijzen.
De kerk is een volk God ten eigendom. Dat betekent dat de kerk van God is en dat God een heel speciale band heeft met de kerk.

Vier eretitels dus. Van God gekregen. Ze vormen zijn visitekaartje in de wereld. Want Gods volk, Gods huis, Gods kerk is het levende bewijs van wat zijn ontferming tot stand brengt.


Kerk-zijn is wijzen naar God. Dat is het thema van de preek. Maar je zou nu haast het omgekeerde gaan zeggen: Kerk-zijn is wijzen naar jezelf. Kijk ons eens: een uitverkoren geslacht! Kijk ons eens: een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom!

Maar u begrijpt wel dat dat niet de bedoeling kan zijn. Sterker nog: dat is juíst niet de bedoeling. Want als je trots naar jezelf gaat zitten wijzen, worden eretitels lége titels. Ze houden niks meer in. Dan doe je als een directeur die met een grote sigaar in z'n mond en z'n duimen achter z'n vest achterover leunt in zijn grote stoel, met z'n voeten op het bureau. Kijk mij eens: ik ben de directeur. Dan wordt zo'n titel een lege titel. Dan heb je aan jezelf genoeg. Nee, de kerk heeft vier eretitels gekregen, maar niet om daar een beetje trots op te zitten zijn. Kijk ons eens!

Die eretitels zijn een opdracht. De kerk moet er mee aan het werk. De kerk moet zijn wat ze is: een richtingwijzer naar God. Kerk-zijn is wijzen naar God. Dat is de dienst die de kerk als Gods uitgekozen volk aan de wereld moet bewijzen. Laten zien wie God is: zijn grote daden verkondigen, zo staat het in de tekst. De kerk moet Gods grote daden verkondigen. Dat is haar opdracht.

Je móet Gods grote daden verkondigen. Daar lijk je opeens toch die waarschuwende wijsvinger te zien. Je móet Gods grote daden verkondigen, anders zwaait er wat! Maar zo is dat niet bedoeld. Laat ik dat met een paar voorbeelden duidelijk maken.

Als je vader en moeder bent geworden van een baby, dan móet je dat wel aan anderen vertellen, dat kun je gewoon niet laten: we hebben een kind! Ook al is het midden in de nacht, je belt op en je vertelt het: je móet het gewoon kwijt.

Als je een proefwerk hebt gehaald, dan móet je dat wel aan anderen vertellen. Dan kom je niet thuis, en ga je niet met je moeder theedrinken alsof er niks aan de hand is. Dan kom je binnen en dan roep je het uit: 'Mam, ik heb m'n proefwerk gehaald.'

Als er iets moois is gebeurd in je leven, je hebt bijvoorbeeld verkering gekregen, of eindelijk een baan, dan wil je dat dolgraag vertellen. Je móet het dan gewoon kwijt. Je kunt het wel van de daken schreeuwen

Als je kerk bent, dan móet je het wel kwijt: 'We zijn van God. Ken je Hem al?' Je kunt het gewoon niet laten om over Hem te vertellen, om te vertellen van Wie je bent. En waarom dat zoveel voor je betekent. Je móet Gods grote daden wel verkondigen.

En dan vertel je allereerst dat het licht is in je leven. De duisternis van de duivel is verdwenen. De zonde die alles donker maakt, is niet langer de allesbepalende factor in je leven. Want God heeft je daaruit weggehaald: uit het donker, uit de zonde, uit de goot. Hij heeft je geroepen uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Een leven in het licht van God, dat is de boodschap van de kerk. Kerk-zijn is wijzen naar God. Want over God is heel wat te vertellen: Hij heeft de macht van de duisternis gebroken en het licht gemaakt op aarde in zijn Zoon Christus. Hij heeft alles geschapen. Hij herstelt kapotgelopen levens. Bij Hem kun je terecht met je zorgen. Hij is de zin van je leven. In God heeft je leven het perspectief van een eeuwig leven op een nieuwe aarde.

Dat zijn dingen die kleur geven aan je leven. Die dingen doen je leven glanzen van licht. Het is licht in je leven, want je bent van God. En dat móet je wel kwijt.


Kerk-zijn is wijzen naar God. Maar voor wie is dat wijzen eigenlijk bestemd? Want er moet toch iemand staan te kijken als je wijst. En staan te luisteren als je wat te zeggen hebt. Een richtingwijzer met: 'bewoonde wereld, nog duizend kilometer' ergens midden in de woestijn, heeft geen enkele zin. Er is niemand die er ooit naar kijkt. Wijzen is een dienst die je aan iemand bewijst. Je wijst iemand de weg bijvoorbeeld. Kerk-zijn is wijzen naar God. Maar aan wie bewijs je die dienst?

