Christenen mogen vrijmoedig bidden

Thema: Christenen mogen vrijmoedig bidden
Tekst: 1 Johannes 5: 14-17
Tekstgedeelte(n): 1 Johannes 5
Door: Ds. J.B.K. de Vries (predikant gereformeerde kerk vrijgem. Balkbrug)
Gehouden te: Kadoelen op 1 augustus 1993
Vollenhove op 1 augustus 1993

Aanwijzingen voor de Liturgie

Lezen: 1 Johannes 5
Tekst: 1 Johannes 5: 14-17
Ps. 141: 1-2
Ps. 138: 2
Ps. 143: 1, 6-7, 9
Gez. 32: 1
Gez. 32: 2

In dit gedeelte staat iets, dat geweldige vragen oproept. Er bestaat zonde tot de dood, schrijft Johannes. Zonde, die de dood tot gevolg heeft. En natuurlijk bedoelt Johannes niet, dat sommige zonden dodelijke gevolgen kunnen hebben, zoals overmatig drankgebruik of alcohol-gebruik in het verkeer.
Hij bedoelt uiteraard de eeuwige dood in tegenstelling tot het eeuwige leven. Als iemand zondigt tot de dood, is er geen plicht om te bidden om vergeving van die zonde. Hij zegt het niet rechtstreeks, maar hij bedoelt toch wel: In dat geval mag je voor een ander niet bij God bidden om vergeving van die zonde.
Dan ga je je natuurlijk afvragen, wat voor zonde hier bedoeld is. Dat is een vraag, waar de uitleggers al heel lang mee geworsteld hebben.
Rooms-katholieke uitleggers zijn gaan onderscheiden tussen dagelijkse zonden en doodzonden. Doodzonden zijn zonden, waardoor de mens zich met heel zijn wezen en totaal van God afkeert. Voorbeelden daarvan zijn: godslastering, meineed, moord, onkuisheid en dergelijke.
Protestantse uitleggers wijzen dat onderscheid tussen dagelijkse zonden en doodzonden af. De meesten menen, dat het hier gaat om de zonde tegen de Heilige Geest en niet om allerlei zonden.
Bij al deze onderscheidingen dreigt het belangrijkste op de achtergrond te raken: Het evangelie van het kruis, dat ook hier verkondigd wordt. Dat zullen we horen onder het thema:

Christenen mogen vrijmoedig bidden

  1. Ze bidden naar Gods wil
  2. Ze bidden om vergeving van zonden
  3. Ze bidden niet om vergeving van doodzonden

1. Christenen bidden naar Gods wil

We hebben gelezen uit een klein bijbelboek. De naam van de schrijver wordt daar niet in genoemd. Dat is in een brief wel gebruikelijk. De geadresseerden worden dan ook vermeld. En het is ook normaal, dat een brief besloten wordt met groeten.
Is I Johannes dus wel een brief? Daar wordt wel eens aan getwijfeld. De vorm komt niet helemaal met die van een brief overeen. Maar diverse keren is er te lezen: "Ik schrijf u", of "Dit heb ik u geschreven". Dat doet toch wel heel sterk aan een brief denken.
Het was oorspronkelijk ook niet per sé nodig, dat de naam van de schrijver vermeld werd. Een instelling, zoals de moderne posterijen, bestond er in de oudheid niet. Een brief versturen ging niet zo simpel als tegenwoordig. Het juiste adres, voldoende postzegels en de brief in de brievenbus. Dan komt het voor elkaar.
Toen werden een brief vaak meegegeven aan iemand, die naar de geadresseerden reisde. Die overhandigde hem persoonlijk. In het geval van Johannes, kan dat ook best zo gegaan zijn. De brenger van de brief kon vertellen: Ik heb een brief van Johannes. Hij heeft me verzocht jullie deze brief te geven en de groeten over te brengen.
De ontvangers van de brief konden zo meteen geweten, wie hem geschreven had. Ook al had hij zijn naam niet in de brief gezet. Dat werd mondeling overgebracht; zoals waarschijnlijk de groeten ook mondeling overgebracht zijn.
Voor ons vele eeuwen later is het wat moeilijker vast te stellen, wie de schrijver was. Maar het begin van deze brief lijkt heel veel op het begin van het evangelie van Johannes. Bovendien laat de schrijver weten, dat hij oog- en oorgetuige is geweest van Jezus Christus.
De schrijver moet dus in de kring der apostelen gezocht worden. De christelijke overlevering zegt dan ook al in de tweede eeuw, dat deze brief door de apostel Johannes geschreven is. Er is geen waterdicht bewijs, dat het inderdaad Johannes was, maar er zijn eigenlijk geen andere mogelijkheden.
Voorzover bekend was hij de laatst overgeblevene van de apostelen. Hij heeft als oude man de verbanning naar het eiland Patmos nog moeten meemaken. Dat gebeurde tijdens de christen-vervolging onder keizer Domitianus.
Wat er in deze brief staat, pleit er voor, dat hij gericht is aan gemeenten, die al langere tijd bestaan. Er is zelfs al een afscheiding geweest van de christelijke kerk. Uit buiten-bijbelse gegevens is daar iets van bekend uit Klein-Azië.
Het meest waarschijnlijke is, dat Johannes deze brief heeft geschreven aan één of meerdere gemeenten in Klein-Azië. Met die gemeenten had hij een bijzondere band. Dat blijkt ook wel het laatste bijbelboek met de brieven aan de zeven gemeenten. Daar werd zijn gezag erkend.
Het valt niet te bepalen of deze brief eerder of later geschreven is dan de Openbaring van Johannes. Meestal wordt aangenomen, dat hij uit ongeveer dezelfde tijd stamt als het laatste bijbelboek.
Uit deze brief blijkt, dat de eenheid van de christelijke kerk al vroeg bedreigd werd. Vaak wordt gedacht, dat in de tijd van de apostelen de christelijke kerk een geweldig mooie eenheid vormde. En dat de kerkelijke verdeeldheid iets is uit later tijd; sinds de Reformatie tot nu toe.
Dat is echter een verkeerd beeld. Elders uit het Nieuwe Testament blijkt wel, dat er binnen de christelijke kerk soms vreselijke verdeeldheid was. Paulus moest optreden tegen mensen, die van de heiden-christenen eisten, dat ze besneden zouden worden. De kerk was toen al bijna gescheurd.
In de tijd van Johannes is het blijkbaar tot een werkelijke afscheiding gekomen. Hij bestrijdt in deze brief dwaalleraars. Die hebben zich al aan de kerk onttrokken. De apostel geeft niet zo erg veel door over hun optreden en geschiedenis.
Dat was voor zijn lezers niet nodig; die hadden het nog maar kort geleden meegemaakt. Het is heel goed mogelijk, dat er alternatieve gemeenten zijn gevormd. Gemeenten met de leer van deze dwaalleraars als basis.
Ze hebben de kerk wel verlaten, maar hun ideeën zijn zo gevaarlijk, dat Johannes de gemeenten toch nog waarschuwt. Misschien proberen ze nog steeds leden van de christelijke kerk over te halen hen te volgen.
Johannes geeft ook geen precieze omschrijving van hun leer. Dat was voor de lezers ook niet nodig, want die wisten dat ongetwijfeld heel goed. Uit diverse opmerkingen in deze brief komen wat algemene gedachten van de dwaalleraars naar voren.
Ze maken kennelijk onderscheid tussen Christus, Gods Zoon, en de mens Jezus. Er is een dwaling uit die tijd bekend met deze leer: Toen de mens Jezus gedoopt werd in de Jordaan, kwam de Christus op Hem. De Christus verliet de mens Jezus weer voor de kruisiging.
Wat Johannes schrijft over de dwaalleer, duidt er op, dat het om een dergelijke leer ging. Nu lijkt dat dogmatisch geharrewar, waar een gewoon christen niet mee uit de voeten kan. Wat betekent zo'n verschilpunt nu voor je persoonlijk geloof?
Maar Johannes laat merken, dat deze dwaalleer geweldige gevolgen heeft. De dwaalleraars blijken er trots voor uit te komen, dat ze een geweldige kennis van God hebben. Ze zeggen, dat ze geleid worden door Gods Geest en dat ieder naar hen luisteren moet.
Het lichamelijke bestaan is volgens hen helemaal niet zo belangrijk. Want Christus is maar voor een beperkte tijd met Jezus verenigd geweest. Christus is niet aan het kruis gestorven voor de zonden. Dat was alleen de mens Jezus.
Het gaat om de verlossing van de geest, niet van het lichaam. Zonden, gedaan in het lichamelijke bestaan, tellen eigenlijk niet. De dwaalleraars zijn trots op de kennis, die ze verkondigen. Zij hebben het rechte zicht op Christus en op Jezus. Wat anderen vertellen, zoals de apostelen, is maar dom gepraat.
De nadruk, die in de christelijke kerk gelegd wordt op het doen van Gods geboden, is ook helemaal verkeerd. Dat raakt allemaal het aardse bestaan en dat gaat toch voorbij. Het stoffelijke is onbelangrijk, alleen het geestelijke is belangrijk.
De dwaalleraars zien neer op de gewone christenen, die in het dagelijkse leven proberen de geboden van God te volbrengen. Zij weten wel beter.
Het grote verwijt van Johannes is, dat ze de broederliefde hebben verworpen. Ze hebben grote woorden over de leer, maar uit hun leven blijkt geen liefde voor de mede-christenen. Ze zien verachtelijk neer op de gewone gelovigen, die het getuigenis van de apostelen aanvaarden. Die willen leven naar Gods geboden.

Maar zo precies hoeft dat volgens hen allemaal niet. Het gaat niet om de verlossing van de hele mens, maar om de verlossing van zijn ziel. Want Christus heeft geen verzoening gebracht aan het kruis. Die was daar niet meer. Dat was alleen Jezus.
En zo werd het evangelie van het kruis in de kern aangetast. En dat was geen theoretische kwestie. Dat bleek in de praktijk van het christenleven door te werken. Gods goede geboden werden niet meer serieus genomen. Het evangelie had weinig meer te zeggen over het dagelijkse leven en de dagelijkse noden.
Daartegenover handhaaft de apostel met grote kracht en nadruk, dat Jezus de Christus is en dat Hij aan het kruis de zonde heeft betaald. Het hele leven is verlost, de hele mens, en niet alleen de geest of de ziel.
De verlossing is allesomvattend. En het leven van de verloste mens moet daardoor bepaald worden. Heel dat leven moet een volgen van Christus zijn. Heel dat leven moet in het gebed ook aan God opgedragen worden.
De christen moet bidden naar Gods wil. En dat betekent een bidden om christelijke omgang in de gemeente. Bidden, dat de broederliefde het egoïstische menselijke denken overwint. Dat was één van de zwakke punten van de dwaalleraars.
Die zagen hooghartig neer op hun mede-christenen. Zij wisten alles precies. En de anderen waren dom. En toen die niet naar hun luisteren wilden, braken ze met hen. Geen zoeken van elkaar op basis van het apostolisch getuigenis, geen luisteren naar het evangelie, maar eigen zin en eigen ideeën doorzetten.
Bidden naar de wil van God. Dat is bidden om niet hooghartig neer te zien op mede-christenen. Bidden om te kunnen luisteren naar de moeiten en zorgen, die het christen-zijn met zich mee brengen. Bidden om de vragen te begrijpen, die opkomen bij de leiding van de Here in het leven. Als die leiding soms onbegrijpelijk is.
Bidden naar de wil van God is ook bidden om Gods rijk en Gods gerechtigheid voorop te stellen in je leven. Nummer één in het gebed mag niet zijn de bestaanszekerheid, maar Gods rijk.
Bidden naar de wil van God is ook bidden om toegelaten te worden en opgenomen te worden in Gods rijk. En dat moet een bidden zijn vanwege Jezus Christus. Omdat Hij al je schulden heeft afgelost.
Bidden om gezondheid, aards geluk, aards succes, aardse welvaart. Daarvoor ligt geen belofte van verhoring door God. Bidden naar de wil van God - dat is: Bidden, dat je aardse bestaan een dienen is in het rijk van God.
En als je zo bidt, geeft God verhoring. Dan is er zekerheid, dat je gebed verhoord wordt. Je krijgt dat allemaal. Je krijgt de kracht om tegenover de wereld, die trekt, toch Gods rijk voorop te zetten in je leven.
En daarbij mag je de Here rustig al je zorgen voorleggen. De zorgen van het dagelijkse bestaan. De zorgen over je gezondheid, je werk, je toekomst.
Wat voor moeiten je ook meemaakt, als je daarbij bidt om kracht, om als kind van God te blijven leven, zul je die kracht ontvangen. Bidden naar de wil van God; het wordt gegarandeerd verhoord.
Want daarvoor heeft Jezus Christus zich gegeven tot aan het kruis. Dit leven is geen onbelangrijke periode van het stoffelijk bestaan. Dit leven is de tijd, waarin de verlossing door Christus al zichtbaar begint te worden. Zo begint het eeuwige leven hier al.
Bidt erom en je krijgt het, om Christus' wil.

2. Christenen bidden om vergeving van zonden

Het verwijt aan de dwaalleraars was, dat ze de broederliefde misten. Er was bij hen geen bewogenheid voor hun mede-gelovigen. Er was een hooghartig oordelen en veroordelen.
Eigenlijk maakten ze onderscheid tussen eerste- en tweederangs christenen. De grote massa van de christenen bestond eigenlijk uit tweederangs leden. Het waren mensen, die de verhalen van de apostelen letterlijk namen.
Jezus Christus was geboren in Betlehem uit de maagd Maria. Hij had geleden, was gekruisigd, gestorven en begraven. Ze meenden, dat het offer op Golgota de zonden had verzoend.
Ze begrepen niet, dat het helemaal niet om de verlossing van het lichaam ging. Dat stoffelijke, dat aardse, was maar tijdelijk, zo meenden de dwaalleraars. Dat zou definitief verdwijnen. De geest, de ziel, die was eeuwig.
Christus was gekomen voor de verlossing van de ziel. Dat lijden aan het kruis had geen echte betekenis. Christus had de mens Jezus vóór die tijd al verlaten. Dat was heel logisch. Hoe kan Gods Zoon zich nu voor eeuwig verbinden aan het lichamelijk bestaan?
Dat zou een geweldige vernedering zijn. Gods Zoon, die mens wordt en voor eeuwig mens blijft. De dwaalleraars bestreden dat. Gods Zoon, die in het menselijk lichaam naar de hemel is gegaan? Dat is toch onmogelijk?
Gods Zoon, die zelf het lijden en de dood heeft ondergaan en die dat deed om de zonden te verzoenen. Dat kan niet. Zo diep vernedert de Zoon van God zich niet.
In de dwaalleer werden Gods geboden niet meer voluit serieus genomen. Dat zal vermoedelijk zo beredeneerd zijn: Die geboden zijn sterk gericht op het lichamelijk bestaan. En dat is toch van voorbijgaande aard. Dus die geboden van geen afgoderij, niet stelen, niet doden, niet echtbreken; daar moet je niet zoveel nadruk op leggen.
Het gaat tenslotte om de verlossing van de ziel, om de geestelijke kant van de mens. Al die regels, die zoveel te maken hebben met het gewone aardse leven, zijn helemaal niet zo vreselijk belangrijk.
De gelovige moet zich daarom maar zoveel mogelijk uit dat gewone leven terugtrekken. Het gaat niet om het doen van Gods geboden, het gaat om de juiste kennis. De kennis, waarover de dwaalleraars zeggen te beschikken. De kennis, dat Christus zich slechts tijdelijk verbonden heeft aan de mens Jezus.
Verlossing wordt bereikt in de weg van deze kennis. Verlossing houdt niet zozeer in, dat je tegen de zonden strijdt, maar eerder dat je tegen onwetendheid strijdt. Door onwetendheid ga je verloren; door de juiste kennis wordt je gered en verlost van het lichamelijk bestaan en ga je steeds meer over naar een geestelijk leven.
De apostel houdt echter Gods geboden met grote nadruk aan de christelijke gemeente voor. Het al of niet doen van Gods geboden is van grote betekenis. De dwaalleer zegt: Wij zijn kinderen van het licht, wij zijn door onze kennis vrij van de zonde.
Maar wie dat beweert, zo schrijft Johannes, liegt. In het leven van de christen is zonde, is overtreding van Gods geboden. En daarvan moet bekering komen. Er moet metterdaad met de zonde gebroken worden.
Wie beweert, dat dat niet nodig is, dwaalt. Wie de overtreding van Gods geboden in zijn leven maar rustig laat voortbestaan, gaat verloren. Door alleen maar de juiste kennis, wordt je niet gered. Mooie woorden alleen brengen het heil niet.
De woorden moeten gepaard gaan met daden. Daden van bekering, van breken met de zonde. En dat is zo belangrijk, dat een mede-christen moet bidden voor een lid van de kerk, dat hij ziet zondigen.
Het leven naar Gods geboden is zo belangrijk, dat overtreding daarvan een kwestie van bezorgdheid moet zijn. Bezorgdheid voor het heil van de mede-christen.
De zonde van een mede-christen mag geen zaak zijn, waarover genoeglijk gekletst wordt. Iets, waar anderen heerlijk van kunnen smullen, een roddel-onderwerp, waar iedereen graag naar luistert.
Dat is vaak de praktijk. De vreselijke praktijk ook in de christelijke gemeente. Een praktijk, waaruit blijkt, dat de broederliefde het niet wint. Maar de eigenliefde. Want hoe vaak gebeurt het niet, dat andermans zonden naar voren worden gehaald, om eigen goedheid te benadrukken?
Komt het niet vaak zo over: Wat die ander heeft gedaan, dat is erg hè? Zo slecht zijn wij toch niet. En dan bedoelt de spreker eigenlijk: Ik ben veel beter dan die ander, die zoiets slechts gedaan heeft.
Hier wijst de apostel een totaal andere weg: Niet de heerlijke roddel over andermans kwaad. Maar de bezorgdheid om het heil van de mede-christen. De bezorgdheid, die tot uiting komt in de voorbede. De vraag aan God om de ander het kwaad te vergeven.
Die ander, die bij de gemeente hoort, die Christus heeft beleden als Heiland en Verlosser. Die ander, die bij het leven naar Gods geboden struikelt. Dat struikelen mag geen reden tot vermaak zijn: Wie had dat toch gedacht? Hij of zij weet het altijd zo goed te vertellen. En nu gaat hij of zij zelf de fout in.
Dat weten we vaak heel precies. En we kunnen het op passende momenten aangrijpen. Op momenten, dat we zelf aangesproken worden op het doen van Gods geboden. Als je dan iets van de spreker weet, iets over zijn struikelen in zonde, dan kun je de spreker proberen de mond te snoeren.
En dat lukt je wel met elk lid van de gemeente. En daarmee kun je alle bijbelse vermaan de grond in boren. Er is altijd wel iets, dat je de spreker voor de voeten kunt gooien.
Maar dat zul je niet wagen, als je doet wat Johannes hier schrijft: God bidden om vergeving voor de ander, als die gezondigd heeft. Voorbede doen. En dat is geen kleine zaak. Zo redt je het leven van je mede-christen.
Natuurlijk wordt een zondaar alleen maar gered door Christus' offer. Maar het gebed is daarbij onmisbaar. En de christelijke voorbede heeft door dat offer van Christus' leven reddende kracht.
Daarin komt de broederliefde tot uiting. Zo belangrijk is die liefde: Niet minachtend neerzien op de ander, die Gods gebod overtreedt, maar voor die ander, die mede-belijder, vergeving vragen bij God.
Denk er maar eens goed over na: Als je dit leest, hoe praat je over anderen en hun zonden, hoe sta je tegenover hen? Hooghartig, of in bezorgdheid en meeleven?
Waar is de christelijke liefde voor elkaar? Ben je werkelijk christelijke gemeente? Klets je liever over de zonden van een ander, dan dat je daar vergeving voor vraagt? Bekeer je dan.

3. Christenen bidden niet om vergeving voor doodzonden

Johannes maakt een voorbehoud bij dat bidden. Hij schrijft namelijk ook over zonde tot de dood en zondigen tot de dood. Als daarvan sprake is, schrijft hij geen gebed om vergeving voor.
Naar de letter verbiedt hij zo'n gebed niet. Maar zijn bedoeling is uiteraard wel een verbod. Als er sprake is van zonde tot de dood, mag er geen gebed zijn om vergeving te vragen.
Wat wordt er bedoeld met die zonde tot de dood? De lezers van Johannes hebben deze woorden begrepen. De apostel heeft hun geen raadsels voorgeschoteld. Dan had hij net zo goed niet kunnen schrijven.
Hij heeft duidelijk gemaakt, dat de dwaalleer niet uit God is. Hij noemt de dwaalleraars zelfs antichristen. Ze hebben de Zoon van God niet en dus hebben ze het leven niet.
Hij waarschuwt dus bijzonder scherp voor de dwaalleer, die uitgedragen is. Wie de dwaalleer volgt, heeft het leven niet. Het leven wordt ontvangen door de Zoon van God. Hij gaf zijn bloed aan het kruis. En dat is de enige hoop.
In de diepzinnige gedachten van de dwaalleraren staat de betekenis van het kruis op het spel. Het gaat niet om een klein detail uit de leer, waar liefhebbers van dogmatische haarkloverij zich mee bezig kunnen houden.
Het gaat om de kern van het evangelie: Heeft Gods Zoon aan het kruis verzoening gebracht of niet? Betekent het kruis eeuwig leven of niet? De dwaalleer ontkent dat. En daarmee is het hart van het evangelie aangetast.
Als Johannes het heeft over zonde tot de dood, of zondigen tot de dood, dan bedoelt hij niets anders dan deze dwaalleer. Want die dwaalleer snijdt het hart uit het evangelie, zodat het niet langer het evangelie van het kruis is.
En dan is het begrijpelijk, dat Johannes verbiedt te bidden om vergeving. Als iemand het kruis verwerpt als de enige weg naar verzoening en eeuwig leven, helpt bidden om vergeving niet. Dan geeft God echt geen vergeving.
Iemand die voor deze dwaalleer kiest, heeft gebroken met Jezus Christus als de Heiland der wereld. Dan kun je niet bidden om vergeving op grond van Christus' offer; dan kun je alleen maar bidden om bekering van het ongeloof.
Want het bidden om vergeving voor zonden van anderen is alleen mogelijk in dit geval: De ander, die heeft gezondigd, houdt vast aan het kruis als het enige offer voor de zonden, als de enige weg naar eeuwig leven.
Het gebed om vergeving van de zonden van de ander is alleen mogelijk op het enige fundament: Jezus Christus en die gekruisigd. Als dat het gemeenschappelijk fundament is, verhoort God het gebed.
Als dat fundament ontbreekt. Als iemand dan enig gebod van God overtreedt, maar niet het kruis als verzoening van zijn schuld belijdt, dan is bidden om vergeving van de overtreding zinloos. Dan zal er eerst fundamenteel bekering moeten komen.
Geen bidden om zonde-vergeving, maar om radicale bekering tot Jezus Christus als de Zoon van God, die aan het kruis verzoening bracht.
Er is mede op grond van deze tekst onderscheid gemaakt in dagelijkse zonden en doodzonden. En die werden dan ook nog weer in allerlei soorten onderscheiden. En soms konden dagelijkse zonden weer doodzonden worden, zo is er wel betoogd.
Maar de apostel maakt wat de christenen betreft geen onderscheid in allerlei soorten zonden.
Hij maakt wel onderscheid tussen christenen en antichristen. Met de zonde tot de dood bedoelt hij: De keus voor de dwaalleer; de breuk met het christelijk geloof. Ook al wordt er veel gesproken over God en Christus en Jezus. Het gaat om antichristen.
Waar het geloof in het evangelie van het kruis is, daar kan vergeving gevraagd worden in Christus' naam. En dan luistert God. Maar waar dat geloof verworpen is, kan die vergeving niet gevraagd worden.
Want God luistert alleen maar, als Golgota erkend wordt als de enige weg naar het leven. Waar het verzoenend lijden van Christus niet erkend wordt, kan niet om vergeving gevraagd worden. Daar moet om bekering gebeden worden.
Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet. Want alleen door Zijn kruis is er leven.

Amen.

Terug naar

Terug naar Preken die Spreken
border

http://prekendiespreken.nl/
Heeft U vragen of opmerkingen, mail naar