De Heidelbergse Catechismus (NL)

 

Zondag 1

Vraag 1: Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven1, het eigendom ben, niet van mijzelf2, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus3. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald4 en mij uit alle macht van de duivel verlost5.
Hij bewaart mij zo6, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen7, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil8.
Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven9 en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven10.
Vraag 2: Wat moet u weten om door deze troost gelukkig te leven en te sterven?
Antwoord Ten eerste hoe groot mijn zonden en ellende zijn1.
Ten tweede hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word2.
Ten derde hoe ik God voor zo'n verlossing dankbaar moet zijn3.
 

Zondag 2

Vraag 3: Waaruit kent u uw ellende?
Antwoord Uit de wet van God.1
Vraag 4: Wat eist God in zijn wet van ons?
Antwoord Dat leert Christus ons in een samenvatting, Matteüs 22: 37-40:
Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Dit is het grote en eerste gebod.
Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten
1.
Vraag 5: Kunt u dit alles volbrengen?
Antwoord Nee1, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten2.
 

Zondag 3

Vraag 6: Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen?
Antwoord Nee, God heeft de mens goed1 en naar zijn beeld geschapen2, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen3.
Vraag 7: Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort?
Antwoord Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs1; want daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden2.
Vraag 8: Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?
Antwoord Ja1, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden2.
 

Zondag 4

Vraag 9: Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?
Antwoord Nee, want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dit kon doen1. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd2.
Vraag 10: Wil God zo'n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Antwoord Beslist niet, maar God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen.
Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen1, want Hij heeft gezegd: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Galaten 3: 102.
Vraag 11: Maar God is toch ook barmhartig?
Antwoord God is wel barmhartig1, maar Hij is ook rechtvaardig2.
Daarom eist zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God begaan is, ook met de zwaarste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt3.