Ik denk allereerst aan de wereld. De kerk wijst mensen die God nog niet kennen of die God niet meer kennen naar God. Ken je Hem al? Ken je Hem al echt? De kerk is zo een uitvalsbasis. In de kerk word je toegerust om te wijzen naar God. In de kerk leer je hoe je in je dagelijkse werk christen moet zijn. De kerk is ook de uitvalsbasis voor het evangelisatiewerk. Kerk-zijn doe je samen. En dan heeft ook in het evangelisatiewerk ieder z'n eigen plek. De één staat aan het front: hij of zij gaat langs de deuren, verspreidt folders, organiseert een open morgen of een praatmorgen en wat voor activiteit je verder ook maar kunt bedenken. En de ander blijft thuis en bidt voor de frontwerker, en bidt voor de mensen waarmee contact wordt gelegd. En dat bidden thuis is net zo belangrijk als het gaan langs de deuren. Kerk-zijn doe je samen. Evangeliseren dus ook.

Maar het wijzen naar God is ook een dienst die we aan God bewijzen. Dat zit ook in dat woord 'verkondigen': aan God vertellen dat we blij zijn met zijn grote daden. En dat doen we vooral in de eredienst, in de liturgie: daar loven we God, daar prijzen we Hem om zijn machtige daden. In onze psalmen en gezangen en in ons gebed. In de kerk wijs je naar boven, wijs je naar de God die bekend staat om zijn grote daden. En God zit daar ook op te wachten: Hij wíl geloofd worden. En daarom heeft Hij een kerk in deze wereld. Om naar Hem te wijzen.

En het wijzen naar God is ook een dienst die we binnen de kerk aan elkaar bewijzen: we wijzen elkaar naar God als man en vrouw, we wijzen elkaar naar God als ouders en kinderen, als ambtsdrager en gemeentelid, als zieke en gezonde. Die dienst bewijzen we elkaar in de kerk. Mensen van God zeggen het tegen elkaar: je bent van God. En zo probeer je elkaar vast te houden en bij God te houden.

Het wijzen naar God is dus een dienst die we als kerk aan de wereld, aan God en aan elkaar bewijzen. En eigenlijk horen die drie zo nauw bij elkaar dat je er geen onderscheid tussen zou moeten maken.


Kerk-zijn is wijzen naar God. Maar dat is helemaal niet zo gemakkelijk. Want je kunt een leven vol zorg en ziekte hebben. Een leven vol tegenslag en mislukking. Je leven kan kapot zijn. En dan vind je het maar moeilijk om Gods grote daden te ontdekken, laat staan er andere mensen van vertellen.

En je kunt het moeilijk vinden om je alledaagse leven, de kleine zo heel gewone dingen, met God te verbinden: wat heeft God nu eigenlijk met mijn dagelijkse werk te maken: met die was in de machine, met dat proefwerk wiskunde, met die invulformulieren op mijn bureau, met de steigers op de bouwplaats, met het schoolbord in de klas? Wat heeft God daar nu eigenlijk mee te maken? Je ziet het niet. Laat staan dat je het kunt doorvertellen.

Dat wijzen naar God kan dan heel moeilijk voor je zijn. Maar dan ben je er in de kerk voor elkaar. Dan hebben ambtsdragers een belangrijke rol: het is hun taak Gods grote daden in de huizen te verkondigen: zij moeten vertellen wat God met je leven te maken heeft. Wat God voor grote dingen heeft gedaan en nog doet. En ook mensen die zo gezégend zijn dat ze wél heel dichtbij God leven, spelen dan een belangrijke rol. Die mogen dat dan leren aan mensen die dat moeilijk vinden. Zo leer je samen Gods grote daden te zien en te ervaren. Zo leer je samen die grote daden ook te verkondigen aan de wereld.

Want dat is uiteindelijk de belangrijkste opdracht: de wereld wijzen naar God. Vanwege die opdracht heeft de kerk vier erenamen: een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk God ten eigendom.

Het zijn namen om waar te maken. En in de kracht van Gods Geest zal dat ook gebeuren. Dan wordt de kerk echt de plek waar gewezen wordt naar God. Dan wordt de kerk een huis waar je je thuis voelt omdat God er woont. Dan wordt Gods huis een open huis, waar de deuren wagenwijd openstaan voor ieder die mee wil doen: Wees welkom! Wijs je mee naar God?

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar